Je leest:

Hoe kinderen leren verwijzen

Hoe kinderen leren verwijzen

Auteur: | 12 januari 2010

Afhankelijk van de situatie, kun je gebruikmaken van verschillende verwijsvormen. Deze geven bijvoorbeeld weer of een onderwerp al bekend is bij de luisteraar, of juist niet. Hoewel de koppeling tussen verwijswoord en betekenis nog niet zo makkelijk lijkt, leren kinderen dit al op jonge leeftijd. Daarbij zijn ze wel afhankelijk van het taalaanbod uit hun omgeving, zo blijkt uit het proefschrift van Margot Rozendaal. Voor haar proefschrift ontving zij de LOT-dissertatieprijs.

In het Nederlands kun je op vele manieren verwijzen naar poezen: de poes, een poes, zij, of die. Verwijzen wordt in de taalkunde referentie genoemd en datgene waarnaar verwezen wordt, bijvoorbeeld de poes, de referent. Maar welke manier gebruik je nu eigenlijk wanneer?

Aanwezig en actief

Met de vorm die je kiest, geef je een signaal af aan de luisteraar. Je geeft ermee aan in hoeverre je verwacht dat de poes aanwezig en/of actief is in het geheugen van de luisteraar. Met de onbepaalde vorm een poes geef je de luisteraar bijvoorbeeld het signaal dat de poes nieuw en niet-actief is voor hem. Denk maar aan de zin: We hebben sinds vorige week een jong poesje. Op deze manier kan je het poesje in je verhaal introduceren. Met het persoonlijk voornaamwoord ze of zij geef je aan dat het dier al bekend is en ook actief in het geheugen. Bijvoorbeeld doordat zij al eerder onderwerp van gesprek was, zoals in: We hebben sinds vorige week een jong poesje. Ze hangt de hele dag in de gordijnen! Kinderen moeten, als deel van hun taalontwikkeling, al deze verschillende vormen leren. Maar ook moeten ze leren in welke situatie welke vorm het meest passend is.

Het onderzoek

Aanwezigheid en activering zijn vrij abstracte begrippen. In dit onderzoek zijn ze iets tastbaarder gemaakt, door ze te vertalen naar de functie van de referent in de zin. Deze functies gaan in de volwassenen taal vaak samen met een bepaalde voorkeursvorm. Zo verwijzen we in het Nederlands (maar ook in andere talen, zoals bijvoorbeeld het Engels en Frans) meestal met een onbepaalde vorm naar niet-specifieke referenten.

KRISnFRED, flickr

In het voorbeeld hieronder verwijst de moeder naar een (nog) niet bestaande, dus niet-specifieke, ketting met een onbepaalde vorm: een onbepaald lidwoord en een zelfstandig naamwoord.

Moeder: Nou, wat ga je nou doen? (Moeder van Matthijs 2 jaar; 3 maanden) Moeder: Wil je een ketting rijgen?

De onbepaalde vorm wordt ook gekozen als een referent nieuw en onbekend is. Voor referenten die al bekend zijn, en misschien ook al eerder genoemd in het gesprek, gebruiken we meestal een bepaalde vorm of een persoonlijk of aanwijzend voornaamwoord:

Kind: Hier nog een puzzel. Moeder: Oh, moet die ook nog afgemaakt? (Moeder van Matthijs, 2 jaar; 3 maanden) Moeder: Maak die ook nog maar even af.

Vormkeuze bij kinderen

Eerder onderzoek toonde aan dat kinderen soms pas in hun zesde levensjaar geleerd hebben welke vorm ze wanneer moeten gebruiken. Maar die resultaten waren gebaseerd op onderzoek waarin kinderen een verhaaltje moesten vertellen. Dat is best een lastige taak: behalve dat het kind een vormkeuze moet maken, moet het ook nog eens op de verhaallijn letten. Het is best mogelijk dat kinderen in hun dagelijkse spraak wél de juiste vorm kiezen. Daarom is in dit onderzoek het gebruik van verwijsvormen in spontane conversaties onderzocht bij twee- en driejarige kinderen. Het onderzoek is uitgevoerd op het Nederlands, Engels en het Frans. Zo kon worden nagegaan of de vorm (hieronder: een koekje) en de functie (‘niet-specifiek’) na elkaar of gelijktijdig worden aangeleerd. Bovendien kon zo bekeken worden of bepaalde kenmerken van de input (of: het taalaanbod) van invloed zijn op de verwerving.

Vroege verwerving

Uit het onderzoek blijkt dat sommige vorm-functiekoppelingen vrijwel gelijktijdig met de verwerving van de vorm verschijnen. In de drie onderzochte talen wordt de onbepaalde vorm van jongs af aan veel gebruikt: om een referent simpelweg te benoemen, iets wat kleine kinderen vaak doen, of voor niet-specifieke referentie, zoals in:

Kind: Arjen moet ook een koekje. (Abel, 3 jaar; 0 maanden)

Het verschijnen van deze vorm-functiekoppelingen blijkt onafhankelijk te zijn van de snelheid waarmee het lidwoord wordt verworven. Zo verwerven Franstalige kinderen het lidwoord meestal eerder dan Engelstalige, die gemiddeld weer eerder zijn dan Nederlandstalige kinderen. De verwerving van vorm-functiekoppelingen volgt dit verschil op de voet. Dit blijkt wel uit onderstaande voorbeelden van benoemen van referenten. Het Franse kindje is een half jaar jonger dan het Nederlandse kindje.

acpl, flickr

Toch benoemen ze allebei op dezelfde manier, met een onbepaald lidwoord en zelfstandig naamwoord:

Kind: Oeh, dat is een koekje (Abel 3 jaar; 0 maanden)

Kind: Ça c’est un gros camion rigolo. (Grégoire, 2 jaar; 6 maanden) “Dat is een grote, grappige vrachtwagen

Invloed van volwassenen

In sommige gevallen hebben kinderen een langere periode nodig om de vorm-functiekoppeling te maken. Zo gebruiken kinderen vaak een zelfstandig naamwoord in plaats van een voornaamwoord voor referenten die al eerder genoemd zijn in het gesprek. Een voorbeeld is het herhaald gebruik van fire engine.

Moeder: Remember when you took the ride on the fire engine? “Weet je nog dat je een ritje met de brandweerwagen hebt gemaakt?” Kind: I see a tiny little puppy on the fire engine and I go on a fire engine and the fire engine is noisy.“(Peter 2 jaar; 6 maanden) “Ik zie (zag) een klein hondje op de brandweerwagen en ik ga (ging) op een brandweerwagen en de brandweerwagen maakte geluid.”

De vraag is natuurlijk waarom het soms langer duurt voordat kinderen erachter komen welke vorm ze het beste kunnen gebruiken. Dit kan verklaard worden vanuit eigenschappen van de input. Zoals de mate van consistentie onder volleerde taalgebruikers. Volwassenen gebruiken namelijk ook weleens een zelfstandig naamwoord voor gegeven referenten, zoals in het voorbeeld hieronder: de ramen. Of ze gebruiken een voornaamwoord voor nieuwe referenten, vooral als deze in de omgeving aanwezig is en er gewezen kan worden, zoals het gebruik van ie, wat verwijst naar een (nieuw) poppetje.

Onderzoeker: Dat zijn de ramen, hè? Onderzoeker: Ja. Onderzoeker: Hé. Onderzoeker: Waarom moeten de ramen ook dicht? (onderzoeker tegen Abel, 3 jaar; 3 maanden)

Onderzoeker: Nemen we dit als deur. Onderzoeker: Kijk, doen we die hier. Onderzoeker: Kan ie hier naar binnen toe. (onderzoeker tegen Abel, 3 jaar; 3 maanden)

Theory of Mind

Ook uit eerder onderzoek weten we dat kinderen gedurende lange tijd het bepaald lidwoord foutief gebruiken, zoals het gebruik van de jongens hieronder.

Onderzoeker: He, he, maar vertel eens even van die bibliotheek. Kind: Eh zijn allemaal boekjes. Onderzoeker: Ja. Kind : En van Flipper. Onderzoeker: Ja. Kind: Toen ging toen toen ging de jongens slapen. (Abel 3 jaar; 3 maanden)

Deze foute vormkeuze wordt meestal verklaard door te verwijzen naar de Theory of Mind: het vermogen je een voorstelling te maken van andermans gedachten. Onderzoekers gaan ervan uit dat het kind uit het voorbeeld nog niet kan inschatten dat de onderzoeker de jongens uit het boekje niet kent. Daarom kiest het voor een bepaalde vorm, die past bij nieuwe referenten die wel bekend zijn.

Taalaanbod

Dit onderzoek toont aan dat de Theory of Mind niet de enige mogelijke verklaring is voor dit ontwikkelingspatroon. De frequentie van de vorm-functiekoppeling in de input speelt waarschijnlijk ook een rol. Verwijzingen naar onbekende referenten komen niet tot nauwelijks voor in de taal tussen volwassenen en kinderen. Dat komt omdat ouders met hun kinderen meestal praten over referenten in het hier-en-nu. Kinderen horen het gebruik van onbepaalde lidwoorden voor nieuwe en onbekende referenten dus niet zo vaak.

Uit dit onderzoek blijkt dat de verwerving van vorm en functie van verwijswoorden meestal tegelijkertijd plaatsvindt. Ook heel jonge kinderen maken dus, in tegenstelling tot wat voorheen vaak werd aangenomen, al veel correcte vorm-functiekoppelingen. Bovendien toont dit onderzoek voor het eerst aan dat er een duidelijke invloed op het verwervingspatroon is waar te nemen van het taalaanbod.

Lees verder op Kennislink:

Taalverwerving is betekenis zichtbaar maken Praatjesmakers en draaihoofden Kindertaal: Kennislinkdossier

Dit artikel is een publicatie van Kennislink (correspondentennetwerk).
© Kennislink (correspondentennetwerk), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 januari 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.