Je leest:

“Het menselijk taalvermogen is uniek”

“Het menselijk taalvermogen is uniek”

Auteur: | 19 december 2007

Computationeel taalkundige dr. Jelle Zuidema doet onderzoek naar het leervermogen van grammatica van niet alleen mensen, maar ook van apen, vogels en walvissen. Aan de hand van computermodellen probeert hij de bouwstenen van taal te identificeren.

Vraagt u zich wel eens af hoe mensen een taal leren? Computationeel taalkundige dr. Jelle Zuidema van het Institute for Logic, Language and Computation (ILLC) startte in oktober een Veni-onderzoek naar het leervermogen van grammatica van niet alleen mensen, maar ook van apen, vogels en walvissen.

Fotograaf: Bob Bronshoff

Zuidema studeerde kunstmatige intelligentie, maar was ontevreden over de aangeboden afstudeerprojecten, dus studeerde hij af in de theoretische biologie op het onderwerp ‘modelleren van taalevolutie’. Door het bestuderen van simpele modellen wilde hij inzicht krijgen in de oorsprong van het menselijk taalvermogen. ‘Het menselijk taalvermogen lijkt iets unieks in het dierenrijk. De vragen hoe het komt dat wij mensen zo’n rijke taal hebben, en hoe de kloof tussen mens en aap is ontstaan, houden mij altijd al bezig’, zegt Zuidema.

Het waren grote vragen voor een afstudeerproject. Zijn promotieonderzoek besloot Zuidema dan ook op een iets bescheidener schaal aan te pakken. Hij keek vooral naar de culturele evolutie van taal, iets wat zich afspeelt op een tijdschaal van honderden of duizenden jaren. Vervolgens spitste hij zich tijdens zijn postdoc-periode toe op het leren van taal, iets dat kinderen in een periode van een paar jaar klaarspelen.

Binnen het vakgebied van de computationele taalkunde houdt Zuidema zich de laatste jaren vooral bezig met het zoeken naar een leeralgoritme voor grammatica: ‘Ik wil een computerprogramma ontwerpen waar de gebruiker honderdduizenden zinnen invoert en waar het programma dan zelf de grammatica in ontdekt.’

Fotograaf: Bob Bronshoff

Data

Zuidema haalt zijn data uit enorme databases met zinnen, waarop vaak al een taalkundige analyse is losgelaten. ‘De analyse is erg belangrijk. Als je een programma hebt gemaakt, wil je immers kunnen testen hoe goed het werkt. Het probleem is dat er heel veel verschillende theorieën zijn over taalontleding; taalkunde is een hopeloos verdeeld vakgebied. En een theorieneutrale evaluatie blijkt erg moeilijk.’

Er bestaan dus meerdere grammaticaregels binnen een taal, maar Zuidema heeft ook nog te maken met verschillende talen. ’Het Engels is een taal die veel gebruikt wordt in het taalkundig onderzoek, omdat die nou eenmaal veel gesproken wordt. Morfologisch gezien is het echter een vrij saaie taal. Turks of Russisch heeft bijvoorbeeld veel meer vervoegingen en verbuigingen.

Zelf vind ik het prettig om een beetje te snappen waar mijn onderzoek over gaat, dus ik werk met Nederlandse, Duitse en Engelse databases. Collega’s op het instituut werken met andere talen. Vanuit Amerika zit er bijvoorbeeld veel geld in onderzoek naar vertaalprogramma’s van het Arabisch.’ En met een knipoog voegt hij toe: ‘Ze hopen natuurlijk dat we automatische spionnetjes kunnen maken.’

‘Bewust riskant’ onderzoek

Naast mogelijke technologische toepassingen zoals het maken van betere automatische vertaalsystemen, heeft Zuidema’s onderzoek een meer cognitieve kant. Zo ontdekte hij dat de manier waarop een computer taal en de bijbehorende regels leert, overeenkomsten vertoont met de manier waarop kinderen een taal leren.

Met zijn Veni-beurs wil Zuidema nog een stapje verder gaan: hij wil niet alleen kijken naar de grammatica van mensentaal, maar ook de taal van dieren bestuderen. Hiermee hoopt hij antwoord te vinden op de vraag wat er uniek is aan de menselijke leervermogens waardoor we zoiets complex als taal kunnen leren.

‘Veel wordt uniek menselijk geacht, zonder dat daar gedegen onderzoek naar is gedaan.’ In samenwerking met biologen van de Universiteit Leiden gaat hij op zoek naar de taalregels van vogelzang. ‘Zoeken naar het verschil in complexiteit tussen de productie van geluidssignalen bij verschillende diersoorten en mensen, is best gewaagd’, aldus Zuidema. ‘Maar dat is volgens mij ook het idee van een ’Veni’, een subsidie die gaat naar ‘bewust riskant’ onderzoek.’

Fotograaf: Bob Bronshoff

Zingende muizen

‘Het is verbazingwekkend hoe weinig we nog weten van de communicatie bij dieren.’ Zuidema licht zijn verbazing toe door te vertellen over zingende muizen: de mannetjesmuizen verleiden hun vrouwtjes door te zingen. ‘Het meest bestudeerde laboratoriumdier en hier wisten we niets van!’ zegt hij enthousiast. ‘Dit is bij heel veel dieren het geval: ze produceren geluiden, maar wij weten niet wat daar de functie van is. Ik ga nu de regelmaat in deze geluiden bestuderen. Daarbij ga ik op zoek naar het leervermogen voor het ontdekken van deze regelmaat.’

Zuidema laat zijn computer luisteren naar de natuurlijke apen-, vogel- en mensentaal en meet de complexiteit van de patronen in de taal. Ook gebruikt hij geluiden die zijn opgenomen tijdens experimenten. ’De laatste jaren zijn er heel wat experimenten geweest waarbij je verschillende geluidspatronen aanbiedt, aan kinderen, volwassenen, apen, spreeuwen, zebravinken enzovoorts, om te kijken welke patronen ze kunnen oppikken en welke niet.

Een spreeuw bijvoorbeeld krijgt het geluidspatroon ABAB te horen. Hij moet dit geluid negeren, anders krijgt hij straf en gaat het licht uit. Maar op het patroon AABB moet hij wel reageren. Daarvoor krijgt hij als beloning een beetje eten. Als je zo’n spreeuw een paar weken in de kooi laat zitten en hem tienduizenden keren de geluiden laat horen, dan leert hij onderscheid te maken tussen de twee patronen. Dit spreeuwenonderzoek verscheen in Nature, en was voor mij een inspiratie om daar met mijn informatica-achtergrond naar te gaan kijken.’

Bij mensen is het een iets ander verhaal. ‘In een experiment creëren we een kunstmatige taal en proberen kinderen of volwassenen te trainen op het herkennen van bepaalde structuren. Ons idee is dat er op dit niveau al een kwantitatief verschil is tussen de leervermogens van mensen en die van andere diersoorten. En dat dit één klein onderdeel is van de verklaring waarom de menselijke taal zo complex geworden is in vergelijking tot communicatie bij dieren.’

Brokstukken

Van vertaalcomputers en de evolutie van taal, tot het analyseren van dierengeluiden: dit klinkt nogal breed. Toch bestaat er een duidelijke gemeenschappelijke deler in al het onderzoek waar Zuidema bij betrokken is. ‘Ik werk aan modellen die proberen de bouwstenen van taal te identificeren. Mijn programma’s verschillen met die van anderen op het punt dat de mijne ook grote brokstukken kunnen detecteren. Het Franse ‘il y a’ of het Duitse ‘es gibt’, zijn voorbeelden van woordcombinaties die je absoluut niet woord voor woord, maar als één standaardfrase wilt vertalen. Hier op het instituut werken we aan dit soort modellen waar de fundamentele bouwstenen van taal dus stukjes van woorden kunnen zijn, maar ook hele zinnen. Ik denk dat dit een belangrijke stap vooruit is in de grammaticaverwerving en de evolutie daarvan. Het gaat om de grote brokken.’

Fotograaf: Bob Bronshoff

Interdisciplinair

‘Ik vind het ontzettend leuk om met slimme mensen samen te werken. Het interdisciplinaire karakter is ook echt een voorwaarde voor mijn onderzoek. Je werkt samen met interessante mensen uit alle vakgebieden. Wat ik wel merk is dat er een enorme scheiding is tussen de theoretici en mensen die experimenteel werk doen. Aan de ene kant staan de mensen met hun wiskundige modelletjes, die geen voorspellingen willen doen over praktische zaken. Aan de andere kant heb je duizenden psychologen en taalkundigen die totaal geen interesse hebben in modellen en daar ook niets van weten. Dat vind ik heel jammer.’

‘Computationele taalkunde moet mijns inziens een vast onderdeel zijn van iedere taalkunde-opleiding. Eén reden is al dat de werkgelegenheidsperspectieven van taalkundigen rampzalig zijn, terwijl die van computationele taalkundigen fantastisch zijn. De hele wereld staat te springen om computationeel taalkundigen. En nu wil de Faculteit der Geesteswetenschappen de hoogleraarspositie computationele taalkunde opgeven. Dit is echt een ramp voor het vakgebied. We moeten juist ons best doen om de banden tussen beide kanten van het vakgebied te versterken.’

zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Universiteit van Amsterdam (UvA).
© Universiteit van Amsterdam (UvA), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 december 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.