Je leest:

‘Ik zit in het verkeerde lichaam’

‘Ik zit in het verkeerde lichaam’

Auteur: | 8 september 2006

Meisjes die zo’n afkeer van hun lichaam hebben dat ze hun borsten onzichtbaar willen wegtapen. Of jongens die met een prothese juist borsten willen suggereren. Zulke kinderen hebben vaak het gevoel dat ze in het verkeerde lichaam zitten. Bij het VU Medisch Centrum nemen behandelaars het voortouw deze kinderen, die kampen met genderdysforie, te helpen.

Kinderen met genderdysforie worstelen met hun geslachtsidentiteit: het gevoel van man of vrouw te zijn. Dit komt omdat hun biologische geslacht niet overeenkomt met de manier waarop zij hun geslacht beleven. Een jongen voelt zich dan een meisje, en andersom. Dit gevoel kan zich uiten in gedrag dat typisch hoort bij de andere sekse. Bijvoorbeeld wanneer een jongetje regelmatig een jurk aan wil. Of in uitlatingen: een meisje blijft zeggen dat ze ook als papa wil worden. Soms zijn de verschijnselen minder expliciet. Als een kind op school blijft zitten, bijvoorbeeld, of nog vaak in bed plast. Door de twijfel aan hun identiteit kunnen kinderen in een sociaal isolement raken.

Genderdysfore kinderen worden vaak in één adem genoemd met transseksuelen. Dat is niet helemaal terecht. Er is een overeenkomst: het vrouwelijke gedrag van de jongens en de extreme stoerheid van de meisjes. Pas als een kind ook daadwerkelijk van geslacht wil veranderen, noem je iemand een transseksueel. Dit blijkt meestal in de puberteit wanneer de volwassen geslachtskenmerken zichtbaar worden. Een geslachtsveranderende operatie is pas mogelijk, wanneer transseksuelen volwassen zijn.

Het is onbekend hoeveel genderdysfore kinderen Nederland telt. Dit zegt veel over hoe er tegen het onderwerp wordt aangekeken. Er rust een taboe op. De wetenschap en medische wereld zijn dan ook schaars bedeeld wat betreft deskundigheid over het onderwerp. Medici die zich wel aan deze problematiek wagen, moeten zich staande zien te houden in een moeizaam werkveld. Zo kunnen patiënten in hun roep om erkenning en hulp veeleisend zijn en komt er soms felle kritiek uit conservatieve hoek.

Het is onbekend hoeveel genderdysfore kinderen Nederland telt. Dit zegt veel over hoe er tegen het onderwerp wordt aangekeken. Er rust niet alleen een maatschappelijk, maar ook een wetenschappelijk taboe op.

Desalniettemin loopt het VU Medisch Centrum al 25 jaar voorop met onderzoek naar en behandeling van mensen die ongelukkig zijn met hun geslacht. Voor kinderen is er sinds twee jaar een speciaal genderspreekuur, een initiatief van psychotherapeut en klinisch psychologe Peggy Cohen-Kettenis. Twee jaar geleden kwam ze vanuit het Utrechts Medisch Centrum naar het VU Medisch Centrum. Ze nam niet alleen twintig jaar genderervaring mee, ook haar behandelpraktijk en haar patiëntjes ‘verhuisden’ naar Amsterdam. “Jaarlijks zien we zo’n zestig kinderen. En het wordt hier steeds voller”, aldus Cohen. Ze doet het spreekuur samen met Henriëtte Delemarre-Van de Waal. Deze kinderendocrinoloog houdt zich al twintig jaar bezig met de hormonale groei en ontwikkeling van kinderen. De afgelopen jaren richtte Delemarre zich onder andere op kinderen met een interseksuele aandoening (zie kadertekst). Sinds de komst van Cohen rekent ze ook genderdysfore kinderen tot haar patiëntengroep.

Barbies of voetbal?

De vraag wat genderdysforie veroorzaakt, is niet makkelijk te beantwoorden. Het is waarschijnlijk een samenspel van biologische, opvoedkundige en sociale factoren. Zo laat hersenonderzoek zien dat het deel van de hersenen dat de sekseontwikkeling aanstuurt, zich bij transseksuelen anders ontwikkelt dan bij seksegenoten. En ofschoon er volgens Delemarre nooit een hormonale afwijking aan genderdysfore kinderen is gevonden, spelen hormonen waarschijnlijk wel een rol. Ook over de invloed van omgevingsfactoren, zoals opvoeding, zetten de discussies zich voort.

Het gebrek aan inzicht in de oorzaken maakt het lastig een goede behandelmethode voor genderdysforie te vinden. Eerdere generaties behandelaars meenden met straffe maatregelen de genderidentiteit de ‘juiste’ richting op te kunnen duwen. Ouders kregen het advies sekseafwijkend gedrag af te straffen en passend gedrag op te leggen. Zo konden de Barbies van een jongetje maar beter naar de zolder en moest hij voortaan maar op voetbal. In sommige landen heerst deze opvatting nog steeds.

Genderdysfore kinderen staan voor vaak moeilijke keuzes.
Annuska Houtappels, AVC VU

Cohen voelt niets voor deze rigide aanpak: “Je moet hun gevoel zich te uiten in de andere geslachtsrol niet afremmen. Dit gevoel stimuleren kan daarentegen de terugweg weer bemoeilijken. Vooral jonge kinderen kunnen zich nog in alle richtingen ontwikkelen. Psychologisch gezien zijn er net zoveel behandelingen als kinderen.” Direct voor honderd procent toegeven aan alle gevoelens… dat is te veel van het goede, beaamt Delemarre. “Kinderen willen het liefst zo snel mogelijk fysiek worden behandeld en in een andere genderrol leven. Daar zijn we terughoudend in. Ze kunnen immers spijt krijgen. Tachtig procent van de kinderen blijkt in de puberteit namelijk niet transseksueel te zijn, maar eerder homoseksueel of zelfs heteroseksueel. Bij te lang uitstel lopen kinderen echter weer de kans onnodig lang in de ‘verkeerde’ geslachtsrol te leven.”

Het VU Medisch Centrum heeft voor het behandelen van genderdysfore kinderen zelf richtlijnen opgesteld. Ook al vermoedt men dat een kind transseksuele gevoelens heeft, toch raadt men aan een wisseling van geslachtsrol, en dus ook de sociale rol, uit te stellen tot na het begin van de puberteit. Hierdoor krijgen kinderen langer bedenktijd. Sommigen kiezen ervoor om al in de eerste fasen van de puberteit in de andere rol te leven. Maar pas na hun zestiende kunnen ze beginnen aan daadwerkelijke geslachtsaanpassende behandeling. Tijdens deze ‘wachttijd’ spelen intensieve psychologische begeleiding en puberteitsremmers een sleutelrol.

Met de psychologische begeleiding, die soms jaren kan duren, probeert Cohen de kinderen zo goed mogelijk voor te bereiden op de sociale gevolgen van hun probleem. Cohen: “Zij moeten zich heel goed realiseren waarmee zij bezig zijn. Het proces dat ze willen starten, beïnvloedt immers hun hele leven.”

Voor het behandelen van genderdysfore kinderen heeft het VU Medisch Centrum richtlijnen opgesteld. Zo raadt met aan met het wisselen van de sociale rol te wachten tot het begin van de puberteit.

Zwaard van Damocles

In de eerste fase van de pubertijd kunnen kinderen puberteitsremmers gaan gebruiken. De jongste groep is dan ongeveer twaalf of dertien jaar. Deze medicijnen zetten de ontwikkeling tot volwassene stil. Hormonaal blijf je een kind. Delemarre: “Het moment van starten met puberteitsremmers is bewust gekozen. Kinderen kunnen beter eerst het gevoel van de beginnende puberteit beleven. Dan gaan de hormonen werken die je verder tot man of vrouw ontwikkelen. Daarom zouden ze zich juist in deze periode kunnen bedenken en afzien van puberteitsremmers.” Cohen vult aan: “Eenmaal begonnen aan puberteitsremmers krijgen kinderen tijd om terug te komen op hun beslissing zonder dat de verandering van hun lichaam als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt.”

Vanaf hun zestiende, als ze juridisch zeggenschap hebben, kunnen de kinderen die het proces willen voortzetten cross-sexhormonen krijgen, wat hen hormonaal voorbereidt op een geslachtsveranderende operatie. Die is mogelijk als ze achttien worden. De meeste transseksuelen gaan hiertoe zo snel mogelijk over. Cohen begeleidt haar patiënten nog tot de operatie. Formeel vallen deze volwassen transseksuelen dan echter niet meer onder de hoede van kinderbehandelaars.

Over de toekomst zijn Cohen en Delemarre eenduidig. “Het VU Medisch Centrum loopt voorop met deze behandeling. Soms zie je collega’s denken ‘moet dat nou?’ Maar anderen bevestigen dat we heel netjes en zorgvuldig te werk gaan”, vindt Delemarre. Cohen: “Onderzoek en behandeling van genderidentiteitsstoornissen is een vakgebied in ontwikkeling. Uit onze evaluaties weten we dat we goed bezig zijn met ons advies de sociale rolwisseling tot na de start van de puberteit uit te stellen. En, als de genderdysforie dan niet verdwijnt, puberteitsremmers toe te dienen.” Vooralsnog concentreren beide hoogleraren zich, dwars door alle discussies heen, op hun taak: kinderen met genderdysforie op de goede weg helpen. Om met de woorden van Delemarre te spreken: “Als je deze kinderen kent, weet je dat het echt een groot probleem is.”

Intersekusaliteit: dat andere probleem…

Het VU Medisch Centrum behandelt behalve kinderen met genderdysforie, ook kinderen met een interseksuele aandoening. Anders dan bij genderdysforie, waar het gaat om psychische geslachtsbeleving, is er bij interseksualiteit sprake van een lichamelijke aandoening: iemand wordt met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtseigenschappen geboren. Meestal, maar niet altijd, is de oorzaak een defect gen, hetgeen leidt tot een abnormale ontwikkeling van geslachtsorganen. Hierbij kan een gestoorde activiteit (te veel of te weinig van hormonen) een rol spelen. Soms is de aandoening meteen bij geboorte zichtbaar. De genitaliën zijn dan niet duidelijk mannelijk of vrouwelijk, maar hebben een tussenvorm aangenomen. In andere gevallen openbaart interseksualiteit zich pas later, in de puberteit. Bijvoorbeeld wanneer iemand die er geheel vrouwelijk uitziet mannelijke geslachtskenmerken, zoals een baard en lage stem, krijgt. Behandelaars van interseksuele aandoeningen, waaronder Cohen en Delemarre, hebben te maken met lastige dilemma’s: welk geslacht wijs je aan een pasgeboren kind toe? Op welke leeftijd grijp je chirurgisch in? En wat vertel je wanneer aan een kind? Een verkeerde keuze kan een kind voor de rest van zijn leven doodongelukkig maken. Zorgvuldig handelen en evaluatie van resultaten bepalen ook hier de koers. Deze werkwijze biedt echter geen zekerheid voor het nemen van de juiste beslissing. Het wachten is op onderzoeksgegevens die nieuwe inzichten bieden.

Dit artikel is een publicatie van Gewoon Bijzonder.
© Gewoon Bijzonder, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 08 september 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.