Je leest:

Hoe zit het eigenlijk?

Hoe zit het eigenlijk?

De betekenissen van het werkwoord ‘zitten’

Auteur: | 9 juni 2009

Zodra iets in een taal je eenmaal opvalt, ben je al snel geneigd te denken dat het vroeger anders was. En vaak ook: beter. Neem nu een zin als ‘Ik zat te lopen.’ Dat is nieuw, vaag en fout, vinden veel mensen. Maar is dat ook zo?

In 2006 besprak taalcolumnist Ewoud Sanders in zijn rubriek ‘Woordhoek’ in NRC Handelsblad twee taalobservaties. Zijn negenjarig zoontje had ooit de zin gebruikt “Ik zat net te lopen naar school”, en bij een andere gelegenheid had hij zich laten ontvallen “Wat zit jij eigenlijk aan het doen?” Deze twee taaluitingen verleidden de columnist tot een analyse van een nieuwe trend in het taalgebruik van de jongere generatie: het toenemende gebruik van het werkwoord zitten.

‘Ik zat net te lopen naar school.’ Veel mensen vinden deze zin fout. Maar is dat ook zo?

De verklaring voor dit verschijnsel zou voor de hand liggen: jongeren zitten tegenwoordig meer dan vroeger (voor de televisie, achter de computer, aan de Playstation), en dat zou zijn sporen hebben nagelaten in hun woordkeuze. Of, zoals Sanders het formuleerde: “De welvaart sluipt binnen in de taal.” Dat het hier echt een trend betrof, leidde Sanders vervolgens af uit een Google-telling, waaruit bleek dat ‘Ik zit te denken’ maar liefst vierhonderd keer zo vaak voorkwam als ‘Ik loop te denken’. Deze populariteit van ‘Ik zit te denken’ zou verklaard moeten worden uit het feit dat het “meer eufemistisch” en “minder direct” zou zijn.

Rappers

Sanders’ column verscheen ook op het internet, waar lezers konden reageren. Verschillende lezers herkenden de observaties. Zo zei een van hen dit gebruik van zitten te kennen “uit mijn jeugd in Brabant”, maar een ander voegde daaraan toe: “In mijn jeugd zeiden vooral de mensen uit Drenthe dat.” En een derde kon het verschijnsel nog preciezer lokaliseren tot “zo’n zestig jaar geleden in Baarn en omstreken”. Toch was er ook iemand die het “vroeger in Indonesië” weleens gehoord had, en een laatste wist met grote stelligheid: “Vooral in Amsterdam komt dit veel voor.”

Ook de verklaringen liepen nogal uiteen. “Dat overbodige zitten komt uit het Vlaams”, beweerde de ene lezer. Maar een ander veronderstelde: “Het komt door allochtone kinderen op de school.” Een derde ten slotte schreef het verschijnsel toe aan “die al dan niet beroemde rappers van tegenwoordig”, daarbij niet gehinderd door de wetenschap dat er zestig jaar geleden in Baarn en omstreken nog weinig rappers werden aangetroffen.

Belachelijk

Nu lijkt het wel alsof ik al die observaties en verklaringen belachelijk wil maken, maar dat is niet mijn bedoeling. Al deze taalgebruikers rapporteren ongetwijfeld serieuze observaties, en hun verklaringen zijn met de beste bedoelingen bedacht. Maar hun onderlinge tegenstrijdigheid verraadt al dat de meeste geen hout snijden.

Daar komt bij dat al die observaties en verklaringen vergezeld gaan van drie verdachte kenmerken: het gesignaleerde taalgebruik wordt door Sanders ‘nieuw’ genoemd, het is ‘vaag’ (“minder direct”), en het is ‘fout’. Deze drie eigenschappen liggen ten grondslag aan de meeste taalergernissen. En ze worden zelden kritisch bekeken. Hoe nieuw is dat gebruik van zitten dan precies? En hoe vaag is het eigenlijk? En op grond waarvan zou je het fout moeten noemen? Die vragen kunnen alleen worden opgelost met een beetje grammaticale analyse.

Hij leunde te roken

Het werkwoord zitten behoort tot de zogeheten ‘werkwoorden van lichaamshouding’ (of, met de Engelse taalkundige term ‘posture verbs’). Dat zijn er vijf: staan, liggen, hangen, lopen en zitten. Er zijn natuurlijk meer werkwoorden die een lichaamshouding kunnen aangeven (zoals leunen, hurken en kruipen), maar deze vijf hebben iets speciaals.

Allereerst worden deze vijf werkwoorden vaak gebruikt in een context waar helemaal geen sprake is van een echte lichaamshouding: ‘Het boek staat in de kast’, ‘Het stof ligt op de grond’, ‘De schilderijen hangen aan de muur’, ‘Het water loopt uit de kraan’ en ‘De suiker zit in het pak.’ In al deze gevallen is de betekenis van het werkwoord als het ware ‘drooggekookt’ tot een beperktere ruimtelijke betekenis: staan drukt iets van een verticale oriëntatie uit, liggen is horizontaal, hangen is naar beneden gericht en lopen is met beweging. Zitten wordt vaak gebruikt bij een soort inbegrepenheid. Van een vlek zul je al gauw zeggen dat hij op een plafond of in je kleren ‘zit’. Zitten lijkt ook een beetje het meest neutrale woord: ‘Er zit altijd een geschikte kandidaat bij’, ‘Hoe zit het eigenlijk?

‘Hij leunde te roken.’ Dat klinkt vreemd, omdat leunen niet behoort tot de vijf ‘werkwoorden van lichaamshouding’ zitten, staan, lopen, hangen en liggen.

Vervolgens worden de vijf werkwoorden van lichaamshouding ook al zo’n vierhonderd jaar als hulpwerkwoorden gebruikt. Ze staan dan bij een ander werkwoord, en voegen daar alleen een klein stukje betekenis aan toe: ‘De docent staat een verhaal te vertellen’, ‘Lig niet zo te klieren!’, ‘De was hangt buiten te drogen’, ‘Ze lopen me de hele tijd lastig te vallen’ en ‘Ik zit je net te bellen.’ Dit is alleen met deze vijf werkwoorden mogelijk. Zinnen als ‘Hij leunde een sigaret te roken’ of ‘Ze rennen me de hele tijd lastig te vallen’ komen nooit voor.

In dit gebruik als hulpwerkwoord zijn de betekenissen van de werkwoorden van lichaamshouding nog verder ‘drooggekookt’. Eigenlijk betekenen ze nu alleen nog iets als ‘bezig zijn met’. De lichaamshouding zelf is in veel gevallen bijna helemaal op de achtergrond geraakt.

Begrijpelijke keuze

Maar het droogkoken gaat nog verder. Want de werkwoorden van lichaamshouding worden ook nog toegepast als koppelwerkwoorden. In een zin als ‘Ik sta perplex’, ‘Ze liggen in scheiding’, ‘Dat loopt fout’ of ‘Zij zit er erg om verlegen’ is de betekenis van de lichaamshouding helemaal weg, en gaat het alleen om een betekenis die ongeveer overeenkomt met het koppelwerkwoord zijn (‘Ik ben perplex’, ‘Dat is fout’). Vaak is deze gebruikswijze beperkt tot vaste uitdrukkingen, ongetwijfeld ontstaan uit ruimtelijke uitdrukkingen (zoals ‘Ik zit aan de grond’), en soms wordt in de loop der tijd het werkwoord van lichaamshouding vervangen door een koppelwerkwoord. Zo wordt in een tekst uit 1884 de uitdrukking in de war zitten gebruikt, waar tegenwoordig alleen zijn gebruikt wordt. Eigenlijk geeft het werkwoord van lichaamshouding hier alleen een langere duur van een eigenschap aan.

Vanuit dit perspectief zijn de twee taaluitingen van het zoontje van Sanders goed te verklaren. In de zin ‘Ik zat net te lopen naar school’ wil hij blijkbaar uitdrukken dat hij net bezig was met het lopen naar school en hij kiest voor een constructie met een werkwoord van lichaamshouding. Omdat het hier om beweging gaat had lopen als keuze voor de hand gelegen, maar dan krijg je ‘Ik liep net te lopen naar school.’ Daarom valt hij terug op het neutrale zitten. Hij had natuurlijk die betekenis ‘bezig zijn met’ ook kunnen uitdrukken met een andere constructie ‘Ik was net aan het lopen naar school.’ Of hij had die hele betekenis achterwege kunnen laten. Maar de gemaakte keuze is begrijpelijk, en heeft niets te maken met zitten als lichaamshouding.

Nieuwe trend?

In het tweede voorbeeld ‘Wat zat jij eigenlijk aan het doen?’ gebruikt hij zitten als koppelwerkwoord. Dat is elders in de taal wel mogelijk, maar hier ongebruikelijk omdat aan het doen al een duurbetekenis heeft: het geeft aan dat een bepaalde handeling al een tijdje aan de gang is. Het gebruik van het werkwoord van lichaamshouding is hier dus dubbelop.

Is dit nu inderdaad een nieuwe trend? Ik geloof er niets van. Zitten was al het neutrale werkwoord van lichaamshouding, dus dat een kind daarop terugvalt bij een botsing tussen liep en te lopen lijkt me niets bijzonders. En zitten als koppelwerkwoord is ook al eeuwenoud, alleen moet je bij het leren van de taal erachter komen tot welke gevallen het beperkt is, en dat is wat de zoon van Ewoud nu aan het doen is.

Maar hoe zit het dan met die Google-telling waarin ‘Ik zat te denken’ zo veel vaker voorkomt dan ‘Ik loop te denken’? Ook dat is precies wat je zou verwachten als je weet dat zitten de meest neutrale keuze is als werkwoord van lichaamshouding. Bij lopen moet er altijd sprake zijn van een zekere beweging, terwijl dat bij zitten helemaal niet hoeft. Lopen te denken is dus veel specifieker dan zitten te denken, en komt dus veel minder vaak voor.

‘Zitten te denken’ levert op Google veel meer hits op dan ‘lopen te denken’. Wijst dat op een nieuwe taaltrend? Nee! ‘Lopen te denken’ is specifieker dan ‘zitten te denken’, en komt daarom minder vaak voor.

En is ‘Ik zit te denken’ dan niet inderdaad vager of minder direct dan ‘Ik denk’? Want als zitten hier inderdaad zo’n vage, ‘drooggekookte’ betekenis heeft, dan voegt het dus ook weinig toe, zou je denken. Maar ook dat is te simpel gedacht.

Wereldreis

Hoe klein ook, er is nog wel degelijk een betekenisverschil tussen ‘Ik zit te denken’ en ‘Ik denk.’ Dat kun je zien in een voorbeeldzin als ‘Ik denk dat ik een wereldreis wil maken’ tegenover ‘Ik zit te denken dat ik een wereldreis wil maken.’ De eerste zin kun je gebruiken om aan te geven dat je denkproces is afgerond tot een vast besluit: je wilt een wereldreis maken. De tweede zin kan alleen maar betekenen dat dit denkproces nog gaande is: je weet het nog niet zeker, je bent bezig met denken.

Met andere woorden: het gebruik van ‘Ik zit te denken’ naast, of in plaats van ‘Ik denk’ is helemaal niet ‘vaag’ of ‘minder direct’ (laat staan “eufemistisch”, zoals Sanders schreef). Het is juist preciezer: je drukt heel precies uit dat je denkproces nog niet tot een resultaat is gekomen. Daarmee is ‘Ik zit te denken’ een nuttige zinsconstructie in de taal.

Uiteraard hebben we al ‘Ik ben aan het denken’, maar deze twee constructies bestaan ook in andere gevallen gewoon naast elkaar. Zitten is het meest neutrale werkwoord van lichaamshouding dat in dit geval in aanmerking komt: alle andere voegen net iets meer specifieke betekenis toe: beweging, verticale of horizontale oriëntatie. Alleen zitten doet dat niet. Dáárom ‘zitten’ wij dus zo vaak te denken. Niet omdat wij zo veel zitten, maar omdat zitten een kleine, maar precieze betekenis heeft.

Verder lezen:

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 09 juni 2009
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.