Je leest:

Het medisch object

Het medisch object

Auteur: | 5 april 2013

Soms, na een nachtlang doorrijden of bij ziekte, kijk je in de spiegel en denk je: ben ik dat? Soms slaapt een arm en voelt die aan alsof deze niet van jezelf is. Pas als de bloedstroom weer op gang komt, voelt alles weer normaal.

Er zijn van die momenten waarop je je toeschouwer voelt van jezelf, van je lichaam, bijvoorbeeld wanneer je onder grote spanning staat, bij publieke optredens of bij indringende gebeurtenissen.

Het zijn zomaar wat voorbeelden van situaties waarin je lichaam je als vreemd en niet-eigen verschijnt. Meestal, in het gewone alledaagse leven, doet je lichaam wat je wil. Op een onnadrukkelijke en vanzelfsprekende manier voelt je lichaam vertrouwd en als van jezelf. De signalen die je lichaam geeft kloppen met hoe je jezelf en de wereld waarin we leven interpreteert. Maar er zijn ook momenten dat dit niet zo is. Het zijn momenten waarin je je niet langer thuis voelt in je lichaam; momenten waarin je lichaam niet van jezelf is, maar een lastig en onwillig ding, een hinderpaal of zelfs een bron van vervreemding.

In de fenomenologie, een belangrijke stroming in de twintigste-eeuwse filosofie, wordt het verschil tussen deze twee soorten ervaring wel aangeduid met de termen lichaam-subject en lichaam-object. Wanneer je je thuis voelt in je lichaam, wanneer er sprake is van een vanzelfsprekend en vertrouwd lichaam, dan valt je lichaam als het ware samen met jezelf. Ik, subject, voel me mezelf, met mijn lichaam, haast zonder dat ik het merk. Het lastige of vreemde lichaam is het lichaam dat zich aan ons voordoet als object. Ik, subject, ervaar mijn lichaam als een object, als een ding waar wat mee aan de hand is en dat mij uit de vanzelfsprekende vertrouwdheid rukt.

Zolang je je senang voelt is lichamelijkheid een strikt subjectieve beleving. Dat begint te veranderen op het moment dat je ziek wordt.

Fenomenologen hebben er overigens op gewezen op dat de scheiding tussen lichaam-subject en lichaam-object vaak niet zo absoluut is. Op de achtergrond van de vanzelfsprekende ervaring van onszelf zeurt er vaak toch wel iets van het lichaam als object: een brok in de keel, een onbestemd, onprettig gevoel in de buik, steken in de borst. Als dit soort ervaringen sterker worden kunnen ze de verhouding tot jezelf gaan domineren. De pijn is niet meer iets zeurderigs op de achtergrond, maar je wordt er telkens aan herinnerd. Je kunt je niet langer op gewone dingen concentreren, je kunt alleen maar aan die ene zere plek denken.

Emotioneel object

Wat zich voordoet in de ervaring, in het lichaamsgevoel, keert terug in de zintuiglijke waarneming. Meestal kijken en luisteren we niet heel gericht naar ons lichaam. Maar wie wil kan net zo lang naar zijn vingers staren tot hij denkt: zijn dat wel mijn eigen vingers? Hetzelfde geldt voor onze motoriek. Van de trap lopen of je hoofd bukken bij een lage tak zijn handelingen die automatisch worden uitgevoerd. Ons lichaam als ruimtelijk subject lijkt net zo vanzelfsprekend als het gevoelsmatig ervarende subject. Maar kijk uit: als je al te gefocust op je passen gaat letten bij het afdalen van de trap of bij het spelen van een partijtje tennis gaat het fout. Dan haper en struikel je.

Ook in de ervaring van ziekte is er sprake van een zekere objectivering en heb je te maken met het verschil tussen lichaam-subject en lichaam-object. In het geval van ziekte wordt de objectivering echter opgedrongen. Zodra je ‘patiënt’ wordt voelt er iets vreemd, iets wat er niet zat, pijn misschien. Je kan iets niet meer. In andere gevallen is er een onbegrepen verandering van functioneren, bijvoorbeeld moeheid of gebrek aan eetlust, een breuk in de vanzelfsprekendheid van het alledaagse. Juist het feit dat de verandering onalledaags is en met gewone middelen niet te begrijpen, versterkt de objectivering. Je kijkt nog eens extra, je wrijft over de aangedane plek, gaat na of er een verschil is met gisteren. Intussen gaan er allerlei gedachten door je hoofd: wat is er aan de hand, zou het zus of zo zijn? Is er misschien iets ergs aan de hand?

Soms denk of hoop je dat het beeld in de spiegel niet van jou is.

Nergens is de verhouding tussen het subjectieve en objectieve perspectief zo subtiel als wanneer het gaat om emoties. Meestal is de ervaring van een emotie opgenomen in de vanzelfsprekendheid van het alledaagse. Je voelt een vlaag van verdriet bij het zien van een film of je staat van opwinding te zwaaien en te springen op de tribune. Je emotionele lichaam voert je mee en je ervaart geen belemmering.

Even later kan alles weer gewoon zijn. In andere gevallen wordt je hinderlijk bepaald bij wat je lichaam met je doet, bijvoorbeeld als je bloost. Soms moet een buitenstaander je zelfs opmerkzaam maken op stemmingen en emoties. Een vriend zegt: ‘Joh, wat sta je er gespannen bij. Je staat stijf van de stress’. En dat terwijl je zelf nog het idee had dat het met die stress wel meeviel. Even later realiseer je je dat je eigenlijk al een paar weken pijn in je rug hebt.

Meestal is het lichaam waarvan je je tijdens emoties bewust wordt min of meer ‘transparant’. Het is doorzichtig, van binnenuit te begrijpen (met het voorbeeld van de rugpijn als grensgeval). De betekenis van de lichaamservaring is je duidelijk, soms direct, soms na enige reflectie, of op aangeven van anderen. Bij de lichaamservaring in het geval van ziekte is dat niet langer het geval. Ook na inspanning lukt het niet meer om je lichaam ‘te begrijpen’. Rationeel doe je wel pogingen, maar ze zijn niet ‘van jezelf’, ze komen niet van binnenuit. Je hebt de hulp nodig van een theorie, van kennis op internet, of de hypothese van een arts om het lichaam te begrijpen. Eigenlijk is er dan al van een ander soort begrijpen sprake dan wanneer je voelt en weet dat je gespannen, verdrietig, of enthousiast bent.

Object voor een arts

Een arts gaat nog een stap verder in het objectiveren van een lichaam. Het subjectieve perspectief wordt welbewust eventjes tussen haakjes geplaatst. Een patiënt vertelt een relaas en de arts luistert goed naar dat verhaal. Is er een medische reden tot zorg? Zo niet, dan kan patiënt worden gerustgesteld. Indien wel, dan volgen nader onderzoek en waar mogelijk behandeling.

Bij zoiets eenvoudigs als traplopen kun je beter niet nadenken.

Een arts handelt niet op basis van ongerustheid alleen. Er zit een stap tussen. Medisch handelen is gebaseerd op een idee, op een hypothese omtrent wat er aan de hand is, of in elk geval op het vermoeden dat de klachten en verschijnselen passen bij een bepaald ziektebeeld. Om daarover uitsluitsel te krijgen doet een arts onderzoek. Dat houdt een aantal dingen in: het richten van de blik (analyse), het uitpellen van de verschijnselen uit een groter geheel (abstractie) en het nader bestuderen van het verschijnsel (objectivering). Analyse, abstractie en objectivering zijn voorwaarden om medische kennis omtrent een bepaald verschijnsel te ontwikkelen.

De klinische blik van een arts gaat verder dan gewone opmerkzaamheid. Bij allerlei gewone vormen van opmerkzaamheid (ervaren, waarnemen, aandacht richten, ervaring van ziekte) blijft de ervaring van het lichaam als subject verondersteld. Maar de medische blik beperkt zich tot het lichaam als object, het lichaam dat apart wordt gesteld en waarvan een bepaald aspect of onderdeel aan nader onderzoek wordt onderworpen.

In de medische wetenschap gebeurt het bovenstaande ook allemaal, maar dan niet ten aanzien van één individu, maar in het algemeen, ongeacht de omstandigheden. Wetenschappelijke kennis over leukemie, reuma of schizofrenie moet geldig zijn ongeacht individuele variatie. Wetenschappers hebben een heel arsenaal aan methoden en technieken om die individuele variatie te elimineren. Ze corrigeren voor individuele variatie, ze richten de experimentele context zo in dat ze van die variatie geen last meer hebben, ze sluiten bepaalde eigenschappen uit van het onderzoek en ze gebruiken een breed scala van statistische technieken.

Metaforen

Er blijken dus drie niveaus van objectivering te bestaan: de objectivering waartoe je eigen opdringerige lichaam je soms dwingt, bijvoorbeeld in geval van pijn of bij sommige emoties of door lichamelijke klachten; de objectivering door de arts in de spreekkamer; en de objectivering door de wetenschapper. In de alledaagse objectivering blijft het lichaam als subject altijd voorondersteld en deel uitmaken van de ervaring. In het kennen van de arts is er een tijdelijke opschorting van kennis en ervaring van het lichaam als subject. In de wetenschap wordt het subjectieve lichaam geheel tussen haakjes geplaatst. Er is dus een conceptueel verschil tussen ervaringskennis, klinische kennis en vakwetenschappelijke kennis.

Bij het lichamelijk onderzoek door een arts wordt het lichaam ‘een object’.

Dat dit onderscheid meer is dan een filosofische exercitie blijkt uit het volgende verschijnsel. Wetenschappelijke kennis, zo wordt gezegd, staat niet langer op zich. Ze is publiek toegankelijk en dringt door in het alledaagse leven. Door opleiding en voorlichting weten mensen veel meer dan vroeger over hun lichaam. Mensen kijken vandaag niet meer onbevangen, maar als het ware door een wetenschappelijke bril naar hun lichaam. Ze hebben het over dichtgeslibde kransslagaderen als ze benauwd zijn en over overmatig actieve amandelkernen in de hersenen die verklaren waarom ze zo gestrest zijn. Leken spreken vandaag de taal van de professie. Dit verschijnsel staat bekend als protoprofessionalisering.

Het is belangrijk om het verschil tussen gewone opmerkzaamheid, klinische objectivering en wetenschappelijke objectivering te blijven zien. Niet alleen omdat je ernaast kan zitten met een quasiprofessionele duiding, maar ook omdat de metaforen die gebruikt worden bij het vertalen van wetenschappelijke kennis naar het alledaagse leven niet altijd waardevrij zijn. Metaforen hebben veel invloed. Een ongelukkige metafoor kan ertoe leiden dat zogenaamd in naam van de wetenschap een heel verkeerd beeld wordt gecreëerd. Een voorbeeld is de metafoor van de computer als het gaat om de werking van de hersenen, met de hersenen zelf als hardware en de functies als de software, tot en met het bewustzijn als het beeldscherm. Toonaangevende hersenwetenschappers hebben geklaagd dat deze fysische metafoor het denken over het brein als een biologisch orgaan decennia achterop heeft geholpen.

Quasiwetenschappelijke taal kan ook een legitimerende of verontschuldigende betekenis krijgen. Dat geldt vandaag voor allerlei ‘brain talk’: crimineel gedrag dat wordt toegeschreven aan niet goed functionerende spiegelneuronen of een onderontwikkelde frontaalkwab. Metaforen helpen een bepaald mens- of wereldbeeld in het zadel. Denk bijvoorbeeld aan de rol van technische metaforen: de cel als fabriekje (dat alles kan produceren), het DNA als taal (de genetische code als moleculair alfabet voor leerprocessen); genen en eiwitten als bouwstenen (het leven als bouwpakket).

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 april 2013

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.