Je leest:

Het sociaal angstige brein in de scanner

Het sociaal angstige brein in de scanner

Auteur: | 8 november 2007

Bang om een feestje te bezoeken of een vergadering bij te wonen? Voor 5% van de Nederlandse bevolking is de angst voor sociale bijeenkomsten zo groot, dat er sprake is van een sociale angststoornis.

‘Vermijding is kenmerkend voor deze mensen’, zegt klinisch en neuropsychologe Karin Roelofs. Naar dit vermijdingsgedrag, en de aansturing ervan door hormonen en de hersenen, is echter nog weinig onderzoek gedaan. Roelofs gaat hier verandering in brengen met behulp van een Vidi-subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Vidi-winnares Karin Roelofs onderzoekt het vermijdende gedrag van mensen met een sociale angststoornis.

Gedrag

‘Onderzoek naar de sociale angststoornis heeft zich de afgelopen decennia hoofdzakelijk gericht op de gedachten en gevoelens die met de stoornis gepaard gaan’, vertelt Roelofs. ‘Het vermijdende gedrag is daarbij onderbelicht gebleven, terwijl dat juist cruciaal is voor het voortduren van de stoornis. Iemand die consequent sociale situaties mijdt, houdt zijn angst in stand.’ De psychologe begrijpt wel waarom er tot nu toe weinig onderzoek is gedaan naar het gedrag van de patiënten en de neurologische basis daarvan. ‘Er was tot voor kort geen methode voorhanden om vermijdingsgedrag objectief te meten, laat staan in een hersenscanner. Die methode is er nu wel.’

Joystick

Welke methode is dat? Roelofs legt uit: ‘In het laboratorium, maar ook in de scanner, kunnen we proefpersonen plaatjes van blije en boze gezichten laten zien op een computerscherm. De helft van de tijd moeten proefpersonen een joystick naar zich toe bewegen als ze een blij gezicht zien en van zich af duwen als ze een boos gezicht zien. De andere helft van de tijd gelden de omgekeerde instructies. Het blijkt dat proefpersonen in de eerste situatie sneller reageren dan in de tweede, omdat de instructies in de eerste situatie in overeenstemming zijn met de natuurlijke neiging van mensen om toenadering te zoeken tot een blij gezicht en zich af te wenden van een boos gezicht.’

Experiment in de hersenscanner: de proefpersoon krijgt de opdracht een joystick naar zich toe te trekken of van zich af te duwen bij het zien van blije en boze gezichten.

Stress

Eerder onderzoek wijst erop dat sociale stress de werking van de prefrontale cortex ontregelt bij mensen die lijden aan een sociale angststoornis. Roelofs gaat dit nader onderzoeken door patiënten in een hersenscanner de eerder beschreven joystick-taak te laten verrichten. De psychologe kan dan zien of specifieke delen van de prefrontale cortex betrokken zijn bij het controleren van de toenaderings- en vermijdingsreacties op blije en boze gezichten. Roelofs laat patiënten de taak ook onder stress uitvoeren, door hen vooraf te laten deelnemen aan een nagebootst sollicitatiegesprek. Ze verwacht dat de stress leidt tot een sterkere activatie van de amygdala bij het zien van boze gezichten (sterkere lichamelijke reactie), maar juist tot een minder sterke activatie van de prefrontale cortex (minder sterke regulatie van de lichamelijke reactie). ‘De reactie op bedreigingen van buitenaf is daardoor disproportioneel. Dat zou het hardnekkige vermijdingsgedrag van de patiënten kunnen verklaren’, aldus Roelofs.

Dwarsdoorsnede van de hersenen. Een deel van de prefrontale cortex (geel in de scan) vertoont hoge activiteit bij het reguleren van angstreacties.

Hormonen

De ontregeling van de prefrontale cortex zou volgens de Vidi-winnares het gevolg kunnen zijn van de hormonen die vrijkomen bij sociale stress. ‘Uit dieronderzoek weten we dat hoge niveaus van de stresshormonen cortisol en noradrenaline samengaan met sterk vermijdingsgedrag. Ik ga onderzoeken of dit ook bij patiënten met een sociale angststoornis het geval is. Door cortisol en noradrenaline selectief te blokkeren, kunnen we te weten komen of zij van invloed zijn op vermijdingsgedrag. Als dat zo blijkt te zijn, kunnen we patiënten hopelijk helpen door de effecten van stresshormonen tijdelijk te onderdrukken. Wanneer de patiënten dan worden blootgesteld aan de door hen gevreesde situatie, kunnen zij hun angstreacties waarschijnlijk beter reguleren.’

Ontwikkeling

Wanneer gaat het eigenlijk voor het eerst mis bij mensen die lijden aan een sociale angststoornis? ‘Opvallend aan deze stoornis is dat hij zich al op vroege leeftijd manifesteert’, zegt Roelofs. ‘Interessant genoeg gebeurt dit in de periode waarin de biologische stress-systemen de sterkste ontwikkeling doormaken. Nog een aanwijzing dus dat stresshormonen een cruciale rol spelen in het ontstaan en voortduren van de stoornis. Daarom is het belangrijk om ook onderzoek te doen naar de ontwikkeling van de stoornis bij kinderen en volwassenen.’

Integratie

Roelofs hoopt dat de door haar vergaarde kennis ook toepasbaar zal zijn op andere angststoornissen, zoals de post-traumatische stress-stoornis. ‘De integratie van de klinische psychologie en de neuropsychologie levert ons veel nieuwe inzichten op over psychische stoornissen’, zegt ze. ‘Ik juich het dan ook van harte toe dat NWO veel geld in dit soort projecten investeert.’

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 08 november 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.