Je leest:

Het maakbare huisdier

Het maakbare huisdier

Auteur: | 1 oktober 2008

Op 4 oktober is het dierendag, de dag om jouw hond, kat, vogel of konijn eens lekker te verwennen. Maar hebben ze dat eigenlijk wel verdiend? Bijna de helft van de Nederlandse baasjes heeft één of meerdere problemen met zijn of haar huisdier, maar misschien komt daar met genetische verbeteringen een einde aan.

Dierendag is een wereldwijde feestdag die al sinds 1930 in Nederland gevierd wordt. Oorspronkelijk herdenken we op deze dag het overlijden van de heilige Franciscus van Assisi op 4 oktober 1226. Tijdens zijn leven bekommerde deze heilige zich niet alleen om de armen, maar ook om alle planten en dieren. Sommigen fluisterden zelfs dat hij gesprekken met dieren kon voeren. Pas in 1929 werd Franciscus van Assisi gebombardeerd tot beschermheer van de dieren. Een internationaal congres van verenigingen voor de bescherming van dieren besloot dat jaar 4 oktober uit te roepen tot Werelddierendag.

Dierenbezitters gebruiken 4 oktober om hun huisdier eens lekker een dagje extra in de watten te leggen. Aangezien meer dan de helft van de Nederlandse huishoudens een huisdier heeft, kunnen de dierenwinkels zich ieder jaar op een flinke omzet verheugen. We verwennen onze hond, kat, konijn of vogel toch nog altijd het liefst met een lekkere snack of een leuk speeltje. Maar hoe komt het eigenlijk dat wij het zo goed met onze huisdieren kunnen vinden? De meest gehoorde term rond het houden van huisdieren is ‘gezelligheid’. Het woord gezelschapsdier is er dan ook niet voor niks. Baasjes leven zich helemaal in hun dier in en vertalen zijn gedrag vaak naar menselijke gedachten en emoties.

Een duidelijk voorbeeld van menselijke projectie komt naar voren uit onderzoek van de Engelse dierenarts David Main. In 2007 ging hij op bezoek bij 102 konijnen die als huisdier werden gehouden. Main bekeek 10 minuten lang het gedrag van de huiskonijnen in hun ‘natuurlijke’ omgeving. Konijnen die in hun eentje werden gehouden, besteden het grootste deel van hun tijd aan grazen, op en neer springen en rennen. Dieren die hun hok met één of meer soortgenoten deelden, vertoonden vooral sociaal gedrag. Voor het baasje maakt het echter niet zoveel uit wat het konijn doet, zo blijkt. Wanneer Main de eigenaren vroeg naar het gedrag van hun konijn was het antwoord negen van de tien keer: “Hij is altijd heel vriendelijk.”

Dat lang niet altijd alles koek en ei is tussen baas en huisdier ondervond dierenarts Nienke Endenburg toen zij in 1994 ruim 800 Nederlandse huisdiereigenaren ondervroeg. Het verharen van de dieren en het schoonmaken van de kooi staan hoog in de ergernissen top tien. Bovendien heeft 43% van de baasjes één of meer serieuze problemen met zijn of haar huisdier. Het gaat hierbij vooral om honden en katten met gedragsproblemen, waardoor zij bijvoorbeeld zorgen voor geluidsoverlast of de hele woonkamer overhoop gooien als het baasje even weg is. Overigens meldden de gebroeders Marder in 1985 al dat het gedrag van huisdieren niet per definitie ‘fout’ is. Zowel mens als huisdier hebben zo ieder hun eigen maniertjes, die soms met elkaar in conflict komen.

Gedrag op maat

Maar gelukkig, het gedrag van huisdieren is op een gemakkelijke manier te verbeteren, zo meldde de Australische psychologe Pauleen Bennett afgelopen zomer tijdens een internationaal congres over dierenwelzijn. Het gedrag van de hond, bijvoorbeeld, is in grote mate erfelijk bepaald. We kunnen dus proberen om de eigenschappen waar wij als baasjes blij mee zijn in de genen te fixeren.

Mensen kunnen het DNA van plant of dier veranderen met behulp van genetische modificatie. Vroeger vond deze modificatie plaats door het kruisen van vele generaties totdat de gewenste eigenschap blijvend aanwezig was in het ras. Op die manier maakten we honden bijvoorbeeld geschikt om schapen te hoeden of een slee te trekken. Tegenwoordig is een directe vorm van genetische modificatie mogelijk. Hierbij wordt een stukje DNA dat codeert voor de gewenste eigenschap geïsoleerd uit het ene dier en weer ingebracht bij een ander dier. Op die manier ontstond in 1990 Herman, ’s werelds eerste transgene stier.

Bij stier Herman werd een stukje menselijk DNA ingebouwd in de hoop dat vrouwelijke nakomelingen melk zouden produceren met het ontstekingsremmende eiwit lactoferrine. Hermans dochters maakten inderdaad een klein beetje van deze stof aan, maar de opbrengst was zo minimaal dat de melk niet in productie kon worden genomen. De genetische modificatie van stier Herman was dus meer een theoretisch dan een praktisch succes.
Wetenschap24

Met behulp van dergelijke gerichte biotechnologie moet het volgens Bennett mogelijk zijn om de hond beter aan te passen aan zijn leven als huisgenoot. Elk baasje kan straks een op maat gemaakte viervoeter bestellen, waarvan het gedrag helemaal is afgestemd op zijn of haar wensen.

Uitgelicht door de redactie

Astronomie
Nobelprijs natuurkunde voor kosmologie en exoplaneten

Scheikunde
Nobelprijs scheikunde voor uitvinders lithium-ion-batterij

Geesteswetenschappen
Nobelprijs voor Literatuur ‘een behoudende keuze’

188 eitjes en één kitten

En als je eenmaal zo’n probleemloos huisdier hebt, wil je die natuurlijk nooit meer kwijt. Dankzij het Zuid-Koreaanse bedrijf RNL Bio hoeft dit nu ook niet meer. In 2005 kloonde dit bedrijf de eerste hond en dit jaar werden de eerste vijf kloonpuppies verkocht voor ongeveer 30.000 euro.

De techniek van het klonen klinkt zo simpel. Het enige dat je nodig hebt is wat DNA van de modelhond en een aantal verse eicellen, die gewonnen kunnen worden uit een willekeurig teefje. Iedere eicel krijgt een grondige schoonmaakbeurt waarbij het originele DNA verloren gaat. Het DNA van de modelhond wordt nu in de celkern van de eicellen ingebracht. Op die manier kun je de natuurlijke voortplanting via geslachtscellen omzeilen en weet je zeker dat je kloon een genetische kopie is van de modelhond waar je mee begon.

Maar zo simpel blijkt het allemaal niet te zijn. Het klonen van dieren is namelijk absoluut niet efficiënt. Om één of twee levende klonen te produceren, moet een modeldier gemiddeld honderd eitjes afstaan. “CC”, de eerste gekloonde kat, moest bijvoorbeeld maar liefst 188 eitjes zien te produceren. Daarvan werden er uiteindelijk 87 succesvol bevrucht en ingebracht bij acht verschillende poezen. Twee van de acht poezen bleken daadwerkelijk zwanger en na twee maanden kwam er welgeteld één levende kitten ter wereld.

Deze twee honden zijn gekloond in Zuid-Korea uit drie moeders, zonder vader.

Geen exacte kopie

Critici hebben het moeilijk met de bedoelingen van kloonbedrijven als RNL Bio. Rouwende huisdiereigenaren zouden er door deze bedrijven van overtuigd worden dat zij door middel van klonen hun vriendje weer terug kunnen krijgen. Maar of de babyhondjes qua karakter ook echt gaan lijken op de modelhond is nog maar de vraag. Niet alleen de erfelijke factoren, maar ook de omgeving en levenservaringen van de hond zijn van invloed op zijn ontwikkeling.

Ethicus David Magnus: “Mensen zijn in staat enorm veel geld uit te geven om hun huisdier weer tot leven te wekken of in ieder geval de garantie te krijgen dat de kloon een exacte kopie is van hun overleden huisdier. Kloonbedrijven spelen hierop in, terwijl het simpelweg niet mogelijk is om een dier precies na te maken. Het is een vorm van fraude.”

Bovendien zijn dierenliefhebbers bang dat klonen niet goed is voor de gezondheid van huisdieren. Zo stierf schaap Dolly (de eerste kloon van een volwassen dier) een vroegtijdige dood vanwege een longonsteking, maar er zijn meer voorbeelden. Bij een studie naar gekloonde varkens bleek dat 50% van de biggetjes niet ouder werd dan 130 dagen. Chronische diarree, hartfalen en trage groei kwamen bij deze jonge varkens extreem veel voor. Ook bij gekloonde muizen zijn problemen gesignaleerd, deze dieren sterven een snelle dood door leverfalen en longproblemen.

Schaap Dolly overleed op zes-jarige leeftijd aan een longontsteking, die samenhing met artritis. Dit is een ouderdomsziekte die normaal gesproken voorkomt bij schapen vanaf een jaar of tien. Of het vroegtijdig ontwikkelen van artritis samenhangt met het feit dat Dolly werd gekloond uit een volwassen ooi, is nog steeds niet helemaal duidelijk. Het zou zo kunnen zijn dat een gekloonde cel zichzelf niet ‘reset’, maar de reeds beschadigde genen doorgeeft aan de kloon.

Toch vinden sommige wetenschappers de argumenten van critici onterecht. Zo zei dierwetenschapper Jose Cibelli in 2002: “Klonen wordt efficiënter. In de zeer nabije toekomst zullen er minder dieren betrokken zijn bij het proces. Bovendien gaat de kloontechniek zodanig vooruit dat de gezondheid van gekloonde dieren verbetert.”

Het debat over het maakbare huisdier is dus nog niet ten einde. Technieken om met name honden en katten genetisch te verbeteren, staan nog in de kinderschoenen. Voorlopig vieren we Werelddierendag dus nog gezellig met onze ouderwetse, af en toe voor problemen zorgende, maar bovenal ongekunstelde en van nature lieve gezelschapsdieren.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink, en hoort bij het thema Duurzaamheid vergroten op Biotechnologie.nl.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 oktober 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.