Je leest:

Hypochondrie plaatst huisarts voor problemen

Hypochondrie plaatst huisarts voor problemen

Auteur: | 21 juni 2007

Hypochondrie komt veel voor onder de Nederlandse bevolking. Omdat de stoornis echter lijkt op andere psychische stoornissen, en huisartsen er niet altijd even bekend mee zijn, is de diagnose echter lastig te stellen. En zelfs al is hij gesteld, dan is het voor patiënten moeilijk te verkroppen dat het ‘tussen de oren’ zit. Gelukkig is het wel goed te behandelen.

Mevrouw Tanninga komt wekelijks bij de huisarts. De ene keer is ze vermoeid en vreest ze voor een ernstige hartaandoening, de andere keer ziet ze in elk lichaamsvlekje een beginnende tumor. De kans is groot dat mevrouw Tanninga lijdt aan hypochondrie, een psychische stoornis waarbij patiënten een verkeerde, catastrofale interpretatie geven aan onschuldige lichamelijke symptomen. Klinisch psycholoog Anja Greeven deed onderzoek naar diagnostiek en behandeling van hypochondrie.

“Hypochondrie is waarschijnlijk een onderschat probleem,” stelt Greeven. Geschat wordt dat de stoornis bij 1 tot 5 procent van de Nederlandse bevolking voorkomt. Maar dat zou volgens Greeven best wel eens een onderschatting kunnen zijn van het werkelijke aantal mensen dat eraan lijdt. “Patiënten met hypochondrie moeten zich over een grote drempel heen zetten voordat ze psychologische hulp voor hun klachten zoeken. Inherent aan het ziektebeeld is namelijk de overtuiging dat ze aan een lichamelijke ziekte lijden. Die overtuiging is erg hardnekkig. Ook als medisch onderzoek herhaaldelijk heeft aangetoond dat er geen lichamelijk mankement is, blijft de patiënt ongerust.”

Waakzame huisarts

Voor de huisarts is het dan ook geen eenvoudige opgave om passende zorg te bieden aan patiënten met hypochondrie. Greeven: “Als je patiënten vertelt dat het probleem tussen de oren zit, zijn ze direct vertrokken. Het is belangrijk om hun klachten serieus te nemen en hen te helpen om op een andere manier naar hun lichamelijke symptomen te kijken.” Tegelijkertijd moet de huisarts wel waakzaam blijven. “Het gevaar van hypochondrie is dat de arts moe wordt van de patiënt, en geen onderzoeken meer instelt, ook niet wanneer daar wél medische aanleiding toe is,” waarschuwt Greeven. “Daardoor bestaat het risico dat een echte lichamelijke aandoening onopgemerkt blijft.”

Patiënten met hypochondrie zijn er ten onrechte van overtuigd dat ze aan een lichamelijke ziekte lijden en zijn daarom met grote regelmaat bij de huisarts te vinden.

Greeven denkt dat het stellen van de diagnose hypochondrie beter verloopt nu huisartsen steeds meer kennis krijgen van psychische stoornissen. De gelijkenis tussen hypochondrie en andere stoornissen vormt echter een potentieel probleem. Reden voor Greeven om te onderzoeken in hoeverre hypochondrie te onderscheiden is van de dwangstoornis (obsessieve-compulsieve stoornis, OCS), een aandoening die op het eerste gezicht sterk op hypochondrie lijkt.

Hypochondrie en dwangstoornissen

Greeven: “Zowel OCS als hypochondrie wordt gekenmerkt door terugkerende en hardnekkige gedachten dat er iets ergs zal gebeuren of aan de hand is. Kenmerkend voor beide stoornissen is bovendien dat patiënten herhaaldelijk handelingen uitvoeren ter voorkoming van een bepaalde gevreesde situatie. Patiënten die lijden aan OCS kunnen bijvoorbeeld bang zijn voor besmetting met een ernstig virus, en wassen daarom zeer regelmatig hun handen. Patiënten die lijden aan hypochondrie controleren hun lichaam heel vaak op verdachte bultjes of plekjes, uit angst voor een dodelijke ziekte.”

Vluchtig beschouwd vertonen de twee stoornissen dus veel overeenkomsten. Het onderzoek van Greeven wees echter uit dat hypochondrie en OCS toch duidelijk verschillende diagnoses zijn. Zo hebben patiënten met hypochondrie meer last van ziekteangst, terwijl patiënten met OCS ernstigere dwangklachten hebben. Opvallend is wel dat patiënten met hypochondrie evenveel inzicht hebben in de irrationaliteit van hun gedachten en handelingen als patiënten met OCS. “Lange tijd werd gedacht dat patiënten met hypochondrie er zó sterk van overtuigd zijn dat zij lichamelijk iets mankeren, dat er eigenlijk niets met hen te beginnen valt,” vertelt Greeven. “Mijn onderzoek stemt minder pessimistisch. Veel patiënten met hypochondrie hebben wel degelijk inzicht in hun eigen geestesziekte.”

Cognitieve gedragstherapie en medicamenteuze behandeling met seroxat blijken bij een deel van de patiënten effectief in de behandeling van hypochondrie.

Hypochondrie is te behandelen

Hypochondrie blijkt dan ook zeker niet onbehandelbaar. Als psychologische behandeling kan cognitieve gedragstherapie uitkomst bieden. Greeven: “Bij cognitieve gedragstherapie wordt precies in kaart gebracht wat de angsten van de patiënt zijn. De patiënt wordt vervolgens aangemoedigd om alternatieve, niet-fatalistische verklaringen te zoeken voor lichamelijke symptomen. Vermoeidheid die wordt toegeschreven aan kanker, zou bijvoorbeeld net zo goed het gevolg kunnen zijn van te hard werken. De overtuiging van de patiënt wordt op deze manier aan het wankelen gebracht. Daarnaast wordt disfunctioneel gedrag, zoals het herhaaldelijk om geruststelling vragen aan familie en vrienden, in nauw overleg met de therapeut afgebouwd.”

Naast cognitieve gedragstherapie kan de patiënt gebaat zijn bij behandeling met het medicijn paroxetine (seroxat). Het onderzoek van Greeven wees uit dat cognitieve gedragstherapie en behandeling met paroxetine beiden – zowel op korte termijn (direct na de behandeling) als op lange termijn (na vijf jaar) – succesvol waren in vergelijking met een placebobehandeling waarbij patiënten een niet-werkzame pil kregen. Op de lange termijn bleek vooral cognitieve gedragstherapie effectief. Ongeveer 53% van de patiënten rapporteerde na vijf jaar echter nog steeds hypochondrische klachten. Voor sommigen kent de psychische stoornis dus een chronisch beloop. Greeven adviseert om uit te zoeken of een combinatie van behandelingen deze subgroep van patiënten zou kunnen helpen. Als dat zo blijkt te zijn, zou het de gezondheidszorg flink wat onnodige medische onderzoeken besparen.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 juni 2007
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.