Je leest:

“Hoe raar zijn we eigenlijk?”

“Hoe raar zijn we eigenlijk?”

In de collegebanken bij Rolf Bremmer, Oud-Fries, Universiteit Leiden.

Auteur: | 16 maart 2012

De universiteit: niet alleen een plek voor baanbrekend onderzoek, maar ook een ware opleidingsfabriek. Wie zijn de kneders en vormers van de nieuwe generatie academici? Waar hangen studenten aan de lippen van hun docent, en waar vallen ze in slaap? Kennislink neemt de proef op de som en gaat terug naar de collegebanken. Deze keer schuiven we aan bij Rolf Bremmer, mediëvist aan de Universiteit Leiden. “Cultuurgeschiedenis leert je anders kijken naar je eigen cultuur. Je vraagt je af hoe raar we eigenlijk zijn.”

Hoewel Bremmer van huis uit een taalwetenschapper is – hij geeft o.a. college in Oud-Fries en Oud-Engels – is het niet de taal die hem het meeste boeit aan dit vak. De cultuurhistorie van de Oude Friezen vindt Bremmer het mooist. “Er is weinig overgeleverd van de cultuur, maar er valt nog zoveel meer uit te persen dan tot nu gedaan is!”

Krap, warm zaaltje

Ik ben benieuwd, dus op naar het college Oud-Fries. Het vak wordt gegeven in een klein zaaltje in het Huizingagebouw van de Opleiding Geschiedenis. Er passen met hangen en wurgen 18 mensen in en het zit dan ook goed vol. “Ik heb nog nooit zoveel studenten gehad voor dit vak! En dan te bedenken dat het geen verplicht vak is, maar vrije keuze. Bij het Oud-Fries is het een uitdaging om het college voor iedereen interessant te maken, aangezien de achtergronden van de studenten heel verschillend zijn. Taalkundigen, historici, classici, maar ook bèta’s of rechtenstudenten met een interesse in de taal en cultuur zitten bij mij in de collegebanken.”

Marjolein Overmeer

De ramen gaan open, want het is al snel warm in het zaaltje. Toch stoort het rumoer van buiten niet. Bremmer houdt iedereen bij de les. “Ik start het college over het algemeen met het cultuurgedeelte, waarover de studenten van te voren vragen hebben geplaatst op Blackboard. College geven is meer dan het afsteken van een monoloog, het is tweerichtingsverkeer. Als je als docent laat merken dat je het vak zelf leuk vindt, motiveer je. En ik laat studenten graag nadenken over de stof. De vragen die zij stellen, zetten mij ook weer aan het denken. Soms over zaken waarover ik nog niet eerder heb nagedacht. Dat houdt het boeiend.” Deze week komt het celibaat aan bod: Friese priesters deden daar niet aan in de Middeleeuwen. Ook typisch Fries was het recht op het seculair aanstellen van kerkelijke leiders. Tot aan De Opstand in de 16e eeuw, waarbij de protestantse dominees de priesters vervingen, kon elke terp zijn eigen priester benoemen. Zolang de bewoners hem maar konden betalen. Hierdoor is Friesland nu nog steeds het dichts bekerkte gebied van Nederland.

Geldboete voor foetus

Na het geschiedenisgedeelte volgt het taalgedeelte. De taalwetenschappers zitten al een ruim half uur ongeduldig op dit onderdeel te wachten. De grammatica legt Bremmer op een duidelijke manier uit en met treffende voorbeelden. Zo kunnen ook de niet-taalwetenschappers (zoals deze historica) het prima volgen. Het laatste gedeelte van het college staat in het teken van de praktijk. Dat betekent aan de slag gaan met Oud-Friese teksten. Er zijn niet heel veel teksten overgeleverd en wat er is zijn voornamelijk wetsteksten. Toch is het alles behalve droog.

Het gaat dit keer over de compensatie voor het verlies van een ongeboren kind bij een mishandelde vrouw. Dit onderwerp komt in veel Friese teksten voor, zo blijkt. De Friese cultuur uit de (vroege) Middeleeuwen kende geen vrijheids- of lijfstraffen. Misdadigers mochten hun daden met een geldboete compenseren en die aan het slachtoffer en zijn of haar familie betalen. Gebeurde dat niet, dan brak er een vete uit. Zo’n vete kon generaties lang duren en veel onschuldig bloed kosten.

Terug naar de originele teksten. Verschillende fases van de ongeboren foetus komen langs, met de daarbij horende geldelijke compensatie. Elke student leest een zin voor en vertaalt die. Grappig is dat de woorden er vaak vreemd uitzien maar als Bremmer de juiste uitspraak voordoet, klinkt het ineens niet meer zo onbekend. Het heeft vaak iets weg van het Engels. Voorbeelden zijn de woorden als dei, toth en tsjaik die dag, tand en kaak/wang betekenen. Als je het uitspreekt klinkt het bijna als het Engelse day, tooth en cheek. “Dat klopt” zegt Bremmer. “Oud-Fries en (met name Oud-) Engels hebben veel overeenkomsten. Hoewel je je nu niet meer verstaanbaar kan maken in Groot-Brittannië met Oud-Engels, herken je nog wel verschillende woorden of hun oorsprong.” Dit is een groot voordeel voor de studenten, die allemaal Engels spreken.

De docent apart

Universiteit Leiden

Na het college is het tijd voor een kleine ondervraging. Ik ben namelijk heel benieuwd wat deze niet-Fries zo mooi vindt aan dit bijzondere vak.

Waarom heeft u gekozen voor het studeren en doceren van Oud-Fries? “Tijdens mijn studie Engels kwam ik ook in aanraking met het vak Oud-Engels, en mijn docent, zelf een Fries, wees vaak op overeenkomsten met het Oud-Fries. Het maakte mij nieuwsgierig dat deze twee oude talen zo veel gemeen hebben. De onbekende wereld die voor mij naar boven kwam vond ik heel intrigerend. En maar weinig wetenschappers hielden zich bezig met het Oud-Fries. Terwijl je er zoveel leuke dingen mee kon doen. Ik wilde ervoor zorgen dat deze mooie taal meer internationale bekendheid zou krijgen.” Zo publiceerde Bremmer met medewerking van collega’s uit het veld in 1990 een eerste gedenkboek naar aanleiding van 150 jaar Oud-Friese wetenschap. Het werd een bestseller en sindsdien komt er elke zes jaar een opvolger uit. Het leuke aan de bundels is dat wetenschappers uit binnen- en buitenland, oude rotten en jonge honden, hun bijdragen kunnen leveren.

Wat vindt u het mooist aan het vak? “De cultuurhistorie. Toen ik aan de gang ging met oude teksten was het onduidelijk waar ze vandaan kwamen. Niemand voor mij had dat werk gedaan, dus het was echt onontgonnen terrein. Ik heb veel nieuwe ontdekkingen gedaan maar niet iedereen is het altijd met mijn theorieën eens. Dat is maar goed ook, want zo blijft de discussie levendig.” Ook bestond er nog geen boek met een verhaal over de opkomst van de schriftcultuur in Friesland. Met zijn boek Hir is eskriven over lezen en schrijven in middeleeuws Friesland is daar nu een goed begin mee gemaakt. Voor Nederland moet zo’n boek nog geschreven worden.

“Ik heb een enorme klik met de taal. Waarom? Tja. Niet persé om de inhoud maar zeker ook vanwege de schoonheid van de Oud-Friese rechtstaal zelf. Jacob Grimm, naast sprookjesschrijver ook taalkundige, zag dit al in de 19e eeuw. In deze eeuw van nationalisme kwam de studie naar de Germaanse talen en culturen op en de oude sages met hun helden werden herontdekt. Grimm was hier lyrisch over, net als over de Oud-Friese wetteksten.

Waarom zouden studenten een kleine taal als het Oud-Fries moeten volgen? “Kennis van talen op zich is een verrijking. Het is mooi en je leert een andere cultuur kennen en waarderen. En ik zie het Oud-Fries ook als een bijzonder stukje van de Nederlandse cultuur.

Het was een wereld waar het recht met het dreigement van de bloedvete op de achtergrond gehandhaafd werd. De oude teksten geven een bijzondere kijk op een samenleving die waarschijnlijk ook in Holland heeft bestaan in de tijd van Karel de Grote. Daarnaast leer je door het bestuderen van een andere taal en cultuur (anders) naar je eigen cultuur te kijken: wat wij hebben, is dat eigenlijk raar?”

Wie zou u wel naar de collegebanken (terug) willen sturen? “Geert Wilders zou ik wel een cursusje cultuurgeschiedenis willen geven. In de Middeleeuwen strekte het land van de Friezen zich breed uit en woonden ze ver buiten de grenzen van nu. Culturen zijn open en houden niet op bij onze landsgrenzen: die zijn ontzettend jong als je ze in historisch perspectief plaatst.”

Is er nog een wereld naast het doceren? “Ik schrijf columns in kranten en tijdschriften waarin ik probeer om de wetenschap te populariseren. Dit lukte ook aardig met een examenfilm over Bonifatius voor de Amsterdamse filmacademie. Het script van deze film heb ik vertaald in het Oud-Engels en Oud-Fries en de acteurs kwamen een dag naar Leiden om de uitspraak te oefenen. Zo kwam het Oud-Fries letterlijk weer tot leven en, mooi meegenomen, onder de aandacht van een groot publiek.”

Het universiteitsleven in zeven keuzes

1. De University of Oxford of de Carl von Ossietzky Universiteit Oldenburg?

De University of Oxford, want daar heb ik een jaar lang gestudeerd. Ook liggen er meer Oud-Friese handschriften in Oxford dan in Oldenburg, hoewel er daar ook een paar liggen.

2. Plastic beker of mok?

Ik gebruik al 25 jaar een mok van Cornell University (Ithaka, New York) met dubbele wand, toen een noviteit. Ik was daar als broekie om een lezing te geven over de rol van vrouwen in de Oud-Friese wetten. Sindsdien heb ik nooit meer zo’n hoog honorarium gehad, lacht hij.

3. Onderwijsprijs of onderzoekssubsidie?

De waardering van een publieksprijs is leuk, maar ik zou meer kunnen met een onderzoekssubsidie. Letterlijk dan. Ik zou wel langs alle bibliotheken met Oud-Friese handschriften willen gaan om die digitaal te fotograferen. (Een bescheiden wens aangezien het gaat om bibliotheken in Parijs, Hannover, Oldenburg en Oxford.)

4. Studenten: de grenzeloze generatie, generatie Einstein of generatie Boeiuh?

Dan kies ik toch voor de generatie Einstein. Soms is er wat weerstand, zeker bij verplichte vakken, maar als studenten over een brug heen zijn, zijn ze vaak heel coöperatief en innovatief bezig met de stof. Boeiuh valt heel erg mee. Je bent er als docent ook nog bij: je moet aanstekelijk doceren.

5. Powerpoint, YouTube en Twitter, of de kracht van het woord?

Twitteren doe ik niet, maar YouTube gebruik ik wel voor mijn colleges. Powerpoint was al een onderdeel van mijn colleges toen het nog vrij onbekend was. Maar toch heb ik een voorkeur voor het gesproken woord, vanwege de menselijke interactie: het inspireert, de rest ondersteunt.

6. Collegeaantekeningen ruim van te voren of op het laatste moment klaar?

(Met een glimlach) Meestal het laatste, want ik werk beter onder de druk van een deadline.

7. Stoelen of banken?

Stoelen. Zeker weten, want die zijn dynamischer. Banken zijn statisch.

Bremmer aan de universiteit Professor Bremmer is een van de weinige docenten Oud-Fries in Nederland en een internationale autoriteit op dit vakgebied. Hij heeft al meerdere boeken geschreven, over de cultuurgeschiedenis maar ook over de grammatica van de Oude Friezen.

Zelf studeerde Bremmer Engels aan de Rijksuniversiteit in Groningen en promoveerde vervolgens aan de Radboud Universiteit in Nijmegen op een stichtelijke Middel-Engelse tekst (rond 1400) over de vijf zintuigen. Deze tekst was nooit eerder gepubliceerd.

Sinds 1986 werkt hij aan de Universiteit Leiden bij de Opleiding Engels. In 2001 kwam er een vacature vrij voor Fries voor 0,1 FT. Dat is precies 1 cursus per collegejaar.

Dit jaar geeft Bremmer naast Oud-Fries college over de Oud-Engelse taal en cultuur (700-1100), Middel-Engelse taal en cultuur (1100-1500) en Angelsaksische mythen, riten en runen.

Meer informatie is te vinden op de persoonlijke Universiteitspagina van Rolf Bremmer

Ook op Kennislink: - Jan Decleir leert Oudengels van Leidse prof (Bonifatiusfilm) - Toen het Fries nog op het Engels leek - Fries leren tot in Kroatië

Meer colleges uit de reeks: - In de collegebanken bij Freek Colombijn, Antropologie, Vrije Universiteit Amsterdam - In de collegebanken bij Menno Fenger, bestuurskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 maart 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.