Je leest:

In het hoofd van de dader

In het hoofd van de dader

Auteur: | 6 december 2007

In televisieseries lijkt het zo makkelijk: een blik op een foto van de crime scene en we weten hoe en waarom de dader een moord heeft gepleegd. In het echt heeft een profiler meer informatie nodig. Toch kan deze beginnende wetenschapstak al veel licht schijnen op het gedrag en de persoonlijkheid van een dader.

De badkamer is al een tijd niet schoongemaakt. Overal hangen draden spinrag en het matje voor de wastafel is stoffig. Dat is echter niet het meest opvallende aan het oranje, pluizige kleedje. In het midden staat één bloederige voetstap. Iets verderop, in het bad, ligt een blonde vrouw van een jaar of twintig…

Het zou het begin kunnen zijn van een boek of film. Je verwacht elk moment de rechercheurs die binnenkomen om de plaats van de moord in zich op te nemen. Voorzichtig, om geen bewijsmateriaal te verknoeien, kijken ze om zich heen. “Alweer,” sombert dan een van de rechercheurs, en het is duidelijk dat een seriemoordenaar wederom heeft toegeslagen.

Vanaf dat moment is het een race tegen de klok. De dader moet gepakt, en snel ook, voor er meer slachtoffers vallen. Niet zelden wordt een profiler ingeschakeld om de rechercheurs te vertellen wat voor vlees ze in de kuip hebben. En hier raken fictie en werkelijkheid elkaar. Want ook in het echt worden gedragswetenschappers gevraagd om uitspraken te doen over de dader en zo bij de opsporing te helpen.

De eerste profiler

Zestien jaar lang had ‘mad bomber’ George Metesky de stad New York in zijn greep. Hij pleegde tussen 1940 en 1956 maar liefst dertig bomaanslagen. Totdat in ‘56 de wanhopige rechercheurs de hulp inriepen van James Brussel. Deze psychiater bestudeerde eerst foto’s van de plaatsen waar de bommen waren afgegaan en briefjes van de dader, en kwam toen met een gedetailleerde omschrijving van de ‘mad bomber’.

Zo zou deze een man zijn van zo’n vijftig jaar oud, paranoïde, samenleven met een broer of zus en een pak met een dubbele rij knopen dragen. Sommige aspecten van dit profiel waren gebaseerd op gezond verstand. Zo droeg in die tijd bijna elke man zo’n pak, omdat dat erg in de mode was. Maar ook verder bleek Brussel het bij het goede eind te hebben. Zijn profiel leidde niet alleen tot de arrestatie van Metesky – die vrijwel meteen bekende – maar maakte Brussel ook de eerste profiler ter wereld.

Modus operandi

Het eerste dat een profiler doet is zo veel mogelijk informatie verzamelen. Foto’s van de plaats van het delict zijn een belangrijke bron van informatie, maar ook de manier waarop een misdrijf is gepleegd. Bij moord kun je dan denken aan het moordwapen en hoe het lijk is achtergelaten. Is er sprake van een verkrachtingszaak, dan is het bijvoorbeeld van belang of en hoe de dader met het slachtoffer heeft gepraat. Al deze dingen samen vallen onder de modus operandi – vaak kortweg m.o. genoemd – van de dader.

De m.o. kan een hoop over de dader zeggen. In het geval van een serie misdrijven, kun je eruit afleiden of het steeds dezelfde pleger betreft. Maar ook zonder een serie zijn er uitspraken over de dader mogelijk. Meestal gebeurt dit door het gedrag van de dader af te zetten tegen dat van misdadigers die al veroordeeld zijn. Stel dat van alle moordenaars die hun slachtoffer in het bad achterlieten, 90% een man is tussen de 30 en 40 met een verleden van kleine winkeldiefstallen. Dan is de kans groot dat de dader uit ons voorbeeld die eigenschappen heeft.

Een belangrijk onderscheid dat de FBI hierbij maakt is of de dader georganiseerd of ongeorganiseerd is. Een georganiseerde dader laat bijna geen sporen na en pleegt zijn moorden op meerdere plaatsen omdat hij planmatig en doordacht te werk gaat, terwijl een ongeorganiseerde dader chaotisch en impulsief handelt en dus heel veel sporen nalaat. De mate van organisatie zegt weer dingen over de intelligentie en sociale vaardigheden van de dader, ontdekten crime scene analysts van de FBI.

Ongeorganiseerde daders laten vaak veel sporen na, omdat ze chaotisch zijn en impulsief handelen.

Zoeken, vinden en verhoren

Ook de tijd en de plaats van een misdrijf bevat belangrijke informatie. David Canter en Maurice Goodwin hebben onderzoek gedaan naar het verplaatsingsgedrag van seriemoordenaars. Zij kwamen erachter dat het mogelijk is om, aan de hand van de plek waar het slachtoffer is opgepikt en gedumpt, te voorspellen in welk gebied de moordenaar woont. Hierdoor kan de politie gerichter zoeken naar verdachten.

Maar profilers kunnen met meer helpen dan alleen het zoeken naar de dader. Als je inzicht hebt in zijn gedrag, kun je een dader zelfs manipuleren. Stel dat je weet dat een bankovervaller vaak op zaterdag zijn slag slaat en een voorkeur heeft voor filialen van de Rabobank in de regio Twente. Dan zou je al deze filialen op één na erg zichtbaar kunnen beveiligen, terwijl je het overgebleven filiaal bemant met agenten in burger. Dikke kans dat de overvaller daar toeslaat en dus op heterdaad betrapt kan worden.

Als de verdachte is opgepakt, kan een profiler nog behulpzaam zijn bij het verzamelen van bewijs. Seriemoordenaars verzamelen bijvoorbeeld vaak souvenirs van hun slachtoffers. Profilers kunnen de politie dan aanwijzingen geven naar wat voor souvenirs ze precies op zoek zijn. En ook bij het verhoren komt hun inzicht in de persoonlijkheid van de verdachte goed van pas. Zo zijn er diverse typen verkrachters, die elk op een andere manier reageren op verschillende verhoortechnieken.

Profiling in Nederland

In ons land is welgeteld één profiler werkzaam. Zijn naam is Carlo Schippers, en hij werd opgeleid door de FBI. Na de ontvoering van Ahold-topman Gerrit-Jan Heijn werd hij naar Amerika gestuurd. De daderprofilering – zoals profiling in Nederland wordt genoemd – had in die zaak meer kwaad dan goed gedaan. Men was namelijk op zoek gegaan naar een groep mannen met een Indische achtergrond. Omdat de Heineken-ontvoering ook door meerdere personen was gedaan, was het nooit bij de politie opgekomen dat Heijn door één man ontvoerd kon zijn. Uiteindelijk bleek dat wel het geval. De politie had al die tijd verkeerd gezocht.

Tijdens zijn opleiding bij de FBI werd Schippers bedolven onder dossiers van moord-, verkrachtings- en geweldszaken, vertelt hij in het Leidse universiteitsblad Mare. Zo leerde hij patronen in het gedrag van misdadigers ontdekken. “Als een man bij een vermissing opgeeft dat hij zijn vrouw naar het station heeft gebracht, dan ruik ik al rottigheid. Meestal vinden we haar dan even later in een put onder de grond.”

Gevoel of wetenschap?

Het is duidelijk dat profilers veel kunnen bijdragen aan het opsporingsproces. Toch is het een jonge wetenschapstak, die kampt met alle problemen van dien. Het is pas sinds het eind van de jaren ’80 dat het maken van een daderprofiel het stadium van het nattevingerwerk achter zich begint te laten. Tot die tijd waren vooral de ervaringen en persoonlijke inzichten van de profiler doorslaggevend. Tegenwoordig maken profilers veel vaker gebruik van statistiek. Ze zetten de kenmerken van het misdrijf dat ze onderzoeken af tegen reeds gepleegde misdrijven, en leiden op basis van statistische overeenkomsten af om wat voor dader het gaat.

Daarbij komen ze wel een probleem tegen. In veel landen, waaronder Nederland, is er geen eenduidige manier om informatie over misdrijven en daders vast te leggen. Er bestaat niet zoiets als een grote criminelendatabase. Sterker nog, tot voor kort was niet eens duidelijk hoeveel moorden er precies elk jaar in Nederland worden gepleegd. Dat maakt het gebruiken van statistiek natuurlijk veel moeilijker, omdat op deze manier veel informatie over bijvoorbeeld de m.o. van veroordeelde misdadigers zoek raakt. En totdat zo’n grote groep ‘referentiedaders’ er wel is, zullen profilers toch voor een deel op hun gevoel moeten afgaan.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 december 2007
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.