Je leest:

‘Honderd maal’ Nobelprijzen

‘Honderd maal’ Nobelprijzen

Auteur: | 1 oktober 2001

Dit jaar is het een eeuw geleden dat de laatste wil van Alfred Nobel werd uitgevoerd met de instelling van de naar hem genoemde prijzen. Al snel werd de Nobelprijs de meest prestigieuze erkenning die een wetenschapper ten deel kan vallen. De onderscheidingen zijn uitgegroeid tot een instituut en de laureaten worden geloofd en gevierd. Maar de prijs der prijzen heeft ook schaduwkanten.

De Nobelprijs is een heiligverklaring. Geen enkele andere prijs heeft zo’n impact. De laureaat ziet zijn leven van de ene dag op de andere radicaal veranderen. Je bent plotsklaps een tv-personality, die met egards wordt behandeld en van het ene interview naar het andere wordt gesleept. Hulde en lauwerkransen, haat en afgunst zijn je deel, alsmede uitnodigingen voor lezingen en symposia die met postzakken tegelijk binnenstromen. En iedereen wil met je op de foto.

Zo kan Alfred Nobel (1833-1896), de Zweedse industrieel die fortuin maakte met zijn uitvinding van dynamiet, het nooit hebben bedoeld. Hij had jonge onderzoekers in gedachten die met een stevige financiële impuls de mensheid verder konden helpen. Nobel voorkwam door daadkrachtige executeurs-testamentair aan te stellen dat zowel zijn fortuin als zijn laatste wil ten onder gingen in familiaal gekonkel. Rond grote zakken geld fladderen immers steevast raven, ook toen al.

De uitvoering van de laatste wil van de grootindustrieel werd desondanks flink belemmerd, daar hij de toekenning van de prijzen al in zijn testament had gedelegeerd aan diverse instituten van naam, zónder eerst netjes te vragen of die daar wel zin in hadden. Het ging bijvoorbeeld om de Zweedse Academie van Wetenschappen en de Storting, het Noorse parlement, die de prijs voor de vrede zou gaan toekennen. De familie wilde het op een akkoordje gooien met de instituten. Uiteindelijk gingen alle betrokkenen overstag. Op 29 juni 1900 werd de Nobelstichting opgericht; de eerste prijzen dateren van 1901.

Jacobus H. van ’t Hoff. De allereerste Nobelprijs Scheikunde in 1901.

Aanvankelijk was de Nobelprijs helemaal niet prestigieus. De pers besteedde slechts aandacht aan de prijzen voor literatuur en vrede en liet de natuurwetenschappen onbesproken. Ook de wetenschappelijke bladen negeerden de prijs: Science deed helemaal niets en Nature nam alleen een samenvatting van de aankondiging op. De strategie om dit te veranderen, was even simpel als briljant: in de beginjaren werd de prijs uitsluitend toegekend aan wetenschappers die allang naam hadden gemaakt. In de vroegste dagen droegen de winnaars hun faam over op de prijs; tegenwoordig is dat andersom.

Verliefd koppel. Het sprookje van Marie en Pierre Curie: verliefd koppel werkt samen in barre laboratoriumomstandigheden en ontdekt mysterieus stofje dat onuitputtelijke bron van energie is. De Nobelprijs wordt in één klap wereldwijd voorpaginanieuws.

Verliefd koppel

De definitieve doorbraak kwam in 1903 met de toekenning van de natuurkundeprijs aan Marie Curie. Zij kreeg hem samen met haar man Pierre en Henri Becquerel voor hun werk aan radioactiviteit. De internationale pers pikte het sprookje op: verliefd koppel werkt samen in barre laboratoriumomstandigheden en ontdekt mysterieus stofje dat onuitputtelijke bron van energie is.

Tonnen pekblende had de frêle Poolse moeten zuiveren om een minimale hoeveelheid van het radioactieve polonium over te houden. Wát een contrast – het was romantiek pur sang. Zelfs Le Figaro, doorgaans een serieuze krant, opende met ‘Er was eens…’. De Nobelprijs werd in één klap wereldwijd voorpaginanieuws en is dat tot op de dag van vandaag gebleven.

De ironie bij de Nobelprijs voor de Curies bestaat nog steeds: hun financiële problemen waren in één klap opgelost, maar doordat de pers steeds op de deurmat stond, kwam er van onderzoek doen niets meer. De meeste mensen zouden zich wentelen in dit licht van de schijnwerpers, maar Marie Curie zat liever in de pekblende. Het is de instelling van de ware onderzoeker – die trouwens de Curies tot onovertroffen grossiers in Nobelprijzen maakte. Marie kreeg hem nog een keer, voor de scheikunde in 1911; haar dochter Irène ontving de prijs voor de scheikunde samen met haar man Frédéric Joliot in 1935.

Nobelprijzen blijken overigens verrassend vaak familieaangelegenheden te zijn. De gebroeders Tinbergen doen het: eentje in de geneeskunde (voor zijn onderzoek in de biologie, overigens) en de andere in de economie. Aage Bohr, de zoon van, ontvangt 53 jaar na zijn vader de prijs voor de natuurkunde. Iets dergelijks geldt voor vader en zoon Siegbahn en voor de Thomsons. Pa en zoon Bragg krijgen hem in 1915 zelfs samen.

Pieter Zeeman. Nobelprijs Natuurkunde in 1902.

Twee Nobelprijzen

De enige die ooit twee ongedeelde Nobelprijzen mag ontvangen, is chemicus Linus Pauling. Zijn werk aan de chemische binding levert hem in 1954 de scheikundeprijs op; zijn niet-aflatende protesten tegen nucleaire wapens en oorlog in het algemeen brengt hem in 1962 de hoogste erkenning voor vredestichtend werk. Alleen het Internationale Rode Kruis krijgt er drie.

Het selecteren van de Nobelkandidaten en de uiteindelijke laureaat is een heel circus. Het Nobelcomité stuurt brieven de gehele wereld over om mensen uit te nodigen kandidaten voor te dragen. Dat voordragen is essentieel, want je kunt geen Nobelprijs winnen zonder dat je kandidaat bent gesteld. Het Nobelcomité houdt geen lijst van kandidaten bij – de voordracht moet elk jaar opnieuw plaatsvinden.

Nederlanders schijnen dat nogal eens te vergeten. Hans Vliegenthart, lid van de Zweedse Academie van Wetenschappen, vertelt in een interview met Natuur & Techniek in 1995 dat de Nederlandse scheikundige J. Bijvoet daardoor waarschijnlijk zijn Nobelprijs is misgelopen. Nog zo’n regel is dat de Nobelprijs niet postuum mag worden toegekend. Was de Utrechtse farmacoloog Rudolf Magnus niet vroegtijdig overleden, dan was er in 1925 wél een Nobelprijs voor Geneeskunde en Fysiologie uitgereikt.

Vanaf 1968 mag de Nobelprijs van het Nobelcomité nooit aan meer dan drie personen worden toegekend. Zonder die regel was Gerard ’t Hooft wellicht in 1979 al aan de beurt gekomen. Steven Weinberg, Sheldon Glashow en Abdus Salam kregen toen de natuurkundeprijs voor het werk waarin ook ’t Hooft een groot aandeel had. Als vierde en benjamin viel hij echter buiten de prijzen.

Verdiend, onverdiend

Natuurlijk is er steevast dispuut over laureaten die hem eigenlijk niet verdienen en anderen die hem wel hadden moeten krijgen. Pikant is dat de relativiteitstheorie, wellicht de grootste individuele wetenschappelijke prestatie ooit, nooit is beloond met een Nobelprijs (Einstein kreeg hem voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect). Evenmin leidt de ontdekking van de elektronenspin door Uhlenbeck en Goudsmit tot een Nobelprijs.

Een wrang geval van miskenning is de ontdekking van de kosmische achtergrondstraling door Arno Penzias en Robert Wilson, een regelrecht bewijs voor de Oerknaltheorie. Al in 1948 schrijft natuurkundige Ralph Alpher zijn dissertatie over de Oerknal en voorspelt hij de aanwezigheid van kosmische achtergrondstraling van zo’n vijf kelvin. De tijd is niet rijp – niemand is geïnteresseerd, het prille vakgebied van de radioastronomie toont geen belangstelling om naar die straling te zoeken, en Alpher raakt vergeten.

Later pikt Robert Dicke de Oerknaltheorie op en doet het werk nog eens dunnetjes over. Hij is al een radioantenne aan het bouwen als Penzias en Wilson bij toeval de achtergrondstraling ontdekken. Het levert hun tweeën in 1978 de Nobelprijs op. Dicke wordt daarbij vergeten en van Ralph Alpher heeft niemand ooit gehoord.

Delen

Een andere misser is dat Otto Hahn in 1944 in zijn eentje de Nobelprijs krijgt voor de ontdekking van kernsplijting. Velen zijn van mening dat hij de prijs had moeten delen met collega-onderzoeker Lise Meitner. Het Nobelcomité maakte trouwens bijna zo’n zelfde misser met de Nobelprijs voor Marie Curie. Aanvankelijk zijn alleen Pierre en Henri Becquerel genomineerd.

Een oplettende Zweedse wiskundeprof licht Pierre Curie in, en het is uitsluitend dankzij zijn ingrijpen dat zijn vrouw in de prijs deelt. Haar tweede Nobelprijs in 1911 staat daarentegen bloot aan zware kritiek. Critici vinden dat het de tweede Nobelprijs voor hetzelfde werk is, en de pers rakelt slechts haar vermeende affaire met Paul Langevin op.

Antonio Moniz krijgt in 1949 de Nobelprijs voor de Geneeskunde en Fysiologie voor zijn frontale lobotomie, een behandeling voor ernstige gevallen van epilepsie die al net zo controversieel is als zijn Nobelprijs. Nog zo’n controversiële lauwering is die van de Belgische scheikundige Ilya Prigogine. Sommigen zijn van mening dat zijn theorie oude wijn in nieuwe zakken is en geen experimentele feiten verklaart.

Ilya Prigogine. Nobelprijs Scheikunde in 1977.

Niet interessant

Prachtig is het verhaal van Selman Waksman. Hij ontdekt streptomycine, het eerste werkzame antibioticum tegen tuberculose, en dat levert hem in 1952 terecht de Nobelprijs op, maar niet nadat hij er werkelijk alles aan had gedaan om het antibioticum maar níét te ontdekken. Al in 1935 merkt een student van hem op dat bepaalde microben de groei van tuberkelbacillen remmen. Waksman weet beter: dit is niet interessant en zal niet bijdragen tot de behandeling van tuberculose.

Waksmans zoon stelt vervolgens in 1942 voor om de tuberkelbacil te lijf te gaan met antibiotica-producerende schimmels. Weer geeft Waksman niet thuis. De tijd zou er nog niet rijp voor zijn. Vervolgens, in 1944, ontdekt hij dan uiteindelijk streptomycine. De opmerking over de werkzaamheid van het antibioticum tegen de tuberkelbacil verstopt hij echter in één enkele publicatie op een onooglijke plek, onderaan een tabel met resultaten. “De ontdekking was er, maar dat was nog niet ontdekt door de ontdekker zelf”, schrijft een historicus later.

Twintig jaar in de schaduw

De winnaars beleven de ultieme erkenning, maar het instituut Nobelprijs heeft een duistere schaduwkant. Het is een publiek geheim dat voor veel bijna-laureaten de herfst, als de prijswinnaars bekend worden gemaakt, een donkere tijd is die keer op keer aanleiding geeft tot een depressie.

De Nederlandse deeltjesfysicus Tini Veltman was daar openhartig over. Hij vertelt in een interview met N&T in 1991: “Die Nobelprijs zie ik als een nare schaduw over mijn leven. Van mij mogen ze dat instituut afschaffen. (…) Ik neem aan dat het leuk is als je hem krijgt, maar twintig jaar in de schaduw zitten is niet leuk, dat verzeker ik u.” Veltman kréég hem na nog eens acht jaar wachten, maar voor veel anderen blijft de herfst duister.

Ook aan het winnen van de prijs kleven donkere randjes. De laureaat kan het nooit meer maken om met een inferieure publicatie aan te komen of op een symposium domme vragen te stellen. Nobelprijswinnaar David Baltimore heeft aan den lijve mogen ervaren dat men van een heilige een smetteloos blazoen verwacht: hij heeft een buitengewoon moeilijke tijd gehad nadat in zijn team een geval van wetenschappelijke fraude aan het licht kwam.

Minder status

Het blijft raadselachtig dat veel andere prijzen bij lange niet de status hebben die de Nobelprijs geniet. Neem de Albert Lasker Medical Award, ook wel de Amerikaanse Nobelprijs voor geneeskunde genoemd. Bijna zestig winnaars daarvan kregen – meestal jaren later – ook een Nobelprijs. Ook de Heinekenprijzen, met lichte overdrijving de Nederlandse Nobelprijzen genoemd, dienen als Nobelprijsindicator.

Drie winnaars van de Dr H.P. Heineken Prijs voor Biochemie en Biofysica kregen later een Nobelprijs: de Belg Christian de Duve, Sir Aaron Klug en Thomas Cech. Helemaal verwonderlijk is dat dubbelprijswinnen niet. Ben je een keer voor iets bijzonders in het zonnetje gezet, dan blijf je even nagloeien.

Japan wil met Nobelachtige prijzen niet onderdoen. Het land heeft de Japan Prize, waarmee veel geld is gemoeid (50 miljoen yen of 500.000 euro) maar waar je nooit over hoort. Winnaars zijn bijvoorbeeld de knotsgekke uitvinder van de polymerasekettingreactie Kary Mullis (hij kreeg er ook een Nobelprijs voor), breinonderzoeker Marvin Minsky en sociobioloog Eward Wilson. Ook heeft Japan de International Prize for Biology, die eveneens grote winnaars kent.

Dan is er nog de Crafoord Prize, uitgereikt door de Koninklijke Zweedse Academie van Wetenschappen, een soort Nobelprijs voor minder sexy vakken zoals astronomie, biowetenschappen (met name ecologie), wiskunde en aardwetenschappen. Met een half miljoen dollar voorwaar geen misselijke prijs. Winnaars waren bijvoorbeeld de biologen Ernst Mayr, John Maynard Smith en, alweer, Edward Wilson. Ook astronoom Fred Hoyle viel de eer te beurt. De Crafoord Prize is en blijft een beetje een halfbakken Nobelprijs. Niemand weet ervan en geen krant schrijft erover, maar de winnaars doen niet onder voor de echte Nobelaars.

Tot slot is er de semi-officiële Nobelprijs voor de wiskunde: de Fields Medal, die sinds 1936 om de vier jaar wordt uitgereikt, de laatste jaren aan vier grote wiskundigen. In mathematenland is de Fields Medal het mooiste wat je om de nek kunt hebben, hoewel je niet met foto en al op de voorpagina van NRC Handelsblad of De Standaard komt te prijken.

Lage Landen te bescheiden?

België en Nederland beleven momenteel niet hun beste tijd als het om Nobelprijswaardig onderzoek gaat. Nederland mag met zijn recente laureaten weliswaar niet klagen, maar het betreft ofwel wetenschappers die hun onderzoek in het buitenland verrichtten (zoals Simon van der Meer en Paul Crutzen), ofwel onderzoek van lang geleden. Utrecht mag best de loftrompet steken over zijn onderzoeksklimaat, maar niet op grond van de Nobelprijs voor ’t Hooft en Veltman, want die betreft werk van dertig jaar geleden.

Volgens de Leidse historicus Bastiaan Willink was het Nederlandse onderwijs- en onderzoeksklimaat in het begin van de 20e eeuw veel beter. Hij wijt dat aan Thorbecke’s wet op het onderwijs van 1863 en aan de Hogere Burgerschool, de hbs. Willink spreekt over de tweede Gouden Eeuw. Het gelijkheidsdenken van de jaren zestig en zeventig heeft echter geen goed gedaan aan het onderzoeksklimaat, en Willink concludeert dat een volgende Gouden Eeuw nog wel even op zich zal laten wachten.

Of is het lage aantal Laaglandse laureaten te wijten aan het feit dat we minder gemakkelijk ons hoofd boven het maaiveld uitsteken? Hans Vliegenthart geeft in zijn interview aan dat we niet zo handig zijn in het voordragen van landgenoten. Hij betwijfelt zelfs of Crutzen door Nederlanders is voorgedragen.

Hebben we nu kanshebbers? De Belg Paul Janssen, oprichter van Janssen Pharmaceutica, kan wellicht een uitnodiging uit Zweden verwachten. Een serieuze Nederlandse kanshebber blijft de Leidse immunoloog Jon van Rood. Hij miste in 1980 samen met Paul Terasaki de Nobelprijs voor geneeskunde voor hun werk aan afstotingsreacties bij orgaantransplantaties. De prijs viel toen voor eenderde ten deel aan Jean Dausset.

In 1996 kregen Van Rood, Terasaki en Dausset gedrieën de belangrijke Peter Medawarprijs voor hun werk aan weefseltypering. Het lijkt een eerherstel voor Van Rood en Terasaki om nu in hetzelfde rijtje als Dausset te staan. En misschien is het wel een hint richting Nobelcomité om de ogen ’ns goed uit te wrijven.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 oktober 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.