Je leest:

Het nieuwe krijgen

Het nieuwe krijgen

Auteur: | 9 april 2007

Het werkwoord krijgen kreeg er een jaar of tien geleden een toepassing bij. Sindsdien kun je gerust zeggen ‘Ik krijg dat niet naar Polen gemaild’ of ‘Hoe krijg ik dat eiwit zo snel geklopt?’ Dat lijkt misschien een onbeduidende betekenisuitbreiding, maar er is méér aan de hand. Joop van der Horst over een verandering die een centraal hoofdstuk van onze grammatica raakt.

Soms krijg je niet bedacht wat er allemaal fout kan gaan. Deze eerste zin is niet van mij; hij stond in een brief die ik onlangs kreeg. Geen persoonlijke brief, maar een algemeen schrijven, gericht aan velen. Ik denk dat de opsteller van die brief hooguit dertig is. Een zin om lang over na te denken. Vooral wegens dat krijgen. De betekenis van dat woord is door de eeuwen heen verschillende keren veranderd. Ik herinner mij dat mijn grootvader weleens zei: “Krijg jij die doos eens uit de kast.” Dat bevreemdde me, toen ik zes of tien was. Het was duidelijk dat ik niets kreeg, en dat ik alleen maar even die doos voor hem moest pakken. Ik vond dat een raar gebruik van krijgen.

Later ben ik het vaker zo tegengekomen. Het was dus niet iets uitzonderlijks van mijn grootvader. Honderd jaar geleden (mijn grootvader was van 1880) was het zelfs de gewoonste betekenis van krijgen. Top Naeff schrijft rond 1935 in een van haar boeken: “(…) en hij stond op om uit een valies de broodjes te krijgen.” Zelf ben ik een product van de geboortegolf van na de Tweede Wereldoorlog; ik heb krijgen door oudere mensen dikwijls zo horen gebruiken, ik heb het ook veel zo gelezen, maar zelf zal ik het nooit doen. Blijkbaar ben ik net van de volgende generatie, die het zo niet meer gebruikt.

Zonder inspanning

De oudste betekenis van krijgen die we kennen, is ‘door inspanning verkrijgen’. Waarschijnlijk is ook krijgen in de betekenis ‘oorlog voeren, strijden’ (vergelijk krijgsheer) zo ontstaan. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw raakte de inspanning op de achtergrond. Een boek uit de kast krijgen (= pakken) vergde zelfs voor een zes- of tienjarige al geen grote inspanning meer. Ongeveer ter hoogte van mijn generatie, meen ik, verdween de notie van inspanning zelfs geheel. Wie nu voor zijn verjaardag een boek krijgt, hoeft daar juist helemaal niets voor te doen. Krijgen is meer en meer gaan betekenen ‘zomaar verwerven, zonder enige inspanning’.

‘t Is te zeggen: in bepaalde toepassingen. Want soms is er nog steeds enige inspanning mee gemoeid. Bijvoorbeeld in ’Ik krijg die vlek niet weg’, ‘Ik krijg het niet voor elkaar’, ‘Ik krijg het niet over mijn lippen’ en het akelige modieuze ‘Ik krijg het niet op mijn netvlies’ (voor: ‘Ik zie dat nog niet zo’).

Intussen ondergaat krijgen weer een verandering. Ik probeer vast te stellen wat er precies nieuw is aan de eerste zin van dit artikel. Want ook al zou ik het zelf nooit zo zeggen, het lijkt me buiten kijf dat anderen het wel zo zeggen. Bijvoorbeeld in ‘Ik krijg dat niet naar Polen gemaild.’ En daar is niets mis mee. Het werkwoord krijgen heeft blijkbaar een nieuwe toepassing gekregen. Ik noem het: ‘het nieuwe krijgen’. Is het trouwens echt iets nieuws?

Het gebruik van mijn grootvader en zijn generatie laat ik nu maar verder buiten beschouwing. Voor mij is dat voorgeschiedenis. Ik beperk me tot de situatie uit mijn jeugd (de situatie van midden twintigste eeuw), en dat noem ik ‘het oude krijgen’. Om een overzicht te hebben van de toestand, ik bedoel: zowel van het oude krijgen als van het nieuwe krijgen, verzamel ik een flink aantal voorbeelden. Een uiterst praktisch middel daartoe blijken de twee cd-roms met alle jaargangen Onze Taal: een massa teksten van 1932 af tot en met 2000, en we laten de computer zoeken op ‘krijg*’. Dankzij het sterretje wordt niet alleen krijg gezocht, maar ook krijgt en krijgen. Inderdaad ook enkele krijgsheren en krijgshandelingen, en enkele keren krijg in de betekenis ‘oorlog’, maar die kunnen we gemakkelijk uit onze verzameling verwijderen. Helaas telt het programma het aantal treffers niet, maar het zijn er enige duizenden. Ruim voldoende voor een overzicht van het gebruik van krijgen.

Het oude krijgen

Afgezien van enkele bijzondere gevallen, kunnen we alle gebruikswijzen van het oude krijgen in twee typen verdelen:

a met alleen maar een lijdend voorwerp (‘Ze krijgt een boek’) b met een lijdend voorwerp en tevens een bepaling van gesteldheid (‘Ze krijgt het in handen’)

Bij elk van beide types nu een kleine toelichting. Het lijdend voorwerp bij krijgen is soms heel concreet ( een flesch citroensap, gestoofde leeuwerik), maar vaker niet. Er zijn ook een massa min of meer vaste verbindingen bij, zoals gelegenheid krijgen, het gevoel krijgen, een hekel krijgen, opdracht krijgen, vorm krijgen en je zin krijgen. Of zelfs geheel vaste verbindingen, zoals er genoeg van krijgen, ervan langs krijgen, het moeilijk krijgen. Ook blijkt al gauw dat we dikwijls niet aan ‘bezit’ moeten denken:

- Mengt men gele en blauwe verf, dan krijgt men een groene verf(1949). - Ach, een paar van die boekenwoorden is niet zo erg. Maar als ze overal staan, dan krijg je zo’n quasiplechtstatige tekst(1976). - Als je alle invallen achter elkaar zou uitwerken, krijg je nog geen goed opgebouwde tekst(1994).

Het zal niet eenvoudig zijn om precies uit te leggen wat nu precies de betekenis is van krijgen. Wel kunnen we, dunkt me, vaststellen dat in al deze gevallen er hoegenaamd geen inspanning aan te pas komt.

Dat is deels anders in groep b, de gevallen van krijgen waar tevens een zogenoemde bepaling van gesteldheid in het spel is. Er zijn drie ondersoorten. De bepaling van gesteldheid is ofwel (bi) een voorzetselgroep of een bijwoord: iets of iemand in handen krijgen, onder ogen krijgen, tegen zich krijgen, naar binnen krijgen, onder de knie krijgen, over de vloer krijgen, voor elkaar krijgen, uit krijgen, afkrijgen. De bepaling van gesteldheid kan ook de vorm hebben van te + werkwoord (dat noemen we groep b2): te zien krijgen, te horen krijgen, te vertalen krijgen, te behandelen krijgen, te slikken krijgen, te dragen krijgen. Ofwel, derde mogelijkheid: de bepaling van gesteldheid is een voltooid deelwoord (groep b3): iets toegestuurd krijgen, aangeboden krijgen, overhandigd krijgen, iets niet gepubliceerd krijgen, gedaan krijgen.

In wisselende mate heeft krijgen in de drie b-groepen (bi, b2 en b3) nog wel iets van de oude betekenis waarbij inspanning te pas komt. Maar ook hier geldt: het gaat in veel gevallen niet of nauwelijks om ‘bezit’. Watje wel kunt zeggen: het gaat om een ‘hebben’.

Maar ‘hebben’ is eveneens veel ruimer dan bezit. Want behalve geld en goederen kan men ook een kind hebben, of een gouden idee, een hekel, een vriendin of een akelige ziekte. Het lijkt wel alsof de basisbetekenis van krijgen omschreven moet worden als: ‘geraken in een toestand van hebben’, ‘tot hebben geraken’. En dat men in toenemende mate alles kan ‘krijgen’ wat men kan ‘hebben’.

Tot zover de schets van het gebruik van krijgen van midden twintigste eeuw. Het oude krijgen dus. Ik heb trouwens de indruk dat tussen 1932 en 2000 de frequentie van dit werkwoord sterk toegenomen is, maar dat is voorlopig enkel een indruk. Ik weet nog niet hoe ik dat precies moet meten.

Het nieuwe krijgen

Het nieuwe krijgen heb ik precies drie keer in de teksten aangetroffen. Let op de jaartallen:

- [zo moeilijk] dat ik dit type fout bijna niet uitgelegd krijg(1993). - die krijgt toch geen zinnig mens ooit geleerd(1996.). - De lezer vraagt zich af hoe hij dit eiwit zo snel geklopt krijgt (1996).

Ik ben niet erg handig met computers en het is mogelijk dat een enkel geval me ontgaan is. Toch meen ik er niet ver naast te zitten als ik zeg dat het nieuwe krijgen ongeveer tien jaar oud is. Althans in de kolommen van Onze Taal. Het is op dit moment in de spreektaal, en dan vooral bij jongere taalgebruikers, zeer gangbaar, in Vlaanderen evenzeer als in Nederland. Gangbaar naast het oude krijgen moet ik zeggen, want dat blijft vooralsnog volop voortbestaan. Er is dus voorlopig alleen maar iets bij gekomen. Niet in de plaats van iets anders.

Wat is er nieuw aan dat nieuwe krijgen? De combinatie van een lijdend voorwerp en een voltooid deelwoord bestond toch al (type b3)? Ja, maar de constructie is nu anders. Dit is het verschil: het onderwerp van het tweede werkwoord (het voltooid deelwoord) is nu hetzelfde als dat van het eerste werkwoord. ‘Ik krijg dat niet uitgelegd’ is ‘Het lukt me niet dat uit te leggen’, ‘Ik kan het niet uitleggen’. Evenzo: ‘Het lukt hem dit eiwit te kloppen.’ Vergelijk het maar eens met het oude krijgen in groep (b3): ‘Ze kreeg het rapport overhandigd’,‘(…) toegestuurd’,’(…) aangeboden enz., waarbij het iemand anders is die overhandigt, toestuurt of aanbiedt. Bij het nieuwe krijgen is degene die krijgt dezelfde als degene die uitlegt, leert, klopt, enz.

Echt iets veranderd

Nu we zover gekomen zijn, doen zich allerlei vragen voor. Bijvoorbeeld: hoe kon zo’n grote stap gezet worden? Dat laat zich waarschijnlijk verklaren door de vele zinnen waar de stap weinig opvalt. Bijvoorbeeld bij ‘Ik krijg dat niet gedaan.’ Bij het oude krijgen gaat het om andermans doen. Een zin als ‘Ik krijg dat (bij de gemeente) niet gedaan’ (‘Het lukt me niet dat men het voor me doet’), kan makkelijk overgaan in ‘Ik krijg het niet gedaan’ (‘Het lukt me niet het te doen’). Evenzo een zin als ‘Dat krijg je vast wel gepubliceerd’: dezelfde gebeurtenis kan immers verteld worden als ‘Hij publiceert een boek’ maar ook als ‘De uitgever publiceert zijn boek.’ Bij het oude krijgen is de gedachte dat de uitgever het voor je publiceert (‘Het lukt je vast wel dat het gepubliceerd wordt’); bij het nieuwe krijgen dat je het zelf publiceert (‘Het lukt je wel het te publiceren’).

Een anders gestructureerd geval, maar even geschikt om de overgang geleidelijk te laten verlopen is ‘Hij krijgt zijn comp er niet gestart.’ Ook hier zijn weer twee patronen denkbaar: ‘Het lukt hem niet dat de computer start’, en ‘Het lukt hem niet de computer te starten.’ Per saldo zijn allerlei zinnen op twee manieren op te vatten. En zo kon de overstap zich bijna ongemerkt voltrekken. Maar als we in 1993 zinnen als “[zo moeilijk] dat ik dit type fout bijna niet uitgelegd krijg” aantreffen, is het zonneklaar dat er echt iets veranderd is. Blijkens de context is er namelijk geen sprake van dat aan deze persoon iets uitgelegd wordt; nee, de leraar is aan het woord. Geen twijfel mogelijk: het onderwerp van krijgen is hier hetzelfde als dat van uitleggen.

Hulpwerkwoord

De verandering, die voorlopig enkel een uitbreiding is, is belangrijker dan misschien op het eerste gezicht lijkt. Er zijn honderden woorden die in de loop der tijden een ietsepietsie andere betekenis krijgen: iedere nieuwe editie van de woordenboeken toont dat aan. Maar wat hier bij krijgen gebeurt, raakt een centraal hoofdstuk van onze grammatica.

Juist doordat het onderwerp van het voltooid deelwoord voortaan identiek kan zijn aan dat van krijgen, wordt krijgen tot zoiets als een hulpwerkwoord. En dan nog wel een hulpwerkwoord van een heel speciaal type: een hulpwerkwoord dat gecombineerd wordt met een voltooid deelwoord. Van dat soort waren er tot dusverre drie in onze taal: zijn, worden en hebben. Het ziet ernaar uit dat het nieuwe krijgen in feite een nieuw hulpwerkwoord is. Waarbij de relatie tussen zijn en worden als het ware weerspiegeld wordt in de relatie tussen hebben en krijgen. Zoals worden het proces aanduidt waarbij men geraakt tot i>zijn, zo wordt krijgen gebruikt om het proces aan te duiden waarbij men tot hebben geraakt.

Als het waar is wat ik hier veronderstel, dan beleven wij met het werkwoord krijgen thans wat circa duizend jaar geleden gebeurd is met hebben. Want alle taalkundigen zijn het er wel over eens hoe hebben van zelfstandig werkwoord (‘Hij heeft een koe’) zich ontwikkeld heeft tot hulpwerkwoord (‘Hij heeft een boek geschreven’). Dat is gegaan via zinnen met een bepaling van gesteldheid erin (‘Hij heeft twee vrienden in huis’).

Oorspronkelijk betekende ‘Hij heeft twee vrienden vermoord’ zoveel als ‘Hij heeft twee vermoorde vrienden’, ‘Twee van zijn vrienden zijn vermoord’. Evenzo betekende ‘Hij heeft een schip gebouwd’ ‘Hij heeft een gebouwd schip’. Meer en meer kreeg dat de interpretatie dat hij het zelf bouwde. Oftewel: meer en meer werd het onderwerp van gebouwd identiek aan het onderwerp van hebben. En zo zijn we dan, duizend jaar geleden, aan onze constructie gekomen ‘Hij heeft een schip gebouwd.’ Als krijgen nu dezelfde weg gaat, en de eerste schreden lijken gezet, komt naast hebben een werkwoord dat het ‘geraken tot hebben’ uitdrukt, niet ongelijk aan worden dat ‘geraken tot zijn’ uitdrukt.

Of de verandering werkelijk zal doorzetten, is een andere vraag. Het nieuwe krijgen is op dit moment zeker heel algemeen verbreid, maar dat zegt niet alles. Er zijn ook beperkingen. Zo valt het bijvoorbeeld op dat het in de meeste gevallen optreedt met een ontkenning: ‘Ik krijg dat niet…’ Noodzakelijk is die ontkenning echter niet. Er zijn in het verleden wel meer voorbeelden aan te wijzen van taalveranderingen die er veelbelovend uitzagen, maar die uiteindelijk toch geen doorgang vonden. We zullen moeten afwachten. Wat overigens een beetje een dooddoener is: de opkomst van een nieuw hulpwerkwoord is een proces dat lang kan duren. Langer dan u en ik gaan meemaken.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 09 april 2007
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.