Je leest:

Huidskleur: de smalle basis onder een ogenschijnlijk groot verschil

Huidskleur: de smalle basis onder een ogenschijnlijk groot verschil

Auteur: | 29 maart 2017

Huidskleur is vermoedelijk het meest misbruikte kenmerk om verschillen tussen groepen mensen te veronderstellen. Om uiteenlopende redenen is dit een weinig rationele manier van kijken naar mensen. Zo is een verschil in huidskleur genetisch gesproken veel minder ingrijpend dan je in eerste instantie zou denken.

Je hebt niet veel variatie nodig voor duidelijk zichtbare verschillen. Richard Charles Lewontin was de eerste die dit in 1972 besefte. Zijn klassieke genetische studies toonden aan dat maar een heel klein deel van de genetische verschillen tussen grote groepen mensen samenhangt met hun verspreiding over de wereld. Deze genetische kennis lijkt de spreekwoordelijke eerste indruk tegen te spreken: alle Afrikanen zijn toch donker gekleurd? Het antwoord op deze schijnbare tegenstelling ligt verborgen in het feit dat variatie in huidskleur, net als veel andere ‘typische’ uiterlijke kenmerken – kroeshaar of sluik haar, dikkere of dunnere lippen, ‘scheve’ of rechte ogen – weliswaar een genetische basis hebben, maar dat deze genetische basis slechts een piepklein gedeelte van de totale genetische variatie vertegenwoordigt.

Selectie door de zon

De variatie in uiterlijke kenmerken is het gevolg van variatie in stukjes coderend DNA, die door evolutionaire selectie processen veranderen en daarmee het uiterlijk kunnen veranderen. Evolutionaire selectie, bijvoorbeeld als reactie op klimaat, heeft dan ook waarschijnlijk een grote rol gespeeld bij de bepaling van regiospecifieke huidskleur gedurende de afgelopen 100.000 jaar evolutie van de moderne mens. Deze selectieprocessen hebben niet alleen onze huidskleur, maar ook andere uiterlijke kenmerken beïnvloed, waarmee wij nu een inschatting van de origine van een persoon denken te kunnen maken.

De evolutionaire selectie op huidskleur heeft alles te maken met zonlicht. Dat wordt al gesuggereerd door een blik op de wereldkaart. De mensen met de meest donkere huid wonen over het algemeen dicht bij de evenaar. Hoe noordelijker, hoe bleker. Ook uit moderne genetische informatie is het veilig te veronderstellen dat de Afrikaanse oermoeder van de moderne mens zwart was.

Toen onze zwarte voorouders tienduizenden jaren terug ‘aan de wandel gingen’, kwamen zij geleidelijk ook in streken met minder intens zonlicht. Daar ontstond waarschijnlijk positieve selectie op soortgenoten die wat lichter waren gekleurd. Bij minder intens zonlicht kunnen lichtere individuen namelijk makkelijker vitamine D aanmaken, omdat het zonlicht makkelijker doordringt tot de diepere cellen in de opperhuid. Daar zet de UV-straling uit zonlicht pro-vitamine D om in vitamine D.

In vroeger tijden – zonder makkelijke pilletjes om een eventueel vitamine D-tekort aan te vullen – was vitamine gebrek potentieel dodelijk. De zogenoemde Engelse ziekte of rachitis kon immers botvervormingen of zelfs breuken veroorzaken, die de algehele overlevingskans duidelijk beperkten. Mensen met een lichtere huid hadden dus een betere overlevingskans in streken met minder zonlicht. Niets meer en niets minder.

Huidskleur is waarschijnlijk niets meer en niets minder dan een evolutionaire aanpassing aan de hoeveelheid zonlicht.
Shutterstock

Zwarte Aboriginals en koffiebruine Amerikanen

Toch zijn er bij deze manier van denken nog wel enkele verwarrende gegevens: hoe kan het bijvoorbeeld dat de oorspronkelijke bewoners van Oceanië, de Aboriginals, wél donker zijn, en de Aziaten die tussen hen en de Afrikaanse afstamming in wonen niet? Eén verklaring zou kunnen zijn dat de Aboriginals afstammen van een groep die een min of meer directe route van Afrika naar Zuidoost-Azië heeft genomen, zonder de evolutionaire tijd te nemen om te ‘verbleken’ op de minder zonnige tussenstations. De huidige Aziaten zouden dan afstammen van een aparte migratiegolf, die wel is verbleekt onderweg naar het noorden.

Wat ook vragen oproept zijn de niet al te donkere mensen in equatoriaal Zuid-Amerika. De wetenschappelijke consensus is echter dat die afstammen van Aziaten die al ‘verbleekt’ waren na hun migratie uit Afrika. De tocht van Azië naar de Amerika’s was relatief zo recent en evolutionair gezien zo kort, dat ze onderweg niet meer zo donker zijn geworden als de Afrikanen waar ze van afstammen, hooguit koffiebruin.

Neanderthalerbloed

In 2010 ontrafelden onderzoekers het Neanderthalergenoom. Zij ontdekten dat een paar procent van het moderne menselijk genoom van de Europeanen, Aziaten en Indianen waarschijnlijk afkomstig is van de Neanderthaler, die zo’n 200.000 tot 30.000 jaar geleden in Europa en Azië leefde. Volgens sommigen werpt dat ook een ander licht op de ‘verkleuring’ van de mens nadat deze uit Afrika vertrok. Alle Euraziërs beschikken over het gen BNC2, dat ervoor zorgt dat zij minder huidpigment aanmaken. Mogelijk hebben zij dit gen gekregen door kruising met Neanderthalers. Die hadden immers al een langere periode van aanpassing aan minder zonlicht achter de rug.

Inmiddels is er van enige biologische selectiedruk op huidskleur geen sprake meer; niet in positieve en niet in negatieve zin. Mensen die een tekort aan vitamine D oplopen kunnen dat eenvoudig en effectief oplossen met een pilletje. En mochten blanke mensen tóch huidkanker krijgen, dan is dat doorgaans ruim na de reproductieve periode in hun leven, en heeft dit geen effect meer op de evolutie.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 29 maart 2017

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.