Je leest:

Immuun dankzij varkens en koeien

Immuun dankzij varkens en koeien

Auteur: | 29 november 2002

Minder dan een triomf van de medische wetenschap kun je het niet noemen: de opmars van de vaccinatie. Het begon allemaal met de pokken, een virusziekte die in epidemieën langskwam en waar doorgaans eenderde van de besmetten aan bezweek. Wie het overleefde droeg de littekens een leven lang mee.

De patiënt heeft hoge koorts, malaise, misselijkheid en na een aantal dagen verschijnen kleine blaasjes in groepjes of verhevenheden over het hele lichaam, roodheid en blaasjes in de mond; in sommige gevallen wordt de huid geheel zwart; als de patiënt in leven blijft, veranderen de blaasjes op de huid in zweren en vervolgens in korsten die indrogen en afvallen met littekens als resultaat. Zo beschreef de Griekse arts Galenus een pokkenepidemie in de tweede eeuw na Christus. Het was niet de eerste in Europa en het zou ook niet de laatste zijn.

Variola major (pokken) trof meestal jonge kinderen. Van de geïnfecteerden kwam 20 tot 40 procent om; de overlevenden waren immuun voor een volgende besmetting maar wel voor het leven getekend. In de zeventiende en achttiende eeuw droeg naar schatting een derde van de bevolking van Europese steden littekens van pokken. Ook in Azië moet de ziekte veel slachtoffers gemaakt hebben, want het inenten werd daar uitgevonden. Chinese en Indiase genezers bliezen een fijngemalen pok van een patiënt in de neusgaten van gezonde mensen, die daardoor een lichte aanval van pokken kregen. In de Arabische landen werd een snede in de arm gevuld met pokstof. Over de laatste methode schreef een Turkse arts, Emmanuel Timoni, in 1715 een boek in het Engels. Maar variolatie werd pas populair toen lady Montagu, de vrouw van de Britse ambassadeur in Constantinopel, zich ermee ging bemoeien. Zij had zelf de pokken overleefd en liet in 1717 haar eerste zoon inenten door Timoni. Het liep goed af en terug in Engeland begon lady Montagu campagne te voeren voor inentingen.

Variolatie raakte bij de betere kringen in de mode, eerst in Engeland en in de loop van de achttiende eeuw ook op het vasteland van Europa. Riskant was het wel: volgens hedendaagse schatting stierf twaalf procent van de ingeënten. Dat kwam ook doordat toonaangevende artsen er een ritueel omheen verzonnen met de bekende ingrediënten: vasten, aderlaten en purgeren, zes weken lang. De beoogde lichte pokkenaanval zal zo des te harder aangekomen zijn, soms met fatale gevolgen. Er was uiteraard ook veel weerstand tegen inentingen; het publiek begreep het niet. Iemand expres ziek maken om te voorkomen dat hij ziek werd: dat klonk niet logisch.

Intussen hadden mensen op het platteland wel enige ervaring met de werking van immuniteit. Ze wisten dat melkmeisjes die koepokken op hun handen kregen, niet meer vatbaar waren voor de gewone pokken. De jonge Edward Jenner, geboren in 1749, hoorde dat verhaal in de plattelandspraktijk waar hij leerlingchirurgijn was. Het verschijnsel bleef Jenner bezighouden, ook toen hij in Londen studeerde. Daar leerde hij van John Hunter de beginselen van het medisch onderzoek: de hypothese en het experiment om de hypothese mee te versterken of ontkrachten. Intussen hield hij zich bezig met uiteenlopende onderwerpen als het gedrag van koekoeksjongen en de oorzaak van angina pectoris. Tot hij op een congres een zekere Frewster hoorde over de preventieve werking van koepokken. Deze Frewster had zijn verhaal nooit gepubliceerd gekregen en Jenner en hij domineerden het congres zo met het onderwerp dat de andere aanwezigen dreigden Jenner eruit te gooien.

Korte tijd later, in 1789, deed Jenner zijn eerste pokkenexperiment. Het kindermeisje van zijn zoontje had varkenspokken. Jenner entte drie personen in met materiaal uit die pokken: zijn eigen zoon en nog twee vrouwen met wie het kindermeisje contact had gehad. Alle drie werden ziek en kregen enkele rode vlekken. Een paar weken later deed Jenner hetzelfde met mensenpokken: variolatie dus. Bij geen van de ingeënten nam hij een reactie waar. Maar toen hij het een jaar later weer bij zijn zoontje probeerde, kreeg die wel een milde aanval van pokken: varkenspokken maken slechts tijdelijk immuun. In 1796 herhaalde Jenner het experiment met koepokken. Van de werking daarvan waren intussen al heel wat klinische voorbeelden bekend. Toch koos hij zijn proefpersoon bewust uit een familie die het hem niet moeilijk zou maken als het mis ging. Het werd het achtjarige zoontje van een rondtrekkend landarbeider, James Phipps. Jenner bracht vloeistof uit de koepokken van een boerenmeisje over in twee sneden in de arm van James. De jongen werd een beetje ziek en kreeg een paar pokken. Zes weken later volgde variolatie, zonder resultaat.

Eenmaal raak was niet genoeg, begreep Jenner. Hij deed meer experimenten, zocht naar de beste en veiligste manier en het beste tijdstip om entstof te verkrijgen en publiceerde erover. Daarna ging het snel. Zowel in het Verenigd Koninkrijk als in de rest van Europa en Amerika begonnen artsen met inenten, veelal gratis, en werden verenigingen en klinieken opgericht. Kinderen moesten ten tijde van een epidemie met ‘pokkenbriefjes’ op school komen. Er was ook verzet, er waren verhalen over kinderen die een koeiensnuit ontwikkelden en overal haar kregen, maar dat stond het enorme succes van de vaccinatie (naar het Latijn voor koe: vacca) niet in de weg. De term is door Pasteur veralgemeend voor de preventie van verschillende gevaarlijke virusziekten. Pokken heeft sinds 1979 niemand ter wereld meer gehad, maar het virus wordt nog bewaard in enkele laboratoria. Het laatste slachtoffer was een Britse laboratoriummedewerkster die zichzelf niet voldoende beschermd had.

Dit artikel is een publicatie van Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).
© Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 29 november 2002

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.