Je leest:

Het is verdacht stil in de ruimte

Het is verdacht stil in de ruimte

Auteur: | 16 september 2004

Al jarenlang speuren astronomen naar buitenaardse levensvormen. Zal er succes geboekt worden? En zo ja, is dat dan toe te juichen? Misschien hebben wezens van andere planeten wel snode plannen met ons hemellichaam. Of wellicht zijn ze juist bang voor ons en houden ze zich stil.

Bij het zien van ruimte-horrorfilms zoals Alien bekruipt mij altijd een beangstigend gevoel. Weliswaar zijn de vrijwel onverwoestbare ruimtemonsters die de buis of het bioscoopdoek teisteren, aan de verbeelding van science-fictionschrijvers ontsproten. Maar wie zegt dat zulke kwaadaardige buitenaardse wezens niet werkelijk bestaan?

De bemanning van de Nostromo vindt op een verre planeet een verongelukt ruimteschip met de overblijfselen van een buitenaardse beschavingsvorm. In het ruim bevinden zich echter ook de eieren van Alien. Dit is het begin van de verwikkelingen in de gelijknamige film.

Het is immers de wetenschap zélf die er iedere keer weer op wijst dat het heelal moet krioelen van het leven. Alleen al in onze eigen Melkweg, met meer dan honderd miljard sterren als onze zon, moeten er volgens kansberekeningen honderden miljoenen planeten zijn waarop het leven zich heeft kunnen ontwikkelen. Zouden al die buitenaardse levensvormen goedaardig zijn? We hoeven alleen maar te denken aan de enorme variëteit aan giftige, parasitaire en moordzuchtige soorten op onze aarde, om daar geen snars van te geloven.

James Trefil bijvoorbeeld, van de Amerikaanse George Mason universiteit, waarschuwt al jarenlang voor de gevaren van een mogelijk contact met buitenaardsen. Bij de evolutie van het leven op andere planeten, zo redeneert Trefil, zal immers ook een vorm van natuurlijke selectie hebben plaatsgevonden. Alleen de sterkste en meest aangepaste soorten zullen zich verder hebben ontwikkeld. Een buitenaardse beschaving kan dus heel goed agressieve neigingen vertonen. Net als de mensheid nu kan zij belust zijn op uitbreiding van haar territorium en geneigd zijn snel naar de wapenen te grijpen.

“Populaire speelfilms als Close Encounters of the Third Kind(1977) en E.T. (1982) van Steven Spielberg hebben bij het publiek het romantische gevoel opgewekt dat een wetenschappelijk en technologisch verder gevorderde beschaving zich ook in moreel opzicht verder heeft ontwikkeld,” zegt Trefil. “Maar ik herinner mij het ongemakkelijke gevoel dat ik had toen in 1972 en 1973 de Pioneers 10 en 11 werden gelanceerd. Beide ruimtevaartuigen zwalken inmiddels buiten ons zonnestelsel. Ze hebben een plaquette aan boord, met daarop een afbeelding van onzelf, onze planeet en – God betere het – de lokatie van onze zon. In 1977 deden we het nog eens opnieuw, met de lancering van de beide Voyagers. Toen werden CD-video’s aangebracht waarop zo’n beetje alle verschillende levensvormen op aarde figureren.”

“De hoop was natuurlijk dat een of andere intelligente beschaving ooit die flessepost in de kosmische oceaan zou vinden,” vervolgt Trefil. “Om wat ermee te doen? Naar ons op zoek gaan voor het doen van goede daden? Laat me toch niet lachen. Stel je voor dat ze ons uit culinair oogpunt interessant zouden vinden? Of dat ze een godsdienst aanhangen die zegt dat elke andere levensvorm dan zijzelf het produkt is van een kwade god, dat tegen elke prijs moet worden vernietigd. Totdat het tegendeel bewezen is, moeten we er dus ernstig rekening mee houden dat er naast elke vriendelijke E.T. ook een Alien kan bestaan!”

Contact met intelligente wezens op andere planeten. Signalen die met medebewoners van het heelal worden uitgewisseld. Hoe lang hebben we daar niet van gedroomd?

De Vulkaan Mr. Spock uit de serie Star Trek. De Vulkanen zijn een onwaarschijnlijke soort mensachtigen die in maar weinig opzichten verschillen van de aardbewoners.

Communicatie met onze vermeende kosmische broeders is geen nieuw idee. Al in 1820 stelde de Duitse wiskundige Karl Friedrich Gauss voor om in de Russische vlakten een grote, rechthoekige driehoek van dennebomen te planten. Een buitenaardse beschaving zou dan van veraf kunnen zien dat we bekend waren met de stelling van Pythagoras. Twintig jaar later kwam de Weense astronoom Joseph von Littrov met het idee om in de Sahara een dertig kilometer lange geul te graven. Die zou moeten worden gevuld met brandstof en ’s nachts moeten worden aangestoken.

Die primitieve vormen van berichtenuitwisseling zijn er nooit van gekomen. Maar sinds het begin van deze eeuw hebben we met ons allen een veel duidelijker baken uitgezet. Radio-, radar- en televisiesignalen lekken sinds die tijd weg uit onze atmosfeer. Zo heeft zich rondom de aarde een bol gevormd van straling, die zich steeds verder in de ruimte uitbreidt. Omdat die straling zich voortplant met de snelheid van het licht, zullen we rond de eeuwwisseling al op een afstand van honderd lichtjaren waarneembaar zijn.

Iedere buitenaardse astronoom, die ergens binnen onze uitdijende stralingsbol een radiotelescoop op ons richt, zal ons ogenblikkelijk ontdekken. Ons zonnestelsel valt namelijk direct op als een tweetal ongelijke radiobronnen. Allereerst is er de zon. Dat is een normale gele dwergster, die een normale hoeveelheid energie uitstraalt op radiogolflengten. Maar dan is er dat nietige puntje, dat in een jaar rond die zon cirkelt en een driehonderduizend maal kleinere massa heeft. Toch is de radiostraling van dat puntje vele honderden malen zo krachtig als dat van zijn zon. De conclusie is dan snel getrokken. Dáár bevindt zich een planeet, bevolkt door wezens die zich tot een technologische beschaving hebben ontwikkeld…

Het klamme angstzweet breekt je uit bij de gedachte dat iedereen ons zo kan lokaliseren. Maar net zoals z¡j kunnen luisteren naar ons, zo kunnen wij luisteren naar hén. En dat doen we dan ook, sinds 1960. Frank Drake, een Amerikaanse astronoom, luisterde in dat jaar 400 uur lang naar twee dichtbijzijnde sterren. Buiten hun karakteristieke ruis was er echter niets te horen. Later probeerde hij het daarom opnieuw en luisterde complete melkwegstelsels af.

Ook in de voormalige Sovjet-Unie ontstond belangstelling voor dit zogeheten SETI-onderzoek (SETI = Search for Extra-Terrestrial Intelligence, ofwel speurtocht naar buitenaardse intelligentie). Het idee sloot namelijk prachtig aan op dat van het wetenschappelijk communisme. Verder gevorderde beschavingen, zo redeneerden de Russische geleerden, konden immers getuigenis afleggen dat natuurlijke krachten het heelal regeerden, en niet een godheid. Ook zouden de buitenaardsen wel eens een genegenheid kunnen vertonen voor degenen met wie ze het eerst in contact waren getreden. Zo konden wellicht militaire geheimen worden uitgewisseld. Dat lijkt nu misschien een vreemde veronderstelling. Maar het was de tijd dat Sovjet-militairen zich ook bezighielden met paranormale zaken, in de hoop een voorsprong te krijgen op het Westen.

Nu, al bijna honderd afzonderlijke speurtochten later, waarbij de allergrootste radiotelescopen zijn ingezet, is er nog steeds geen onomstotelijk bewijs gevonden voor het voorkomen van andere intelligente levensvormen in het heelal. Of het zou het ‘WOW!’-signaal moeten zijn dat in 1977 door de Ohio State University aan de hemel werd waargenomen. Een onderzoeker die de gegevens van de vorige dag bekeek, zag toen een radiosignaal dat zo afweek, dat hij enthousiast WOW! in de kantlijn schreef. Maandenlang daarna heeft het team dat deel van de hemel afgeluisterd waar het ‘WOW!’-signaal was ontdekt. Maar de bron werd nooit meer teruggevonden. “Het blijft raadselachtig,” vertelt Robert Dixon, de directeur van het betreffende afluisterproject. “We zagen inderdaad iets dat we niet konden verklaren. Maar toen we er opnieuw naar keken, was het er gewoon niet meer.”

Zouden we soms niet goed genoeg hebben gezocht? Elk SETI-onderzoek worstelt met het probleem dat het de natuurlijke radiostraling van sterren en sterrenstelsels moet kunnen onderscheiden van intelligente signalen. De meest gebruikelijke benadering is te veronderstellen dat dat kunstmatige radioboodschappen een zeer smal frequentiegebied zullen bestrijken. Er werd daarom voornamelijk geluisterd rond 1420 en 1662 megaherz. Dat zijn namelijk de frequenties waarop neutrale waterstof (H) en het hydroxyl-radicaal (OH) straling uitzenden. Beide stoffen zijn de bestanddelen van water en dus van aardse levensvormen. Maar wat als buitenaardsen nu eens helemaal geen water nodig hebben, en een andere frequentie zouden gebruiken?

De door de NASA gebruikte radiotelescoop in Arecibo is 304 meter in diameter en is gebouwd in een komvormig dal. Hij is de grootste enkelvoudige schotelantenne van de wereld. Met dit instrument is jarenlang gezocht naar buitenaardse beschavingen. Deze telescoop speelde ook een belangrijke rol in de scienfictionfilm Contact.

In de jaren negentig probeerde de NASA het daarom opnieuw. Met de reusachtige radiotelescoop in Arecibo (Puerto Rico) luisterde de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie tien jaar lang de hemel af. Het project MOP (Microwave Observing Project) speurde naar mogelijke signalen bij 850 zonachtige sterren binnen een straal van 100 lichtjaar. Tegelijkertijd richtten medewerkers van het Jet Propulsion Laboratory de schotelantennes van hun Deep Space Network naar alle delen van de hemel. Zij probeerden signalen uit willekeurige richtingen op te vangen. Beide speurtochten gebruiken een automatisch instrument, dat elke seconde twintig miljoen radiokanalen aftastten. Het gevaar om op een te beperkt frequentiegebied te luisteren was er dus niet meer bij.

Hoe gevoelig waren de metingen? De 304 meter grote antenne in Arecibo is in staat een zender van 110 Megawatt op een afstand van de nabije sterren binnen tien minuten te detecteren. Ter vergelijking: de krachtigste TV-zenders op aarde hebben een vermogen van zo’n 10 Megawatt. De krachtigste radarsystemen komen echter tot maar liefst 10 miljoen Megawatt. Hoewel we het zonder de televisieshows van de buitenaardsen moeten doen, zijn we in staat hun mogelijke defensiesystemen tot op een afstand van meer dan duizend lichtjaar te ontdekken.

En toch: ondanks de inzet van velen om via het project [email protected] met hun computers thuis de vele waarnemingsgegevens door te spitten, is hjet wachten nog steeds op een spectaculaire ontdekking. Daarom is het niet eens zo raar om ook aan heel andere mogelijkheden te denken. Er zouden wel eens heel weinig kosmische vreemdelingen kunnen bestaan. Ook zou de aarde enige enclave van intelligent leven in onze Melkweg kunnen zijn. Dit laatste staat bekend als de Fermi-paradox, naar de natuurkundige Enrico Fermi. Die schrikte in 1943 tijdens een diner zijn tafelgenoten op met de uitroep: “Waar zijn ze!”

Fermi bedoelde de buitenaardsen. Die zouden immers al lang op weg zijn gegaan om net als in de televisieserie Star Trek naar andere levensvormen te speuren. Omdat ons zonnestelsel relatief zeer jong is – nog geen vijf miljard jaar oud vergeleken met de vijftien miljard jaar voor de leeftijd van onze Melkweg – hebben andere werelden miljarden jaren langer de tijd gehad om een beschaving op te bouwen. Afhankelijk van de gebruikte technologie zullen interstellaire reizen honderden, zo niet duizenden jaren duren. Maar dat is geen enkel probleem als kolonisten worden uitgezonden. Als zij een bewoonbaar zonnestelsel hebben gevonden, zullen zij na verloop van tijd opnieuw kolonisten uitzenden. Binnen een oogwenk van 6,6 miljoen jaar zullen er geen geschikte planeten voor kolonisatie meer over zijn en is de gehele Melkweg met kolonisten overspoeld. Met andere woorden: als intelligente buitenaardsen bestonden, hadden ze ook hier al lang moeten zijn.

De levensgordel van Marochnik

Het leven op aarde kan heel goed uniek zijn doordat het hier bij toeval niet is ‘doodgeröntgend’. Het is bijvoorbeeld niet goed voor de gezondheid te dicht in de buurt van supernovae te komen. Supernovae zijn zeer zware sterren die exploderen. Bij zo’n explosie komt straling vrij die het leven op een planeet totaal kan vernietigen. Zelfs als die planeet zo’n dertig lichtjaar ver weg staat.

Zware sterren ontstaan telkens opnieuw in de spiraalarmen van de Melkweg. Omdat de meeste sterren zich periodiek door deze spiraalarmen bewegen, lijkt het er op dat hun planetenstelsels met betrekkelijk korte tussenpozen de volle stralingslading krijgen. Al het leven dat zich in een beginstadium bevindt, wordt dan vernietigd voordat het tot hogere vormen kan leiden.

Er is echter een ring van sterren op ongeveer dertigduizend lichtjaar van het Melkwegcentrum, die met ongeveer dezelfde snelheid als de spiraalarmen roteert, maar op een veilige afstand daarbuiten blijft. Een overdosis supernovastraling komt daar slechts eens in de tien miljard jaar voor. Dat is lang genoeg om verstandelijk leven tot ontwikkeling te laten komen. Ons zonnestelsel licht toevallig in die ‘geluksring’, die door de Russische wetenschapper L.S. Marochnik de ‘levensgordel’ is gedoopt. Als Marochnik gelijk heeft, kunnen we verwachten alleen in deze beperkte gordel leven aan te treffen. Meer dan 99,9 procent van de Melkweg is dan een dood en uitgestorven gebied.

Misschien zijn we dus wel alleen en is er nog geen enkele andere intelligente beschaving ons voor geweest. Of misschien komt iedere verder gevorderde beschaving tot de conclusie dat het veel beter is zich schuil te houden en de communicatiekanalen af te schermen. Een buitenaardse James Trefil zou immers óók kunnen redeneren dat daarbuiten agressieve monsters wonen of levensvormen bestaan die maar al te zeer belust zijn op expansie. In dat geval is de Melkweg wel degelijk gevuld met beschavingen als de onze. Mogelijk zijn ze tot de tanden bewapend om voorbereid te zijn op eventuele contacten. Maar tegelijkertijd sidderen ze van angst.

Dit artikel is een publicatie van Astronet.
© Astronet, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 september 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.