Je leest:

Hoe langer hoe groter

Hoe langer hoe groter

Auteur: | 11 juli 2003

We zien het allemaal om ons heen: Nederlanders worden steeds groter. Iedere nieuwe generatie is weer langer dan de vorige. Maar er zijn ook achterblijvers: kinderen die niet goed groeien. Het Barge Forum was dit jaar gewijd aan de ‘reusachtige groei’ van de Nederlanders. De sprekers, prof. dr. George Maat en prof. dr. Stenvert Drop, gaven Cicero een voorproefje.

Dat Nederlanders steeds langer worden lijkt een eeuwenoud gegeven. We verbazen ons over de lage deurposten in zeventiende-eeuwse hofjes en we maken daaruit op dat de lengte van onze landgenoten steeds alleen maar is toegenomen. Toch zouden de bewoners van Valkenburg (ZH) uit de eerste en tweede eeuw na Christus niet opvallen tussen hun nazaten in 1955. De gemiddelde lengte van de Valkenburgse mannen in de oudheid was 175,9 cm, terwijl een normale Nederlandse man in 1955 175,5 cm mat. Tussen die twee tijdstippen zit een dal dat een paar honderd jaar duurde: van de late middeleeuwen tot halverwege de negentiende eeuw. Vandaar de lage deurposten. Anatoom en fysisch antropoloog prof. dr. George Maat hield op het Barge Forum, op 5 juli, een voordracht over het verband tussen lengtegroei enerzijds en gezondheid en welvaart anderzijds.

Rijk dieet

Uit eigen onderzoek en uit de literatuur heeft Maat gegevens over 21 groepen uit twintig eeuwen. De vergelijking betreft alleen mannen, want daar richt het meeste onderzoek zich op. Zo heeft Maat zelf skeletten van walvisvaarders op Spitsbergen onderzocht: uitsluitend mannen. De meeste groepen zijn onderzocht aan de hand van skeletten, maar er zijn ook metingen aan levende mensen verricht: kandidaten voor schutterijen. Uit de skeletten is nog veel meer op te maken dan alleen lengte. Infecties bijvoorbeeld en gebreksziekten zoals rachitis, het gevolg van een tekort aan vitamine D (aangemaakt uit zonlicht en dierlijke vetten). Ook het omgekeerde komt voor: zo vertonen de 23 kanunniken uit de periode 1070 tot 1521 die in Maastricht zijn opgegraven, tekenen van een te rijk dieet. Maat: “Die zijn niet alleen langer dan hun tijdgenoten, maar je ziet bij hen in extreme mate het verschijnsel dat bindweefsel in bot wordt omgezet. Dat duidt op te veel en goed eten.”

Uit de vergelijking blijkt een duidelijk verband tussen lengte en gezondheid. De lange Valkenburgers uit het begin van onze jaartelling waren relatief gezond en welvarend. Maat: “De bevolkingsdichtheid was zo laag, dat infectieziekten weinig voorkwamen. En je ziet in die skeletten ook geen tekenen van gebreksziekten.” Dat is in de Gouden Eeuw wel anders: de burgers van Leiden (1650-1800) en de walvisvaarders op Spitsbergen (1642-1800) zijn gemiddeld tien centimeter korter. In beide groepen kwam rachitis voor, zij het meer bij de walvisvaarders. Het grootste verschil tussen de twee groepen zit hem in de infectieziekten: de walvisvaarders op Spitsbergen hebben daar zoals te verwachten minder last van. Er zijn geen gevallen aangetroffen van tweezijdige beenvliesontsteking aan het scheenbeen, een belangrijke maatstaf voor de infectiedruk op de bevolking. Veel slechter zijn de inwoners van ’s Hertogenbosch (1830-1858) eraan toe. Weliswaar meten ze drie centimeter meer, maar beenvliesontstekingen en rachitis komen veel vaker voor.

Liters graan

Zowel voor ’s Hertogenbosch als voor Leiden moet de negentiende eeuw een dieptepunt zijn geweest. De Leidse burgermannen zaten rond 1900 nog steeds op 166 centimeter, het minimum van twintig eeuwen. Zij hadden nog geen deel aan de opgaande trend die in de tweede helft van de negentiende eeuw inzette, als gevolg van het begin van de industriële revolutie in Nederland rond 1870. Maat heeft de gegevens over skeletten afgezet tegen het geschatte bevolkingsaantal van Nederland van nul tot nu, gestaag oplopende getallen met een terugval tussen 1300 en 1400, en tegen de geschatte lonen in de periode 1500 tot 1800. Die lonen worden uitgedrukt in liters graan, dus de hoeveelheid voedsel die ervoor te koop was. In 1800 was dat maar drievijfde van de hoeveelheid van drie eeuwen eerder. De omkering vindt plaats rond 1870 als de lonen sneller gaan stijgen dan de prijzen. De bevolking raakt steeds beter doorvoed maar wordt ook talrijker. “Eigenlijk is Nederland veel te dicht bevolkt”, verzucht Maat. “We hebben alleen geleerd infecties met allerlei kunst- en vliegwerk onder de duim te houden.”

Met de industriële revolutie en bijbehorende verstedelijking gaan de hygiënische omstandigheden in eerste instantie niet vooruit. Eerst moeten nog, in het begin van de twintigste eeuw, waterleiding en riolering aangelegd worden. Maar in 1955 is de Nederlandse man gemiddeld 175,5 centimeter, bijna terug op het peil van Valkenburg aan het begin van de jaartelling. Dan gaat het hard: naar 178 in 1965, 182 in 1980 en 184 in 1997. Bovendien is de groeiperiode afgenomen: we zijn eerder uitgegroeid en op onze definitieve lengte beland. Het einde is nog niet in zicht. Ook in andere West-Europese landen heeft de twintigste eeuw een groeispurt laten zien, maar alleen in Nederland neemt de gemiddelde lengte nog steeds toe. Zijn de groeicondities in Nederland beter dan bijvoorbeeld in Scandinavië? Maat: “Dat lijkt me niet waarschijnlijk. Eerder denk ik dat de genetische drempel onder de bevolking hoger ligt. We hebben gewoon het maximaal haalbare nog niet bereikt.”

Inhaalgroei

Een dertiger die nu een gemiddelde lengte heeft, zal dus over enkele decennia aan de kleine kant zijn. Maar let wel: het verhaal van Maat betreft uitsluitend gemiddelden. Om het gehoor op het Barge Forum eraan te herinneren dat de werkelijkheid grote uitschieters kent, vertelde prof. dr. Stenvert Drop over de behandeling van te kleine kinderen. Is het te bedoeling dat iedereen even lang wordt? “Dat willen we helemaal niet en daar zijn we ook niet mee bezig”, reageert Drop, kinderendocrinoloog in het Erasmus Medisch Centrum. “Het is zeker niet de bedoeling dat we de natuurlijke regulering van de groei verstoren. Maar er zijn een paar afwijkingen, waarbij vroegtijdig ingrijpen loont. Daarmee kun je veel psychosociaal leed voorkomen.” Drop legt uit dat de lengte van de mens voor ongeveer 75 procent bepaald wordt door de lengte van zijn ouders. Door externe oorzaken zoals infecties kan groeivertraging optreden, maar die wordt doorgaans gecompenseerd door inhaalgroei. Het gaat Drop om kinderen bij wie die inhaalgroei niet optreedt of onvoldoende is.

Het eerste voorbeeld is een kind met een aangeboren stoornis in de aanmaak van groeihormonen door een defect in het gen dat de hypofyse aanstuurt. Toedienen van groeihormonen aan zulke kinderen heeft al enkele decennia veel succes en naar de juiste dosering en het beste begintijdstip is inmiddels veel onderzoek gedaan. Drop: “Er zijn kinderen die helemaal geen groeihormonen aanmaken, maar ook kinderen bij wie het wat minder is. Je houdt altijd een grijs gebied: is dit een afwijking of niet? Het blijft moeilijk om de grens te trekken. Gelukkig heeft de Nederlandse Groeistichting richtlijnen ontwikkeld die de diagnose wat gemakkelijker maken. Een van de klinische kenmerken is de groeisnelheid.”

Eierstokken

Een derde groep kinderen heeft de groeiachterstand al voor de geboorte opgelopen. Ze zijn ‘klein voor de zwangerschapsduur’ geboren, vaak doordat de placenta niet goed werkt. Het grootste deel van deze kinderen haalt de groeiachterstand helemaal in. Maar 15 à 20 procent blijft mager en klein. “Ook bij deze groep blijken groeihormonen een gunstig resultaat te hebben, hoewel het probleem niet ligt in een gebrek daaraan”, zegt Drop. Toch heeft niet iedereen die te klein is baat bij groeihormonen. “Er is ook nog zoiets als een idiopathische kleine gestalte. Het effect van groeihormonen is zeer beperkt bij die groep. Aan de andere kant heb je afwijkingen als achondroplasie, dwerggroei, waarbij groeihormonen ook nauwelijks werken. Kort samengevat: je moet goed kijken naar botvorming en naar de voorgeschiedenis, onderscheid maken tussen aangeboren en verworven stoornissen en die waar mogelijk behandelen. Daarna komen groeihormonen in beeld.”

Dit artikel is een publicatie van Cicero (LUMC).
© Cicero (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 11 juli 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.