Je leest:

Het wonder van de Waddenzee

Het wonder van de Waddenzee

Auteur: | 12 mei 2001

Decennia lang hielden kogel, PCB’s en virussen de zeehond eronder. Maar de eens kwakkelende waddenzee-ambassadeur is terug – en hoe. De populatiegroei doet ecologen versteld staan.

Niemand heeft meer zeehonden gezien dan dr. ir. Peter Reijnders. Hij doet dan ook sinds 1972 jaarlijks terugkerende tellingen vanuit een vliegtuig. In 1976 turfde hij nauwelijks vijfhonderd dieren – een historisch dieptepunt. In die tijd promoveerde de zeehond tot ambassadeur van een door vervuiling bedreigde Waddenzee.

Het lot van dit zeezoogdier toont als geen ander de invloed van de mens op de natuur in Nederland. Reijnders: ‘Eerst was er de jacht. Toen die in 1961 in Nederland werd verboden, volgde een korte opleving, waarna het aantal weer begon te dalen door vervuiling met PCB’s en DDT. Halverwege de jaren zeventig begon de populatie weer licht te groeien, maar dat kwam vooral door immigratie van jonge dieren uit de schonere Duitse wadden, toen ook daar de jacht stopte. Met de Nederlandse populatie bleef het slecht gaan: de reproductie bleef laag.’

Toch stegen de aantallen geleidelijk tot 1054 in 1987 maar een jaar later nam moeder natuur het heft in handen: een virusepidemie decimeerde de populatie. ‘In 1989 telden we maar 500 dieren, dat is slechts veertig procent van het aantal dat er zonder de epidemie zou zijn geweest.’

Duitse immigranten

Tien jaar later is de gewone zeehond talrijker dan de meeste ecologen hadden durven dromen. Bovendien is sinds1980 de grijze zeehond bezig met een stevige opmars. ‘Of ik ooit had gedacht dat de zeehond zich zo zou herstellen? De manier waarop is echt wonderbaarlijk. In de Nederlandse wadden is de gemiddelde groeisnelheid van de gewone zeehond sinds 1989 zeventien procent per jaar – inclusief instroom van jonge zeehonden uit de Duitse wadden. Voor het totale internationale waddengebied is de groeisnelheid ruim twaalf procent. Dat is ontzettend hoog en nog nooit eerder waargenomen bij zeehondenpopulaties in een dergelijk ecosysteem.’ De groeisnelheid zit vlakbij de intrinsieke groeisnelheid van dertien procent voor deze diersoort; het kan met andere woorden nauwelijks sneller toenemen.

Volgens Reijders blijkt dat ook uit de onderliggende getallen die iets zeggen over de fitness van de populatie. 1989 is een omslagpunt geweest. Het geboortepercentage lag rond dertien procent voor 1989 en is daarna gestegen tot negentien procent. De jeugdsterfte nam af van 65 naar 40 procent en ligt inmiddels nog lager op dertig procent. De sterfte onder volwassen dieren nam af van twaalf naar zeven procent.

Vijfduizend zeehonden

De virusepidemie blijkt een zegen te zijn geweest voor de fitness van de zeehond in de Nederlandse wadden. Volgens Reijnders heeft er naar alle waarschijnlijkheid selectieve sterfte plaatsgevonden: dieren met hoge concentraties PCB’s in hun weefsels legden eerder het loodje. Er zijn verschillende gegevens die zijn hypothese ondersteunen. Bijvoorbeeld dat volwassen mannetjes stierven, omdat die in tegenstelling tot vrouwtjes geen PCB’s kwijtraken via de moedermelk. Of dat onder jong-volwassen dieren minder slachtoffers zijn gevallen doordat jonge dieren minder PCB’s hebben opgestapeld dan oudere.

Nu zou het zo kunnen zijn dat naarmate de jonge dieren verouderen, ze weer met PCB’s vergiftigd raken, maar dat blijkt niet het geval. Tussen 1975 en 1988 is het PCB-gehalte in zeehondenweefsel al met zestig procent gedaald en die trend zet door. De huidige toestand van de zeehond in de waddenzee is dus goed, aldus Reijnders. Hij verwacht bij dezelfde groeisnelheid dit jaar ongeveer 3900 gewone zeehonden te tellen. ‘Ervan uitgaande dat je dertig procent van de dieren niet ziet betekent dat een populatie van rond de 5500 dieren.’

Afschot

‘De vraag is nu: waar gaat het naartoe, waar ligt het evenwicht? De populatie verdubbeld met de huidige groeisnelheid iedere vier jaar. Het vermoeden is toch dat de toename op een gegeven moment afvlakt.’ Op basis van afschotgegevens uit het begin van de twintigste eeuw berekent Reijders dat er toen tussen de zesduizend en zestienduizend zeehonden rondzwommen – dat aantal is gecorrigeerd voor de verdwenen Zuiderzee en Lauwerszee.

‘Waar de populatiegroei zich nu gaat stabiliseren hangt af van de ecologische draagkracht van het waddengebied – voedsel en gunstige ligplaatsen – maar het hangt ook af van het gebruik door mensen, van pleziervaart en recreatiedruk. Verstoring beïnvloedt ook de populatiegroei. Er zullen dus politieke keuzes moeten worden gemaakt. Maar ik verwacht dat het herstel voorlopig even zal doorgaan.’ De aanwas van zeehonden heeft ook geleid tot een Wetenschappelijk Platform Zeehonden Waddenzee, dat dit jaar met aanbevelingen komt voor het toekomstige zeehondenbeleid. Ook Reijnders heeft daar zijn inbreng.

‘Je krijgt nu heel andere kwesties. Eerst waren het vragen naar de factoren achter alle ellende in de jaren zeventig. De nieuwe onderzoeksvragen zijn van een heel andere orde. Zoals het inpassen van menselijk gebruik van de waddenzee – visserij, recreatie – bij een sterk groeiend zeehondenbestand. Ben je dan niet eens uitgerechercheerd?, zou een Vlaming zeggen. Nee dus, het blijft spannend.’

Ziekte en dood zijn meelijwekkende natuurverschijnselen

Een zeehondenpopulatie van vijfduizend dieren produceert meer zieke en dode exemplaren dan een van vijfhonderd. De overheid worstelt met een beladen natuurverschijnsel.

Het Wetenschappelijk Platform Zeehonden Waddenzee heeft de taak om alle informatie en vragen rond zeehond op een rij te zetten.

Toenemende recreatie, waddenvisserij, opvang en exponentieel toenemende zeehondenpopulatie vragen om een kunststukje van polderbeleid. Want hoe geef je een beschermde diersoort de ruimte, en ‘creëer je draagvlak’ bij alle betrokkenen: recreanten, vissers, natuurbeschermers en ecologen.

Onaangeroerde waddennatuur is een door velen gedeeld ideaal, maar weinigen kunnen na het struikelen over een verzwakte zeehond daarom hulp onthouden. Twintig jaar geleden vormde dat geen tegenspraak. Onder het adagium ‘iedere zeehond is er een’ werden alle zieke dieren waar mogelijk opgevangen en weer uitgezet: goed voor het dier én het ecosysteem. Maar is de opleving van de zeehond nu reden om de opvang af te schaffen?

‘Opvang is niet meer absoluut noodzakelijk voor het voortbestaan van de zeehond in de Waddenzee. Dat onderschrijf ik en de zeehondencreche volledig’, zegt viroloog prof. dr. Ab Osterhaus, lid van het Platform en voorzitter van de wetenschappelijke commissie van zeehondencreche in Pieterburen. ‘Maar door de opvang te handhaven heb je een early warning systeem bij uitstek om ziekte-uitbraken te signaleren, plus de expertise om te achterhalen wat er in het wild met de dieren gebeurt. De zeehond is een indicator voor het hele ecosysteem.’

Volgens de Utrechtse Bio-ethicus Frans Stafleu, die in opdracht van het Platform een ethische analyse van het vraagstuk maakte, is de controverse minder groot dan de polarisatie doet vermoeden. ‘Kijk, de Waddenzee is geen Antartica. Er is menselijke invloed, dat kan je niet ontkennen.’ En hoewel niet alle ziekte onder zeehonden meer aan menselijke ingrepen kan worden toegeschreven, is dat geen reden om met opvang te stoppen. ‘Het is een deugd om een dier in nood te helpen. Maar het individuele dier is niet het belangrijkste in de opvang, ook niet voor degene die zieke zeehonden verzorgen. Het ideaal blijft een florendende populatie. Je geeft het dier een tweede kans – met de mogelijkheid van lijden en dood. Als je dat wil vermijden, zou je de dieren ook niet loslaten.’ De discussie verandert pas als blijkt dat opvang de zeehondenpopulatie schaadt. En daar zijn vooralsnog geen bewijzen voor.

Het gevaar bestaat wel dat de opvang te efficiënt kan worden, aldus Stafleu. ’Je kan niet alles opvangen. Wat dat betreft ben ik voorstander van een opvangquotum – een bepaald percentage van de populatie.

Overschrijding zou dan een waarschuwing kunnen zijn dat er iets misgaat.’ Het aantal opgevangen zeehonden stijgt de afgelopen jaren met 23 procent per jaar. In 2000 waren het er 204. De toename correleert goed met de populatiegroei. De laatste twee jaar stijgt het aantal opgevangen zeehonden echter harder dan verwacht. Probleem daarbij is wel dat de zoekinspanning van vrijwilligers niet is gekwantificeerd. ‘Daar wordt nu hard aan gewerkt, al heb ik niet de indruk dat er intensiever wordt gezocht’, aldus Osterhaus.

Een afweging van de voors- tegens en voorwaarden van opvang is ingewikkeld en beladen. De Landbouwambtenaren staan nog voor een lastige taak om beleid te maken. De zeehondenopvang zal ongetwijfeld blijven voortbestaan, maar zal ook ongetwijfeld moeten veranderen. Stafleu: ‘Dit onderwerp leent zich niet voor zwart-wit redeneringen.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 mei 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.