Je leest:

Insider of buitenstaander?

Insider of buitenstaander?

Auteur: | 13 maart 2007

Het Nederlandse gezinsmigratiebeleid heeft sinds de jaren vijftig een schommelbeweging gemaakt. Hoe streng dit beleid is, blijkt af te hangen van de manier waarop de Nederlandse beleidsmakers kijken naar degene die in Nederland woont en zijn partner of kinderen wil laten overkomen: is dat een insider of een buitenstaander? Op dit moment zijn vooral mensen met een niet-Westerse achtergrond niet welkom.

Stel je voor: de Turkse Fatima wil naar Nederland komen om bij haar geliefde te gaan wonen en een gezin te stichten. Laat je haar, als je minister van vreemdelingenzaken was, binnen of luister je naar de zorgen van Nederlandse kiezers over het effect van immigratie op de Nederlandse samenleving?

Gezinsmigratiebeleid voeren betekent altijd een afweging maken tussen de wens van een individu om met zijn gezin samen te leven en het belang dat het bredere publiek heeft bij het bewaken van de ‘grenzen’ van de gemeenschap. Gezinshereniging is dan ook al jaren het onderwerp van heftige publieke en politieke debatten.

Beslissingen over wie Nederland binnen mag en wie niet worden in werkelijkheid niet door één iemand genomen, maar door een bont gezelschap van politici, ambtenaren, juristen en anderen die betrokken zijn bij het migratiebeleid.

Hoe streng het gezinsmigratiebeleid is, blijkt af te hangen van de manier waarop de regering en haar beleidsmakers kijken naar degene die al in Nederland woont en zijn partner of kinderen wil laten overkomen: is dat een insider of een buitenstaander? Hoe meer de regering deze persoon als een lid van de Nederlandse gemeenschap beschouwt, hoe meer verantwoordelijkheid de regering zal voelen voor zijn welzijn en hoe minder hindernissen ze zal opwerpen voor gezinshereniging of –vorming.

Als de aanvrager een ‘buitenstaander’ is, dan stelt de regering veel strengere eisen. Het Nederlands gezinsmigratiebeleid heeft sinds de jaren vijftig een schommelbeweging doorgemaakt: van streng in de jaren zestig en zeventig, naar soepel in de jaren tachtig, en sinds de jaren negentig weer steeds strenger. Op het moment zien Nederlandse beleidsmakers vooral mensen met een niet-Westerse achtergrond als buitenstaanders.

De jaren vijftig en zestig: gastarbeiders

In de jaren vijftig en zestig maakte de Nederlandse economie zo’n enorme groei door, dat grote tekorten ontstonden op de arbeidsmarkt. Daarom werden in de landen rond de Middellandse Zee arbeiders geworven om in Nederland te komen werken, eerst vooral in Spanje en Italië, later met name in Turkije en Marokko. Iedereen ging er vanuit dat deze arbeidsmigranten niet meer dan een paar jaar in Nederland zouden blijven: niet langer dan nodig was om genoeg geld te sparen om in hun thuisland een beter leven op te bouwen. De arbeidsmigranten werden dan ook ‘gastarbeiders’ genoemd.

Deze arbeidsmigranten waren ‘gasten’, buitenstaanders dus. Het was niet de bedoeling dat zij hun vrouw en kinderen meenamen naar Nederland. Het gezinsmigratiebeleid was in die tijd dan ook behoorlijk streng. Een buitenlandse werknemer mocht zijn gezin pas laten overkomen als hij beschikte over passende huisvesting en een arbeidscontract voor tenminste een jaar. Bovendien moest hij tenminste één jaar (EEG-burgers) of twee jaar (niet-EEG-burgers) in Nederland hebben gewoond en gewerkt. Deze laatste voorwaarde was bijzonder streng, want de zogenaamde ‘wachttijd’ werd in geen enkel ander Europees land als voorwaarde gesteld.

Op de foto is te zien hoe Prins Claus en Prinses Beatrix een aantal Marokkaanse gastarbeiders welkom heet. Foto: Anno.nl

Gezin als hoeksteen van de samenleving

Vanuit het parlement kwam veel kritiek op dit strenge beleid. Met name de Christen-Democratische partijen hadden er moeite mee dat vaders op die manier lange tijd gescheiden werden van hun vrouw en kinderen. Voor de Christen-Democraten van de jaren vijftig en zestig was het gezin immers de ‘hoeksteen van de samenleving’. Bovendien waren de arbeidsmigranten zeker voor de katholieke partij (de KVP) niet helemaal ‘buitenstaanders’: het ging immers vooral om Italianen en Spanjaarden en die waren katholiek!

Als gevolg van die kritiek gaf de regering een klein beetje toe: eind jaren zestig werd de wachttijd voor EEG-ers afgeschaft, en voor andere arbeidsmigranten verlaagd tot één jaar. Verder dan dat wilde de regering niet gaan, want: “Met alle begrip voor de menselijke aspecten, kan men niet anders dan vaststellen, dat ons land behoefte heeft aan arbeidskrachten uit andere landen, en niet aan nieuwe gezinsvestigingen vanuit het buitenland” (1970).

Als de voormalige arbeidsmigranten permanent deel uit zouden maken van de samenleving, dan moest er beleid komen om ervoor te zorgen dat ze op gelijke voet met Nederlanders konden participeren in de maatschappij.

De jaren tachtig: van gastarbeider naar insider

Na de oliecrises en de ernstige economische recessie van begin jaren zeventig maakte de regering een einde aan de werving van arbeidsmigranten. Daarmee kwam er echter geen einde aan de migratie naar Nederland. De arbeidsmigranten die al in Nederland waren, besloten om te blijven en hun gezin te laten overkomen. Het duurde bijna tien jaar voordat Nederlandse politici beseften dat de ‘gastarbeiders’ niet meer terug zouden gaan naar hun herkomstland. Toen dat eenmaal tot ze doorgedrongen was, gooiden ze het roer radicaal om. Als de voormalige arbeidsmigranten permanent deel uit zouden maken van de samenleving, dan moest er beleid komen om ervoor te zorgen dat ze op gelijke voet met Nederlanders konden participeren in de maatschappij. Dat beleid werd het minderhedenbeleid genoemd.

De migranten werden nu niet meer als ‘buitenstaanders’ beschouwd: ze hoorden erbij. Gelijke behandeling met Nederlanders betekende ook dat ze gelijke rechten kregen op gezinshereniging. Bovendien werd deel uitmaken van sociale en culturele netwerken positief gewaardeerd in het kader van het minderhedenbeleid. Wie samen kon leven met zijn gezin, zou gemakkelijker integreren, zo was de gedachte. Het Nederlands gezinsmigratiebeleid is dan ook nooit zo liberaal geweest als in de jaren tachtig. Net als Nederlanders werden voormalige arbeidsmigranten vrijgesteld van het inkomensvereiste, als zij buiten hun schuld werkeloos waren. Dat was een wezenlijke verbetering. De economische crisis had immers juist de sectoren waar de arbeidsmigranten werkten zwaar getroffen, en velen van hen hadden hun baan verloren. Nu konden zij desondanks hun gezin laten overkomen.

1445-maatregel

Er was nog wel even discussie over gezinsvorming, namelijk over kinderen van migranten die een partner uit het herkomstland naar Nederland wilden laten komen. De regering was bang dat deze partners, die in het buitenland waren opgegroeid, in Nederland wat school en werk betreft in een “kansloze positie” zouden komen te verkeren en dat deze kansloze positie zich bovendien zou kunnen “voortzetten over toekomstige generaties”. Daarnaast was de regering van mening dat deze jongeren, gezien hun partnerkeuze, nog zoveel banden met hun land van herkomst hadden, dat ze net zo goed dáár konden gaan samenwonen met hun partner. De regering besloot daarom dat migrantenkinderen tenminste 1445 gulden moesten verdienen om een partner over te mogen laten komen. Op deze regeling kwam in het parlement veel kritiek, met name van de linkse partijen en D66. Zij stelden dat de maatregel feitelijk neerkwam op een verbod op gezinsvorming tot de leeftijd van 23 jaar, gezien de lage lonen voor jongeren. Deels als gevolg van deze politieke druk werd de ‘1445-maatregel’ na minder dan twee jaar alweer afgeschaft. Het is wel veelzeggend dat de regering de keuze van tweede generatie migranten voor een buitenlandse partner interpreteerde als een teken van hechte banden met het land van herkomst. Deze keuze werd gezien als een teken van onvoldoende integratie in en betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving. In zekere zin vond de regering dat zij zichzelf als buitenstaanders positioneerden. Gevolg hiervan was dat de regering een – weinig succesvolle – poging deed om de toegang van hun huwelijkspartners aan strikte voorwaarden te onderwerpen.

Van de jaren negentig tot vandaag: terug naar streng

Begin jaren negentig verandert de kijk van de Nederlandse politiek op de migratieproblematiek opnieuw. Ondanks de bemoeiingen van de overheid in het kader van het minderhedenbeleid heeft men de indruk dat de positie van migranten in de samenleving eerder is verslechterd dan verbeterd. Voortaan moet het anders. De overheid zal er naar blijven streven om migranten mogelijkheden te bieden om volwaardig te participeren, maar nu wordt van die migrant verwacht dat hij zelf actief gebruik maakt van die mogelijkheden, om zo een constructieve bijdrage te leveren aan de maatschappij. ‘Individuele verantwoordelijkheid’ wordt het nieuwe sleutelwoord. Daar komt nog bij, dat het gezin inmiddels meer wordt gezien als een ‘contract’ tussen gelijkwaardige individuen dan als de ‘hoeksteen van de samenleving’.

Die twee ontwikkelingen samen zetten de deur open voor een veel strenger gezinsmigratiebeleid. Zo wordt begin jaren negentig de vrijstelling van het inkomensvereiste afgeschaft. Voortaan moet iedereen tenminste 70% van het minimumloon verdienen om gezinsleden over te laten komen. In 2000 wordt dat verder verscherpt tot 100%. Verder moet gezinshereniging binnen drie jaar na aankomst in Nederland plaats vinden, terwijl gezinsvorming pas mogelijk is als de aanvrager tenminste drie jaar in Nederland heeft gewoond. De regering verklaart al deze hervormingen met verwijzing naar het principe van ‘individuele verantwoordelijkheid’: wie gezinsleden wil laten overkomen, moet in staat zijn verantwoordelijkheid te dragen voor hun levensonderhoud en hun integratie in Nederland.

Nieuw realisme

In de jaren negentig vond nog een andere verandering plaats in het Nederlands debat over migratie en integratie. In de jaren tachtig gold als uitgangspunt dat migranten makkelijker hun plaats zouden vinden in Nederland, als zij vast konden houden aan hun eigen cultuur. ‘Integratie met behoud van eigen identiteit’ heette dat. In haar boek Voorbij de onschuld (2002) beschrijft Baukje Prins hoe onder invloed van mensen als Frits Bolkesteijn, Paul Scheffer en uiteindelijk natuurlijk Pim Fortuyn, een heel andere kijk op de cultuur van migranten is opgekomen, die zij ‘nieuw realisme’ noemt. In deze visie wordt de nadruk gelegd op liberale waarden als vrijheid van meningsuiting en gelijkheid van man en vrouw, die als kernelementen van de Nederlandse identiteit worden gezien.

Het nieuw realisme ziet niet-Westerse culturen en met name de Islamitische cultuur als onverenigbaar met deze Nederlandse waarden. In de loop van de tijd is dit ‘nieuw realisme’ steeds meer invloed gaan uitoefenen op beleid en politiek in Nederland. Dat zie je met name aan het onderscheid dat gemaakt wordt tussen ‘Westerse’ en ‘niet-Westerse allochtonen’. Van Westerse allochtonen wordt verwacht dat zij de liberale waarden van de Nederlanders delen en dus probleemloos hun plek zullen vinden in Nederland. De immigratie en integratie van niet-Westerse allochtonen daarentegen baart zorgen.

Kabinet Balkenende II

Balkenende II

Kijk bijvoorbeeld naar het beleid dat door het kabinet Balkenende II is gevoerd. De restrictieve trend van de jaren negentig is doorgezet: in 2004 is het inkomensvereiste voor gezinsvorming verhoogd naar 120% van het minimumloon en de minimumleeftijd verhoogd van 18 naar 21 jaar. In de parlementaire debatten over deze hervorming werd bijna alleen maar gesproken over huwelijksmigranten uit Turkije en Marokko, terwijl ongeveer veertig procent van de mensen die een partner uit het buitenland laten komen autochtoon Nederlander is. Het wordt nog duidelijker als we kijken naar de Wet Inburgering in het Buitenland (WIB). Die wet bepaalt dat vreemdelingen die in Nederland willen komen wonen in het buitenland, op een Nederlandse Ambassade, een toets moeten doen in Nederlandse taal en maatschappijkennis.

De wet richt zich vooral op huwelijksmigranten en is alleen van toepassing op mensen die een ‘Machtiging tot voorlopig verblijf’ (MVV) nodig hebben om Nederland binnen te komen, dat wil zeggen alleen op niet-Westerse allochtonen. In de memorie van toelichting is de regering zelfs nog explicieter over wat de doelgroep van de WIB is en waarom: “Een belangrijk deel van deze groep migranten heeft kenmerken die ongunstig zijn voor een goede integratie in de Nederlandse samenleving. Het meest prominent – ook in omvang – is daarbij de groep gezinsvor­mers uit Turkije en Marokko”. De regering verwacht dat mensen die in het buitenland, met name Turkije of Marokko, zijn opgegroeid en opgeleid, geen kansen hebben in Nederland.

Als integratie de eigen verantwoordelijkheid van de immigrant is, dan is het belangrijk dat die immigrant over de praktische en morele capaciteiten beschikt om te kunnen integreren. In het politieke debat van de laatste jaren over migratie in het algemeen en gezinsmigratie in het bijzonder wordt ervan uitgegaan, dat immigranten uit niet-Westerse landen die capaciteiten niet in huis hebben. Zo wordt zichtbaar waar tegenwoordig de grens tussen insiders en buitenstaanders wordt gelegd: mensen met een ‘niet-Westerse culturele achtergrond’ worden op dit moment in Nederland niet met open armen ontvangen.

Saskia Bonjour is aio bij de faculteit Cultuur en Maatschappijwetenschappen van de Universiteit Maastricht. Dit artikel is een bewerking van een artikel dat in Migrantenstudies verschijnt: Saskia Bonjour.Gezin en grens. Debat en beleidsvorming op het gebied van gezinsmigratie in Nederland sinds de jaren vijftig. In: Migrantenstudies, jaargang 23 nummer 1.

Dit artikel is een publicatie van Tijdschrift Migrantenstudies.
© Tijdschrift Migrantenstudies, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 maart 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.