Je leest:

Hoe ‘football’ het veld ruimde voor ‘voetbal’

Hoe ‘football’ het veld ruimde voor ‘voetbal’

De vernederlandsing van Engelstalige voetbaltermen

Auteur: | 1 juni 2010

Nederland staat straks vast weer op zijn kop als Oranje in actie komt op het WK voetbal. Al sinds de Eerste Wereldoorlog is voetbal volkssport nummer één. Maar om deze status te bereiken moest er eerst wel een taalstrijd worden beslecht.

Voetbal is van oorsprong een Engelse sport, die vanaf de negentiende eeuw over de hele wereld begon aan te slaan. In Nederland was HFC uit Haarlem in 1879 de eerste voetbalclub, waarbij alleen jongens uit de hoogste sociale kringen waren aangesloten. Sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder was eind negentiende eeuw namelijk een elitaire bezigheid. Arbeiders, voorzover ze in hun spaarzame vrije tijd al wilden sporten, werden door ballotagecommissies van clubs als HFC vakkundig buiten de deur gehouden.

Het elitaire karakter van HFC verried zich destijds eigenlijk al door zijn naam. De afkorting stond voor ‘Haarlemsche Football Club’. Geen ‘voetbalclub’ dus, maar ‘football club’. Die keuze was niet voor niets, want in die tijd werden de voetbaltermen direct uit het Engels overgenomen, en anders dan nu werd die taal toen nog als chic ervaren.

HFC in 1887. HFC stond voor ‘Haarlemsche Football Club’; in die tijd werden voetbaltermen direct overgenomen uit het toen als chic ervaren Engels.
Collectie Spaarnestad Photo

En niet alleen in het welvarende Haarlem was voetbal iets van de elite. Volgens socioloog Cees Miermans, die in 1955 onderzoek deed naar de achtergrond van Nederlandse internationals, was slechts zo’n twee tot drie procent van de spelers van het Nederlands elftal tussen 1894 en 1918 afkomstig uit ‘het volk’. De voetballers uit de allerhoogste kringen vormden in die tijd de absolute meerderheid in de nationale teams: ongeveer 85% was met een gouden lepel in de mond geboren. Tot de Eerste Wereldoorlog was voetbal dan ook een kleine sport. In 1900 waren er 2400 spelers aangesloten bij de Nederlandsche Voetbalbond, de voorloper van de KNVB, en in 1910 waren dat er 7500. Maar vlak daarna zou dat heel anders worden.

Soldaten

Hoe sporttaal zich ontwikkelde, is in Nederland nog niet grondig onderzocht, maar door het toenemende aantal gedigitaliseerde krantenbestanden, die makkelijk te doorzoeken zijn op termen als sporttaal, is er een eerste glimp van op te vangen.

De Nieuwe Taalgids bijvoorbeeld besteedde er in 1914 uitgebreid aandacht aan. Het tijdschrift wilde weten waar de belangstelling voor die vreemde taal onder voetballende jongeren vandaan kwam.

Men kocht het spelmateriaal van Engelse firma’s, men las reglementen in het Engels, en zelfs waar vertaling gemakkelijk was of Nederlandse woorden voor de hand lagen, handhaafde men in de hogere, meest Engels kennende kringen waar deze sport beoefend werd, de vreemde taal. Zo sprak men van match, record, handicap, jury, refery, umpire, van trainen, starten, spurten, racen, pacen, scoren, tossen, peddelen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog brak voetbal door bij andere bevolkingsgroepen – met name bij de volkse milieus – die het Engels niet machtig waren. In die jaren maakten jongens en mannen uit heel Nederland kennis met deze sport tijdens een gedwongen verblijf in het leger. Zij waren opgeroepen voor het geval Nederland zijn neutraliteit zou verliezen en alsnog betrokken zou raken bij deze oorlog.

Omdat dit – gelukkig – niet gebeurde, begonnen de soldaten zich te vervelen. Er werden zelfs al revolutionaire soldatenraden opgericht om, net als in Rusland en Duitsland, het kapitalisme omver te gooien. Om dit te voorkomen zette de legerleiding de soldaten aan het voetballen. Met succes, want terwijl Pieter Jelles Troelstra in 1918 tevergeefs de socialistische revolutie uitriep, brak het voetbal definitief door als volkssport.

Kameleon

De soldaten die na de oorlog huiswaarts keerden, richtten meteen hun eigen clubs op. Het aantal leden van de voetbalbond groeide op die manier spectaculair: in 1920 waren het er 48.000 en weer tien jaar later zelfs 98.000. In slechts dertig jaar was het aantal voetballers dus verveertigvoudigd!

De cijfers van Miermans lijken te bevestigen dat deze nieuwe spelers vooral uit lagere sociale milieus afkomstig waren, want van 1918 tot 1929 kwam 53% van de internationals uit een volks milieu. Binnen het Nederlandse voetbal had zich in korte tijd een revolutionaire sociale verandering voorgedaan.

Dat was interessant voor taalkundigen, meende De Nieuwe Taalgids in 1914:

Als een sport populair wordt, worden die woorden als Nederlands eigendom beschouwd, of door Nederlandse vervangen. De vernederlandsing van klank en accent is een natuurlijk proces; de vertaling of vervanging geschiedt deels onopzettelijk.

Zo gebeurde het inderdaad op straat, zoals de beroemde voetbalverslaggever ir. Ad van Emmenes (1897-1989) – de vader van Viola Holt – schreef over zijn jeugd:

We hadden een straatkluppie, we wisten wat hens was en friekik en kool, we hadden een flauw, zij het tamelijk onwezenlijk begrip van afseit. We wisten, dat we bij de aftrap zes jaars van de tegenpartij af moesten staan, we wisten dat de metskaptein moest tossen. Maar van spelpeil en spelkwaliteit hadden we niet de minste notie.

Het is een mooi voorbeeld van straatjochies, die Engelse begrippen als free kick, goal, offside, yards, toss en captain vernederlandsten zonder goed te weten waarover ze het hadden. De volgende stap was het vinden van Nederlandse equivalenten, die wél door iedereen werden begrepen. De voetbaltaal paste zich in die tijd als een kameleon aan het Nederlands aan, waar een elitaire sport als cricket dat niet deed, net zomin als het tennis.

Engelsch radbraken

Natuurlijk ging die overgang van het Engels naar het Nederlands niet van de ene op de andere dag. In 1895 ergerde taalkundige en strijdbaar socialist Hendrik C. Muller zich nog verschrikkelijk aan het Engelse voetbaltaaltje. In het Algemeen Handelsblad van 30 juni van dat jaar schreef hij het artikel ‘Vreemde vogels onder Nederlandsch dak’. Alsof hij Van Emmenes en zijn vriendjes net was tegengekomen op straat, merkte hij op:

Men ziet soms dreumesen, als een vuist zoo hoog, Engelsche woorden radbraken, zoodat zij weinig meer zijn dan zinlooze klanken.

Met Muller spraken veel taalkundigen schande van dit oprukkende Engels in de Nederlandse taal. Op congressen en artikelen stelden ze daarom Nederlandse equivalenten voor. Race moest bijvoorbeeld worden vervangen door wedloop of wedren, en match door wedstrijd. Traineeren was hetzelfde als oefenen.

Zelfs de woorden start en record gingen taalpuristen te ver. De heer D. ter Haar uit Warga bedacht hiervoor in 1894 enkele equivalenten in De Kampioen, op 4 maart 1894 aangehaald in het Algemeen Handelsblad. “Start? Was u dit ernst?”, schamperde hij. Dit begrip kon volgens hem beter worden vervangen door afrit. En record kon worden ingeruild voor grondtijd en grondafstand. Niet alle puristische ideeën sloegen aan, want wie heeft het tegenwoordig over afrit of grondtijd? Maar een woord als wedstrijd redde het dus wel.

Een anonieme brievenschrijver in de Tilburgsche Courant van 6 januari 1898 vond die nieuwe begrippen maar onzinnig. Als een taal zich met nieuwe woorden verrijkt, moeten de huiskamergeleerden zich daar niet mee bemoeien. “Puristen zijn uitersten en als zoodanig hoogst onaangenaam in den omgang”, beet de brievenschrijver van zich af. Hij vertegenwoordigde echter een minderheid, want zelfs de Nederlandsche Voetbalbond waarschuwde voor het oprukkende Engels. In 1909 stuurde de bond een circulaire aan de sportpers met “het verzoek te willen bevorderen, in sporten in de eerste plaats in voetbalberichten, zooveel mogelijk het gebruik van Engelsche termijnen te vermijden en die te vervangen door Nederlandsche woorden”. Verder dan deze algemene oproep kwam het kennelijk niet, want geen enkele krant vermeldde welke woorden de bond liever wél had willen zien.

Sportieve macht

Al dan niet aangestuurd door taalkundigen of voetbalbestuurders sijpelde met de toenemende populariteit van de sport steeds meer Nederlands de voetbaltaal in. Maar het werkte ook de andere kant op: het gebruik van het Nederlands was ook een voorwaarde om de gewone man het voetbalveld op te krijgen Zoals de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 4 september 1912 meldde:

Wanneer we werkelijk de sport – voornamelijk het voetbalspel, dat ongetwijfeld meer is ingeburgerd dan cricket – tot een volkszaak willen maken, dan moeten we beginnen met de spelnamen hun abracadabra-karakter voor de groote massa te ontnemen.

Na ruim een eeuw voetbal in Nederland kunnen we zeggen dat dat inmiddels gelukt is. Er is relatief weinig Engelstalig abracadabra meer op het veld.

Start en record hielden weliswaar stand in de Nederlandse sporttaal, maar een begrip als yards verdween, net als free kick, offside of wing (nu: vrije trap, buitenspel en vleugel – en de yards van toen maakten plaats voor het metrieke stelsel). Penalty en strafschop worden nu door elkaar gebruikt, en wat het belangrijkste is: football is voetbal.

Dankzij dit verkennende bronnenonderzoek weten we nu globaal hoe de taal heeft bijgedragen aan de populariteit van voetbal, en andersom. Als volgend jaar ook vooroorlogse sporttijdschriften digitaal toegankelijk zijn gemaakt, kunnen de taaldeskundigen eens echt aan het werk.

Voor dit artikel is gebruikgemaakt van het historische krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek.

Lees ook:

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 juni 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.