Je leest:

Het moedergen

Het moedergen

Auteur:

Volgens de populaire boeken over man-vrouwverschillen zit bij moeders het zorgen in de genen ingebakken. Helaas krijgen die boeken zowel vanuit de antropologie, de archeologie, de gedragsbiologie als de psychologie ongelijk. Hoe zit het dan wel? Een zorggen lijkt wel degelijk te bestaan, maar is niet exclusief aan mama voorbehouden: papa heeft hem ook.

Toen ik voor het eerst een enorme poepluier verschoonde, heb ik er wel even op staan wachten: mijn moedergen, dat me nu zou gaan vertellen hoe ik dit moest aanpakken. Helaas, voordat een complete zorgencyclopedie uit mijn genen op mij neerdaalde begon mijn dochtertje te krijsen en nam ik – stuntelig en onzeker – de billendoekjes ter hand. Een ongebruikelijke ervaring, als we het man-vrouwonderzoek mogen geloven. Terwijl vaders van nature kostwinners zijn, zijn moeders immers geboren verzorgers: het zit hen in de genen. Toch?

Susan Pinker meent in ieder geval van wel. In het veelbesproken boek ‘De sekseparadox’ zet zij uiteen waarom vrouwen liever in ieder geval een deel van de tijd bij hun gezin zijn en dus niet als mannen een intrinsieke behoefte voelen een topcarrière na te jagen. Sterker nog, vrouwen die dat wel doen zijn ongelukkig en gaan in tegen hun empathische natuur, aldus de schrijfster. Ze laten zich in een mannenrol kisten, terwijl ze eigenlijk beter zijn toegerust om voor man en kinderen te zorgen.

Het is een miljoenenindustrie: boeken die ons vertellen dat mannen en vrouwen verschillend geboren worden en daarom gedoemd zijn hun leven te slijten in wederzijds onbegrip. De wetenschappelijke basis van zulke beweringen varieert meestal van flinterdun tot afwezig.

Kinderen van onverschillige moeders worden opgegeten

Dat vrouwen gemiddeld ietsje empathischer zijn dan mannen heeft volgens Pinker een biologische basis die ligt in de oertijd of nog verder, bij onze aapachtige voorouders. “Kinderen van zorgzame, intuïtieve moeders hadden meer kans op voedsel en bescherming tijdens hun lange leertijd op weg naar volwassenheid, terwijl kinderen van onverschillige moeders vaker van honger omkwamen of werden opgegeten”, meldt ze.

Iets verderop vertelt Pinker wat zij precies verstaat onder zorgzaamheid: voeden, besnuffelen, verzorgen en knuffelen. Wat ze voorstelt is dus in feite natuurlijke selectie op een gen dat ervoor zorgt dat je graag aan je baby frunnikt. Het enige alternatief dat Pinker ziet voor deze grotzittende en grotendeel passief verzorgende moeder – vader komt in het beeld niet voor – is een moeder die niets om haar kind geeft en het daarom laat doodgaan.

Gelukkig kunnen moeders wel meer met hun kinderen samen doen dan snuffelen en knuffelen.

Of had mama iets beters te doen?

Dit beeld is niet alleen bijzonder cru en zwart-wit, het is ook onjuist. Uit het antropologisch onderzoek naar ‘primitieve stammen’ kennen we bijvoorbeeld de krachtige Hadza-moeders die, liever dan te wachten tot de man het groot wild thuiskomt, hun baby op hun rug binden en noten en vruchten gaan verzamelen. Agta-vrouwen doen hetzelfde als ze gaan jagen, of laten de kinderen thuis bij hun man. Als de manier waarop deze stammen moederen iets zegt over hoe onze voorouders in de steentijd leefden, dan kun je niet anders dan concluderen dat vrouwen allerminst passieve verzorgers zijn, of onverschillig, maar economisch zelfstandig en in staat het beste te maken van hun situatie.

De archeoloog Jim Adovasio is, samen met zijn twee mede-auteurs, dezelfde mening toegedaan in het pasverschenen boek ‘De onzichtbare vrouw’. Op basis van archeologische vondsten menen zij dat de oervrouw allerminst alleen maar in de grot zat te knuffelen met de baby. De schrijvers achten de vrouw verantwoordelijk voor een groot aantal essentiële uitvindingen die de menselijke soort in staat stelde te overleven, zoals het gebruik van naald en draad en de uitvinding van gesproken taal en landbouw.

Adovasio acht de vrouw verantwoordelijk voor de uitvinding van de landbouw. Veel wetenschappers gaat dat te ver. Zij denken dat beide seksen dit samen hebben bedacht, of dichten deze ontdekking toe aan de man. Waarom dat laatste logischer is dan Adovasio’s verklaring, blijft enigszins onduidelijk.

Onze oermoeders hadden dus wel wat beters te doen dan alleen maar kinderen zogen en babyteentjes tellen. Maar misschien is het moedergen wel ouder dan de eerste hominiden. Misschien zijn het wel de aapmoeders die een biologische blauwdruk voor babyzorg in het menselijk genoom hebben gestopt. Om dat aannemelijk te maken zouden we onder in ieder geval mensapen een groot aantal natuurlijke supermama’s moeten aantreffen, terwijl de aapvaders alleen op zondag het fruit komen snijden.

De aap die op zondag het fruit snijdt

Het beeld dat we van oudsher hebben van (mens)apen is dat de dominante mannetjes alle seks krijgen, maar zich niet langer om de apin en haar jongen bekommert als het duurt om haar te bevruchten. Het is ook een schoolvoorbeeld van vertroebelde waarneming door met name mannelijke biologen, die de vrouwtjesapen gewoonweg niet de moeite van het bestuderen waard vonden.

Het bestuderen van vrouwtjesapen was lange tijd niet gebruikelijk. Biologen namen (bewust of onbewust) aan dat de mannetjes er het meest toe deden – net zoals toen bij mensen het geval was.

Toen meer feministische biologen, waaronder Sarah Blaffer Hrdy, apen gingen bestuderen, zagen ze iets heel anders gebeuren. Bij bavianen zagen ze apinnen die alleen voor de vorm seks hadden met de alfamannetjes, maar die stiekem met aardige, minder agressieve aapmannen de bosjes in doken. Die lieve aapmannen ontpopten zich vervolgens tot ware ‘zorgvaders’: ze brachten vruchten aan en pasten in een enkel geval zelfs op de baby als moederaap zich bijvoorbeeld moest bemoeien met groepspolitiek of het afzetten van een al te vervelende leidersaap.

Zorgen voor het nageslacht is bij onze collega-primaten dus geen puur vrouwelijke aangelegenheid. Sterker nog: veel aapvrouwen en in ieder geval sommige mannetjes zijn uitermate geëmancipeerd. Bij bijvoorbeeld de tamarins en zijdeaapjes nemen de mannetjes zelfs het leeuwendeel van de zorg voor de kleintjes op zich. Als apen al een zorggen hebben, dan kan deze dus zowel bij de papa- als bij de mama-aap aanwezig zijn.

Bij tamarins zorgen de mannetjes voor de baby-aapjes

De ‘ontdekking’ van het vaderzorggen

Het heeft er ondertussen alle schijn van dat een moederzorggen niet bestaat. Als mensen al een zorggen hebben – en waarom niet? we hebben tenslotte nogal afhankelijke jongen die nogal wat aandacht en voedsel nodig hebben – dan zit het er dik in dat zowel vaders als moeders er mee zijn uitgerust. Tijd om de proef op Pinker’s som te nemen: is het inderdaad zo dat moeders (met hun empathisch ‘natuur’) betere ouders zijn dan de vaders?

In hun boek Bij gelijke geschiktheid besteden Rosalind Barnett en Caryl Rivers een paragraaf aan deze vraag. Daarin bespreken ze onder meer een wetenschappelijk onderzoek van Barbara Risman. Zij deed in 1986 al een studie naar hoe alleenstaande vaders hun kinderen verzorgen. Wat bleek? Ze ‘moederen’. De psychologen Hugh Lytman en David Romney kwamen vijf jaar later in een grote meta-analyse met in totaal bijna 30.000 ouders tot dezelfde conclusie: er is geen verschil in hoe vaders en moeders voor hun kinderen zorgen.

Papa en mama zijn even warm, even koesterend, ze troosten hun kinderen even goed, ze stimuleren het vertrouwen en onafhankelijkheid op dezelfde manier, stellen dezelfde grenzen en zijn even streng. In alle opzichten die er bij de opvoeding van een kind toe doen zijn vaders en moeders elkaars gelijken. Dus: bestaat het moedergen? Waarschijnlijk wel. Maar vaders hebben hem ook. Dát had ik moeten weten toen ik daar met die poepluier stond.

Dit artikel is een publicatie van LOVER.
© LOVER, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 25 maart 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE