Je leest:

Hoe zuiver is ‘zuiver’?

Hoe zuiver is ‘zuiver’?

Het nut van bastaardwoorden

Auteur: | 1 januari 2009

Mensen die zich schrap zetten tegen buitenlandse indringers in onze taal doen dat sinds jaar en dag omdat ze streven naar ‘zuiver Nederlandse’ woorden. Daarbij denken ze meestal alléén aan woorden met een onverdacht Nederlandse oorsprong. Maar ze zien dan een heel ander zuiverheidsideaal over het hoofd: het stimuleren van precisie, elegantie en originaliteit.

Op de boekenmarkt vond ik voor vijftig cent een bijzonder aardig boekje uit 1899: Het boek der meest gebruikelijke basterdwoorden van Adam Strokel (tweede druk, verschenen bij de Gebroeders Koster in Amsterdam; eerste druk: 1887). Het verfomfaaide drukwerk bevat een woordenlijst met Nederlandse woorden met een niet-Nederlandse oorsprong, inclusief “korte opgave van hun herkomst en beteekenis”. Leenwoorden, zouden we tegenwoordig zeggen.

Het ruim honderd jaar oude gidsje van Adam Strokel leert ons veel over hoe leenwoorden werken.
Ruud van der Helm

Hoewel het als woordenboek nauwelijks historische waarde heeft, viel mijn oog gelijk op de eigentijdsheid van de inleiding en het motief van de auteur. Over dat laatste kan geen misverstand bestaan: de Nederlandse taal verloedert door de sterke toename van het aantal bastaardwoorden (woorden met een niet-Nederlandse oorsprong), en “met leedwezen wordt dit verschijnsel opgemerkt door allen die op zuiverheid van taal prijs stellen”. Want waarom zouden “flinke ingezetenen voor vreemdelingen moeten opstaan: wanneer we ons kok voor cuisinier en ons kapper voor coiffeur of friseur zien plaats maken?”

Historische geruststelling

De inleiding is het waard om in haar geheel geciteerd te worden, al was het maar vanwege het dramatische gehalte van de oproep. Hartgrondig pleit Strokel voor het “opwerpen van een dam tegen het voortwoekeren der basterds, die onze schoone taal dreigen te verstikken”, waarbij de hoop wordt gevestigd op de “onderwijzerswereld, die met een warme liefde voor onze taal bezield is en in wier handen de hope des vaderlands berust”.

De vraag is echter vooral wat we van deze antieke, maar tegelijk ook actuele oproep kunnen leren. We hoeven uiteindelijk slechts voor kok het woord wissen in te vullen en voor cuisinier het woord deleten en we staan volledig met onze voeten in de eenentwintigste eeuw.

Strokels boekje, dat meer dan een eeuw geleden van de persen rolde, is een historische geruststelling: de zucht naar taalzuiverheid is niet iets nieuws, en het thema gaf eind negentiende eeuw net als nu aanleiding tot zorg en debat. Bij de viering van het 75-jarig bestaan van het Genootschap Onze Taal is uitgebreid belicht wat de reden van de oprichting ervan was: afkeer van de Duitse woorden die in het Nederlands terechtkwamen . Opvallend is dat Strokel, die zijn lijst zo’n drie decennia voor de oprichting van het genootschap afrondde, zijn pijlen voornamelijk richtte op de forse invloed van het Frans, en niet die van het Duits. Sterker nog: veruit het grootste deel van Strokels woordenlijst bestaat uit woorden van Franse, Latijnse, Italiaanse of Griekse afkomst.

De verloedering (maar je kunt ook zeggen: de dominante cultuurstroming) kwam aan het einde van de negentiende eeuw duidelijk uit het zuiden. Dat het Duits en het Frans tegenwoordig nauwelijks meer voorhoofden doen fronsen (wie weet nog dat afbouwen in de betekenis ‘beeindigen’ een germanisme is, en hoe erg wordt dat eigenlijk gevonden?), valt samen met het afnemen van de invloed van beide taalculturen; nu is het ontegenzeggelijk het Engels dat het moet ontgelden.

In gebruik?

Maar hoe blijvend was deze zuidelijke invloed eigenlijk? Om dat te achterhalen is het interessant om nu, na ruim een eeuw, eens na te gaan wat ervan is blijven hangen. Dat blijkt niet veel moeite te kosten. Door alle werkwoorden uit Strokels boekje te groeperen in drie categorieen (‘tegenwoordig algemeen gebruikt’, ‘tegenwoordig in gebruik’ en ‘inmiddels in onbruik geraakt’) ontstaat een verrassende lijst – zie de tabel. Van alle bastaardwerkwoorden uit 1899 is een deel volledig in het Nederlands geintegreerd, terwijl een ander deel helemaal in onbruik is geraakt.

Ingeburgerd of niet? Bastaardwoorden van een eeuw geleden

“Basterdwerkwoorden” beginnend met een a, zoals vermeld in de woordenlijst van Adam Strokel uit 1899. Ze zijn hier (soms onvermijdelijk misschien een beetje arbitrair) onderverdeeld in drie categorieën: ‘tegenwoordig algemeen gebruikt’, ‘tegenwoordig in gebruik’ en ‘inmiddels in onbruik geraakt’. Woorden met een * komen niet voor in de veertiende editie van de grote Van Dale (2005).

Woorden als adverteren, acteren en arresteren zijn zo alledaags dat maar weinigen zich bewust zullen zijn van hun niet-Nederlandse oorsprong. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld kerk, straat, koor en kaart, waarvan Strokel al in 1899 vond dat ze “strikt genomen” geen bastaarden meer waren. Andere woorden daarentegen zijn zo goed als uit het alledaagse taalgebruik verdwenen of worden hooguit nog in een zeer specifieke context toegepast. In ieder geval heeft abandonneren niet het woord verlaten verdrongen, en wordt de dief op heterdaad ‘betrapt’ en niet ‘geattrapeerd’.

Waarom hebben sommige woorden het wel gehaald en andere niet? Duidelijk is dat het niet afhangt van de mate waarin er een alternatief voorhanden is. Voor applaudisseren bestond al klappen, arriveren kan gemakkelijk worden vervangen door aankomen, en appreciëren door waarderen. Deze woorden komen in de praktijk dan ook naast elkaar voor. Verder blijkt dat voor veel van de bastaardwoorden die in onbruik geraakt zijn, er simpelweg een alternatief gangbaar is geworden. De betekenissen die Strokel hier zelf al aan toevoegt, klinken ons veel bekender in de oren (zie de woorden tussen haakjes in de tabel). Er is daarmee een natuurlijke schifting ontstaan tussen bruikbare en minder bruikbare bastaardwoorden. De bruikbare vreemde woorden komen daarbij eerder naast dan in plaats van de inheemse woorden voor.

Engels

Dat zuidelijke talen (en in het bijzonder het Frans en het Latijn) zo’n sterke invloed hebben gehad op de vorming van het Nederlands van vandaag de dag kan niet worden ontkend, maar daarmee is nog niet gezegd dat het Nederlands verfranst is, of erger nog, verarmd. Eerder is het verrijkt met nieuwe begrippen en bruikbare synoniemen, waarmee we ons voordeel doen.

We zouden nu de vraag kunnen stellen of de niet-Nederlandse invloeden van vandaag, en dan in het bijzonder de Anglo-Amerikaanse, uiteindelijk niet op eenzelfde ontvangst kunnen rekenen. Als dat zo is, dan zullen die vele Engelse termen en anglicismen geleidelijk worden weggefilterd, waarna de bruikbare (en dus kennelijk verrijkende) woorden overblijven, en de onbruikbare geleidelijk weer zullen verdwijnen. Een woord als tipp-exen, toch kenmerkend voor een hele generatie scholieren en secretaresses, zal het waarschijnlijk niet gaan halen, door de teloorgang van de typemachine. Deleten daarentegen, de elektronische evenknie van tipp-exen, lijkt een veel langer leven beschoren, ook buiten de strikte informaticatoepassing. Verrassend is overigens dat Strokel al een klein aantal Engelse woorden heeft opgenomen (natuurlijk als afkeurenswaardige bastaards), waaronder heel eigentijds aandoende woorden als meeting en wouldbe, in de betekenis van ‘graag zouden willen zijn’.

Soorten zuiverheid

Een initiatief als dat van Strokel laat niet alleen de onvoorspelbare evolutie van de taal zien, maar ook de bezwaren die kleven aan een dergelijk zuiverheidsideaal. Dit ideaal komt namelijk voort uit een fundamentele verwarring over wat zuiverheid nu precies is – beter: wat zuiverheid precies kan zijn. Een woord kan om verschillende redenen ‘zuiver’ worden gevonden. Je kunt kijken naar de praktische kant van de zaak (is het woord functioneel?), naar de esthetische kant (is het mooi?) en naar de oorsprong (waar komt het vandaan?). Pleitbezorgers voor taalzuiverheid hebben meestal louter oog voor die laatste dimensie. Alleen woorden met een – in ons geval – Nederlandse oorsprong mogen worden gebruikt, of genieten in elk geval de voorkeur.

Ruud van der Helm

Maar de vraag of een woord een zuivere oorsprong heeft, is natuurlijk in hoge mate arbitrair. Waar ligt de grens tussen “woorden die sinds lang burgerrecht verkregen en een Nederlands gewaad aangetogen hebben” en “het kwaad dat bestreden moet worden”? Het woord kok, dat Strokel met veel bombarie als “flinke ingezetene” (dus oorspronkelijk) presenteert, wordt vervolgens in de bastaardwoordenlijst vermeld als een afleiding van het Latijnse coquus. En van het eerdergenoemde meeting is de niet-Nederlandse oorsprong voor iedereen overduidelijk, terwijl het toch al ruim een eeuw meegaat in de Nederlandse taal. Ingeburgerd? In de praktijk zeker, zonder daarbij woorden als bijeenkomst of vergadering naar het rijk der archaismen te hebben verwezen. Maar heeft het daarmee ook burgerrechten verworven in het Nederlands, zoals kerk en kaart?

Juist door dit arbitraire verzet tegen specifieke woorden of bronnen van invloed slaat het streven naar zuiverheid van oorsprong maar al te snel om in zuivere xenofobie. Alleen vanuit die gedachte kon Strokel volhouden dat hij met zijn woordenlijst “een steentje kon bijdragen tot het versterken van een der hechtste bolwerken onzes volksbestaans”.

Dynamisch

Het streven naar zuiverheid van oorsprong veronderstelt dat er hulp nodig is om een taal overeind te houden. Buiten de vraag of dit uberhaupt (!) mogelijk is, gaat het ook voorbij aan de kracht waarover levende talen van nature beschikken. Talen verdwijnen doorgaans niet doordat ze invloeden van buitenaf ondergaan. Uitsterving (of uitroeiing) van de dragers van een taal daargelaten, kan dat alleen als alle woorden en alle taalregels vervangen zijn door buitenlandse.

Het kan niet ontkend worden dat de taalpolitiek van sommige landen en regimes niet altijd even tolerant (geweest) is. In alle andere gevallen blijkt taal veelal dynamisch te zijn en uitermate goed om te gaan met allerlei invloeden. Het streven om alleen woorden toe te laten waarvan de oorsprong zuiver op de graat is, ontneemt de taal in wezen de kans om zich te meten aan en te versterken door deze invloeden. Het is daarmee een weinig nastrevenswaardig doel, zeker wanneer je daar de andere dimensies van taalzuiverheid naast zet.

Nieuwe precisie

Een van die andere kanten van zuiver taalgebruik is vooral praktisch van aard: hoe functioneel is het geimporteerde woord? Daarbij gaat het bovenal om de precisie waarmee een boodschap kan worden overgebracht. Het juiste woord op de juiste plaats door het op de juiste manier verbinden van context en woordkeus maakt het verschil uit tussen begrip en onbegrip, tussen acceptabel en onacceptabel, tussen emotie en onverschilligheid. Wie precies wil communiceren, heeft dan ook behoefte aan woorden die nauwkeurig de juiste boodschap overbrengen en ervoor zorgen dat die op de bedoelde manier begrepen wordt.

Diversiteit van de taal en een grote woordenschat van de taalgebruikers zijn hiervoor essentieel. Daarom is het geweldig om nieuwkomers als inloggen wel te gebruiken, omdat dat gelijk duidelijk maakt dat het gaat om het registreren via een computer. Die nieuwe precisie, die eerst niet bestond, zou juist omarmd moeten worden.

Een ander voorbeeld. Woorden als gummen, tipp-exen en deleten behoren allemaal tot het betekenisdomein van wissen, maar het woord wissen zelf bevat deze precisie niet. Zolang inloggen maar niet leidt tot een verdringing van alle vormen van registreren of aanmelden, en deleten wissen niet laat verdwijnen (want daarmee zou de juist gewonnen precisie weer verloren gaan), is er alleen maar reden voor een feestje.

Elegantie

Nieuwe woorden van over de grenzen kunnen ook gewoon mooi zijn, en zorgen voor elegantie. Taal is nu eenmaal ook een kunstvorm, en als je hetzelfde mooier kunt zeggen zonder de precisie te verliezen, dan is ook dat winst. Zo weten wiskundigen maar al te goed dat een elegantere oplossing voor een wiskundig probleem hoger wordt gewaardeerd (en daarmee ook daadwerkelijk wiskundig als een vooruitgang kan worden gezien). Ook voor de esthetiek is diversiteit van de woordenschat een voorwaarde, naast natuurlijk een niet onaanzienlijke dosis taalbehendigheid en taaloriginaliteit.

Waar het uiteindelijk om gaat – en waar het manifest van Strokel en dat van zijn navolgers volledig aan voorbijgaat – is dus het behoud van de dynamiek van de Nederlandse taal door het stimuleren van precisie, elegantie en originaliteit. Dat is een heel ander en veel uitdagender zuiverheidsideaal dan het schiften van woorden die wel mogen en die niet mogen (of zelfs maar het wekken van de suggestie dat dit mogelijk zou zijn). Juist door deze dynamiek te stimuleren ontstaat een rijkere, verrassende en eigentijdse taal.

Gelukkig weet de taal zelf deze processen wel in gang te houden en het lukt altijd verbazingwekkend goed om daarbij nieuwkomers zonder zichtbare moeite te absorberen. De strijd tegen deze nieuwkomers leidt – als die al ergens toe leidt – slechts tot het tegenovergestelde: tot een verarming door het afremmen van de taaldynamiek en tot het vastleggen van een taal die geen aansluiting meer vindt bij haar eigen tijd.

Lees ook:

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 januari 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.