Je leest:

Hoe omgaan met pijn bij kinderen?

Hoe omgaan met pijn bij kinderen?

Hoe ga je om met pijn bij kinderen? Een vraag die vanzelfsprekend sterkt leeft op de kinderafdelingen van het LUMC. De verpleegkundigen daar hebben dagelijks te maken met kinderen die pijn hebben. Ze ontwikkelen een attitude, een bepaalde manier van omgaan met het onderkennen en bestrijden van pijn. Hoe komt die attitude tot stand, vroeg verpleegkundig hoofd Willy Broekhof zich af.

“Er is nog niet veel bekend over de manier waarop verpleegkundigen met pijn van kinderen omgaan”, vertelt Willy Broekhof. “Voor de resultaten van dit onderzoek is dan ook veel belangstelling op de afdeling.” Broekhof is verpleegkundig hoofd van de afdeling Isolatieverpleging op het Willem-Alexander Kinder- en Jeugdcentrum (WAKJC).

Zij schreef een afstudeerscriptie voor de studie Verplegingswetenschap in Maastricht, onder de titel ‘De attitude van kinderverpleegkundigen ten aanzien van het pijnmanagement bij kinderen’. Het onderzoek hiervoor deed ze onder haar collega’s op de kinderafdelingen van het LUMC.

De uitkomsten zijn getoetst aan eerder onderzoek in een aantal Nederlandse en buitenlandse ziekenhuizen. Het ging dus niet om de pijnervaring van kinderen zelf. In haar scriptie geeft Broekhof aan waarom zij de verpleegkundige kant wilde onderzoeken: “De kinderverpleegkundige observeert, beoordeelt en rapporteert pijn bij een kind en beslist over het al dan niet toepassen van een pijnverlichtende interventie.” Het blijkt dat de houding van de verpleegkundigen een belangrijke rol speelt bij besluiten omtrent pijnbestrijding en pijnverlichting.

Vragenlijsten op naam

De onderzoeksgroep bestond uit verpleegkundigen van de kinderafdelingen van het LUMC. Broekhof verspreidde vragenlijsten op naam, maar kreeg ze anoniem terug. Bovendien liet ze, om te voorkomen dat ze handschriften zou herkennen, iemand van buiten het ziekenhuis de antwoorden invoeren. We mogen er dus van uitgaan dat de antwoorden eerlijk zijn en dat de geldigheid niet in het geding is? Broekhof: “Ja, ik denk het wel. Er was geen reden om sociaal wenselijke antwoorden te geven. Bovendien was de respons vrij hoog: 79 procent.”

De vragenlijst was bedoeld om antwoord te krijgen op twee vragen, namelijk: hoe gaan de kinderverpleegkundigen van het LUMC om met pijn bij kinderen, en welke factoren zijn daarop van invloed? Om een voorbeeld te geven van zo’n factor: de onderzoekster vroeg naar persoonlijke ervaringen met pijn. Zo moesten de respondenten aangeven of ze het wel of niet eens waren met de stelling: ‘Nadat ik zelf een keer veel pijn heb gehad, kan ik beter inschatten hoeveel pijn een kind heeft’. De vraag werd wisselend beantwoord: bijna de helft was het er in meerdere of mindere mate niet mee eens, ruim eenderde onderschreef de stelling. Daarentegen beaamde tweederde de algemener geformuleerde stelling: ‘Mijn mening hoe ik als verpleegkundige moet omgaan met kinderen met pijn is met name gebaseerd op datgene wat ik in mijn persoonlijke leven heb meegemaakt.’

Tijd en mogelijkheden bepalend

Alles goed en wel, maar een verpleegkundige heeft in de praktijk toch te maken met werkdruk, een mate van zelfstandigheid en al dan niet toereikende kennis omtrent pijnbestrijding? Daar heeft Broekhof ook aan gedacht. Een gedeelte van de vragenlijst gaat over de werkomstandigheden, de beperkingen waar iedere verpleegkundige in meerdere of mindere mate op stuit. In hoeverre heeft dat volgens de verpleegkundigen zelf invloed op de manier waarop ze met pijn bij kinderen omgaan? Een minderheid van de onderzoeksgroep vond dat de beschikbare tijd en mogelijkheden bepalend waren.

Het kind met pijn ziet behalve de verpleegkundige ook af en toe een arts. Die heeft natuurlijk ook een mening, beaamt Broekhof. “Maar patiënt-arts contacten zijn beperkt, dus de arts gaat toch meestal af op de observaties en rapportages van verpleegkundigen.” Uit het onderzoek blijkt dat eenderde van de verpleegkundigen twijfelt aan het oordeel van de artsen over pijn. Bijna de helft voelt de terughoudendheid van artsen in het voorschrijven van pijnmedicatie als een barrière.

Wie kan eigenlijk het best beoordelen of een kind pijn heeft en hoeveel? “Het kind zelf”, zegt Broekhof beslist. “We hebben allerlei methoden om een kind te laten aangeven of het pijn heeft. Vanaf vier jaar kunnen ze het zelf aangeven met schalen waarop blije en minder blije gezichtjes te zien zijn. Boven de zeven jaar kunnen kinderen met een cijferschaal werken. Maar als een kind niet kan praten, ben je aangewezen op observaties. Van de ouders in de eerste plaats. Voor de verpleegkundigen hebben we een standaard: de pijnobservatieschaal voor kinderen. Maar intuïtie en ervaring spelen bij hen ook een rol.” Dat laatste blijkt overduidelijk uit het onderzoek.

Angst voor verslavende opiaten

De gedachten over pijn en pijnmedicatie zijn de laatste jaren sterk veranderd, ontdekte Broekhof. Zo gelooft niemand meer dat baby’s geen pijn voelen, terwijl in de jaren tachtig nog een kleine minderheid voor die gedachte te vinden was. Wel denkt eenderde van de onderzochte verpleegkundigen dat ouders hun kinderen misschien in de mond leggen dat ze pijn hebben. Dat alleen weefselschade pijn bepaalt – een onjuiste gedachte volgens Broekhof – onderschrijft nog maar tien procent.

Niet verdwenen is de angst voor de verslavende werking van opiaten, morfine met name. Een kwart van de respondenten vreest die. Is dat dan niet terecht? “Nee”, zegt Broekhof. “Natuurlijk kun je de medicatie niet van de ene dag op de andere stopzetten. Er is zeker lichamelijke gewenning. Maar verslaving heeft alles te maken met je omgeving, de mensen om je heen. En met kicks die je steeds opnieuw wilt beleven, de psychische afhankelijkheid. Terwijl je bij pijnbestrijding de opiaten continu toedient.”

Al zijn de meeste verpleegkundigen wel overtuigd van de gunstige werking van morfine, aan de ouders moeten ze het soms nog uitleggen. Broekhof: "Ouders verbinden morfine soms met ‘terminaal’. Ze denken: als ons kind morfine moet hebben, zal het wel doodgaan. Dat gaat zelfs zover dat ze soms geneigd zijn de pijn die het kind voelt als minder ernstig voor te stellen. We moeten ze dan duidelijk maken dat pijnbestrijding met morfine het herstel bevordert. Het kind heeft minder stress, een betere afweer en het kan zich makkelijker bewegen.

Inzichten staan niet stil

Hoe verpleegkundigen over dit alles denken en hoe ze er in de praktijk mee omgaan, wordt in de eerste plaats bepaald door de ervaring op het werk, ontdekte Broekhof. “Kijken hoe je collega’s omgaan met pijn, daar leer je van. En je eigen ervaring: je verandert in de loop van de jaren. Je vindt nu bijvoorbeeld dat je vroeger wel eens de pijn bij een kind onderschat hebt. Ja, misschien denken we over tien jaar wel weer anders. Inzichten en opvattingen staan niet stil.”

Wat gaat het WAKCJ doen met het onderzoek? “Pijn wordt als aandachtsgebied nog belangrijker”, denkt Broekhof. "Op alle kinderafdelingen komen pijnmeetinstrumenten. Er is natuurlijk altijd wel iets voor verbetering vatbaar. Het voornaamste is toch dat verpleegkundigen niet van hun eigen opvattingen uitgaan, maar luisteren naar de patiënt.’’

Dit artikel is een publicatie van Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).
© Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 29 juni 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.