Je leest:

Het heelal: een kosmisch drieluik

Het heelal: een kosmisch drieluik

Auteur: | 1 januari 2003

Iedereen heeft tijdens een heldere sterrenavond wel eens een blik omhoog geworpen, en daarbij een van de belangrijkste eigenschappen van het heelal ontdekt: het is leeg, donker en zo op het oog vrijwel onveranderlijk. Maar helemaal leeg, donker en onveranderlijk is het heelal nu ook weer niet. Wat zit erin? Waar komen de talrijke sprankjes licht vandaan? En hoe (snel) verandert het heelal en alles wat erin zit?

Vanuit het standpunt van de mens kun je het heelal ruwweg in drie stukken onderverdelen: • Ons eigen zonnestelsel, dat gevormd wordt door de zon, de planeten (waaronder de aarde), hun manen, en nog vele kleinere hemellichamen zoals planetoïden, meteoroïden en kometen. • Het Melkwegstelsel: een platte schijf van enkele honderden miljarden sterren waarvan de zon er één is. • De grote-schaalstructuur, die in feite niets anders is dan een grofmazig netwerk van honderden miljarden melkwegstelsels (hiernaast) zoals het onze. Deze onderverdeling is in zekere zin willekeurig: ze is voornamelijk gebaseerd op onze belevingswereld – het hemd is nader dan de rok. Ze heeft ook historische wortels: eerst werd onze eigen planeet verkend en in kaart gebracht, vervolgens de maan, iets later de planeten en ten slotte de sterren, het Melkwegstelsel en de andere melkwegstelsels. Dat is ook logisch, want veel van onze kennis over het heelal hebben we pas kunnen verkrijgen dankzij de telescoop, een instrument dat pas begin zeventiende eeuw zijn intrede deed. Hoe verder we het heelal in duiken, des te ‘verser’ is onze kennis.

Het zonnestelsel: zon, maan en aarde onder de loep

Je hoeft niet veel fantasie of wetenschappelijk inzicht te hebben, om te kunnen inzien dat de drie bekendste hemellichamen – zon, maan en aarde – enorm van elkaar verschillen. Eigenlijk is hun bolvorm het voornaamste dat ze gemeen hebben, al zijn er ook andere overeenkomsten. Waarom de drie verder zo veel van elkaar verschillen ligt echter niet zo voor de hand, zeker niet als je niet zo erg vertrouwd bent met de wereld van sterren en planeten.

De maan ziet er op het eerste gezicht heel anders uit dan zon en aarde, maar lijkt toch het meest op laatstgenoemde. Het verwarrende is dat de maan er van de aarde af gezien steeds anders uitziet. Soms is het een heldere ‘schijf’ zoals de zon, maar dan minder fel stralend, op andere momenten een dun sikkeltje dat al spoedig na de zon ondergaat. Deze veranderlijke gedaante wordt, met een mooi Oud-Nederlands woord, de schijngestalte van de maan genoemd; sterrenkundigen spreken ook wel van de maanfase.

Aan de maan zelf verandert niets, maar wel aan zijn positie ten opzichte van zon en aarde. De verklaring ligt in het feit dat er in ons hele zonnestelsel maar één hemellichaam is dat licht uitstraalt, en dat is de zon! Alle andere objecten in het zonnestelsel doen niets anders dan een beetje van het zonlicht weerspiegelen. Ook de maan is zo’n ‘spiegel’, zij het een tamelijk slechte: slechts een klein beetje (12%) van het zonlicht dat de maan ontvangt wordt door hem weerkaatst.

De aarde is één van negen planeten die om de zon draaien. Daarmee is tevens het verschil tussen manen en planeten aangegeven: een planeet draait om de zon, een maan draait om een planeet (ook de meeste andere planeten hebben één of meer manen zoals de aarde). Net als de maan stralen planeten géén eigen licht uit; ze weerkaatsen het zonlicht slechts. De aarde is de enige planeet die we, zonder hulpmiddelen, tot in de kleinste details kunnen waarnemen. Alle overige planeten zijn dermate ver van ons verwijderd, dat ze bijna in het niets verdwijnen. Bijna, want de planeten Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus zijn bij tijd en wijle gewoon met het blote oog te zien. Helaas zijn het zelfs onder de meest gunstige omstandigheden slechts kleine lichtpuntjes, die je pas na enige oefening van gewone sterren leert onderscheiden – vooral omdat de planeten veelal helderder zijn dan de helderste sterren.

Het belangrijkste verschil tussen planeten en sterren is dat de eerste bij het zonnestelsel horen, en de laatste niet. Planeten nemen deel aan alle draaibewegingen in het zonnestelsel, waardoor hun onderlinge posities voortdurend veranderen. Dat is ook de belangrijkste reden waarom je op een gewone sterrenkaart nooit de planeten ingetekend ziet staan!

Daarmee is ook de eenvoudigste methode aangegeven waarmee je onderscheid kunt maken tussen een planeet en een ster, al moet je daarvoor wel een beetje thuis zijn aan de sterrenhemel. De sterren veranderen onderling niet van positie, waardoor mensen er in de loop der jaren allerlei vaste patronen (sterrenbeelden) in zijn gaan zien. De sterrenbeelden zijn – naar menselijke maatstaven – onveranderlijk, en het valt dus nogal op als een heldere planeet zoals Jupiter geleidelijk door een bekend sterrenbeeld als de Stier schuift. De nadruk moet daarbij worden gelegd op het woordje geleidelijk, want soms duurt het wel een paar weken voor je doorkrijgt dat de planeet daadwerkelijk opschuift ten opzichte van de vaste sterren(beelden).

Hoewel de acht andere planeten van ons zonnestelsel in zekere zin kunnen worden beschouwd als de zusjes van onze aarde, zijn de onderlinge verschillen zeer groot (zoals uit bijgaande foto’s, waarop de negen planeten op gelijke schaal zijn afgebeeld, moge blijken). De kleine planeten Mercurius, Venus en Mars zijn qua grootte en eigenschappen nog enigszins vergelijkbaar met maan en aarde. Al deze hemellichamen, die op betrekkelijk kleine afstand van de zon staan, hebben een vast, rotsachtig oppervlak. Maar de volgende vier – Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus – zijn vele malen groter en bestaan grotendeels uit gas. Ruwweg zou je kunnen zeggen dat deze planeten bestaan uit een kleine, rotsachtige kern die in een uiterst dikke atmosfeer of dampkring is gehuld. Bij de vier binnenste planeten is de situatie omgekeerd: hier vormt de dampkring – zo die er al is – slechts een dun laagje. Alle planeten draaien, net als de aarde, om een denkbeeldige as die dwars door de planeet loopt.

De negen planeten van ons zonnestelsel op dezelfde schaal. Van boven naar beneden zijn te zien:

Mercurius

Venus

aarde

Mars

Jupiter

Saturnus

Uranus

Neptunus

Pluto

De onderlinge afstanden zijn overigens niet op schaal weergegeven. In werkelijkheid staan de planeten veel verder uit elkaar.

Zojuist merkten we terloops op dat de zon het enige hemellichaam in ons zonnestelsel is dat licht uitzendt. Dat is bepaald niet het enige waarin de zon zich van de planeten en manen onderscheid. Ze is veel groter dan zelfs de grootste van de planeten (Jupiter) en bevat in het geheel geen ‘vaste onderdelen’, zoals een rotskern. De zon is een gloeiende bal van extreem hete gassen die immense hoeveelheden licht en warmte uitstralen. Het voert te ver om hier dieper op deze stralende gassen in te gaan, maar een paar belangrijke eigenschappen willen we hier niet onvermeld laten:

• Het gas van de zon lijkt niet op de gassen die we op aarde tegenkomen (zoals aardgas bijvoorbeeld): het is een door de zwaartekracht samengeperste massa die eerder aan een stroperige vloeistof doet denken.

• Op de zon brandt niets: de warmte komt uit het diepe binnenste van de zon en is niet het gevolg van normale verbrandingsprocessen, zoals het verbranden van steenkool of aardgas, maar van kernfusie. De gassen aan het zonsoppervlak kunnen we zien, doordat ze vanuit het binnenste van de zon tot temperaturen van ongeveer 6000 graden zijn verhit.

• Het zonsoppervlak gloeit niet zo gelijkmatig als het lijkt. Vaak zijn hier donkere vlekjes te zien: de zonnevlekken. Zonnevlekken zijn koele gebieden op de zon.

Computerplanetarium

Om een indruk te krijgen van de grootteverhoudingen van en de bewegingen in het zonnestelsel, raden wij u beslist aan om een zogeheten planetariumprogramma voor de pc aan te schaffen en ook in de les te gebruiken. Een aanrader is Starry Night Backyard, een eenvoudig, goedkoop, maar niettemin fraai uitgevoerd (Engelstalig) programma. Met een programma als dit kan men als het ware van ‘buitenaf’ naar het zonnestelsel kijken. Pas dan wordt echt duidelijk wat er nu om wat draait en hoe groot de verschillende afstanden en afmetingen zijn. Een voorbeeld: zon en maan lijken aan onze hemel bijna even groot te zijn, maar in werkelijkheid staat de zon bijna 400 keer zo ver weg! De zon is dus ook ongeveer 400 keer zo groot als de maan. Een computerplanetarium kan u ook helpen voorbereiden op het volgende gedeelte van ons drieluik: de wereld van de sterren.

Het Melkwegstelsel: een pannenkoek van sterren

Een van de eigenschappen van het zonnestelsel die we niet genoemd hebben, is het feit dat zon, aarde, de overige planeten en hun manen bijna allemaal in een en hetzelfde vlak bewegen. Anders gezegd: als je van opzij naar het zonnestelsel kijkt, dan is het of je naar de zijkant van een pannenkoek kijkt. Slechts een enkele planeet (Pluto) en een gedeelte van de kleinere hemellichamen (kometen, sommige planetoïden) stijgen boven en onder het centrale vlak uit.

Dat ‘platte-vlakgedrag’ kom je overal in het heelal tegen. Materie die – om wat voor reden dan ook – om een centraal punt draait, heeft de neiging om zich in een platte schijf te organiseren. Dat geldt niet alleen voor het zonnestelsel, maar ook voor het veel grotere (een factor 100.000!) Melkwegstelsel, waar onze zon en haar planetenfamilie deel van uitmaken. De vergelijking met een pannenkoek is niet eens zo gek: denk maar aan de pizzabakker die zijn deeg met veel vaart ronddraait om een pizzabodem te maken.

Zoals de planeten om de zon draaien, zo draaien de sterren van het Melkwegstelsel om een centrum dat zich hier ongeveer 30.000 lichtjaar vandaan bevindt. Doen de planeten enkele maanden tot vele jaren over één omloop om de zon, de zon doet ongeveer 250 miljoen jaar over één omloop om het centrum van het Melkwegstelsel. Dat lijkt erg langzaam, maar als je er even aan rekent, blijkt dat de zon daarbij met een snelheid van 220 kilometer per seconde beweegt. Ter vergelijking: de snelste planeet van ons zonnestelsel – Mercurius – heeft een snelheid van 48 kilometer per seconde.

Het grappige van het Melkwegstelsel is dat je (tijdens onbewolkt weer en in een donkere omgeving) zélf kunt constateren dat het een platte schijf is. We kunnen ons Melkwegstelsel ’s avonds en ’s nachts namelijk gewoon zien. Het is de vage, lichtgevende band die zich over de gehele hemelkoepel uitstrekt, en die al sinds de oudheid de melkweg wordt genoemd. Omdat we ons met de zon in het Melkwegstelsel bevinden, zien we het feitelijk alleen in zijaanzicht; van bovenaf zouden we echt een ronde schijf zien.

Als je een telescoop of zelfs maar een verrekijker op het vage schijnsel richt, kom je er al snel achter waar de hemelgloed vandaan komt: van ontelbare sterren! Doordat de afstanden in het Melkwegstelsel zo groot zijn, kunnen we lang niet alle sterren als afzonderlijke lichtpuntjes zien. Verreweg de meeste van de naar schatting 200 miljard sterren zijn versmolten tot een onherkenbare band van licht. Slechts enkele duizenden – de meest nabije – zien we als lichtpuntjes.

Daarmee zijn we aangekomen bij de hemellichamen die het aanzien van het heelal bepalen: de sterren. Door de reusachtige afstanden in het heelal lijken het kleine lichtpuntjes, maar in werkelijkheid geven de meeste ongeveer net zo veel licht als onze zon – soms ook meer of minder. Als je daar eenmaal achter bent, ligt de belangrijkste conclusie voor de hand: elke ster is, net als onze zon, een grote, hete bal van licht en warmte uitstralend gas.

Bij nader onderzoek blijken er grote verschillen te zijn tussen de afzonderlijke sterren. Daar zijn zelfs zonder ingewikkelde waarneeminstrumenten al aanwijzingen voor te vinden. Wie wat langer naar de sterrenhemel kijkt, zal opmerken dat de sterren kleurverschillen vertonen. De ene is ‘gewoon’ wit of witgeel, de andere duidelijk blauwer of roder.

Met telescopen en andere waarneeminstrumenten hebben sterrenkundigen vastgesteld dat de kleur van een ster een directe weerspiegeling is van zijn oppervlaktetemperatuur. Het is net als met een stuk ijzer dat je in een hete vlam houdt: bij een zekere temperatuur begint het metaal een donkerrode gloed uit te zenden, die bij verdere verhitting overgaat in fel oranje en ten slotte in witheet. De koelere sterren in ons Melkwegstelsel zijn rood van kleur. Gemiddelde sterren, zoals onze zon, zijn geel, en de allerheetste zijn blauwwit.

Sterren verschillen niet alleen in kleur en temperatuur. Ze kunnen verschillen in grootte, gewicht, helderheid, bouw en scheikundige samenstelling. Maar ondanks deze verschillen werken ze allemaal volgens hetzelfde principe: in hun inwendige wordt energie geproduceerd die als licht en warmte aan hun oppervlak tevoorschijn komt.

Een gaswolk: de Orionnevel

Een jonge sterrenhoop: de Pleiaden

Van gaswolk tot ster tot supernova

Toen sterrenkundigen enkele honderden jaren geleden de eerste telescopen op de hemel richtten, bleek al snel dat de hemel niet alleen met sterren is bezaaid. Tussen de ontelbare lichtstipjes zijn bijna net zovele vage nevelvlekjes, gasflarden en donkere ‘wolken’ te zien (zie foto’s hiernaast). Het voert te ver om hier diep op in te gaan, maar een aantal feiten willen we u toch niet onthouden. De nevelvlekjes tussen de sterren bestaan uit dezelfde materie als de sterren zelf. Sommige zijn ook uit sterren ontstaan. Als een ster aan het eind van zijn bestaan komt, stoot hij in veel gevallen een deel van zijn materie uit – soms met explosief geweld (supernova). Andere nevelvlekjes zijn juist gaswolken waaruit nog geen sterren zijn ontstaan: de waarnemingen duiden erop dat er in gaswolken als deze verdichtingen kunnen ontstaan, die uiteindelijk tot de vorming van sterren – in feite niets anders dan zeer compacte, bolvormige gaswolken! – kunnen leiden. Aangenomen wordt dat alle sterren, dus ook de zon, op dezelfde wijze zijn ontstaan: uit verdichtingen in een gaswolk in de ruimte. Daaruit werd al snel geconcludeerd dat het (dus) zeer waarschijnlijk is dat niet alleen de zon door een planetenstelsel wordt begeleid, maar dat dit ook bij sommige, veel of misschien zelfs alle sterren het geval zal zijn. En de laatste jaren zijn duidelijke aanwijzingen gevonden dat deze conclusie terecht was: reeds bij enkele tientallen andere sterren zijn planeten ontdekt. Door de grote afstanden in het Melkwegstelsel kunnen we deze planeten helaas niet rechtstreeks bekijken, maar langs indirecte weg is nu toch wel vrijwel onomstotelijk vast komen te staan dát ze er zijn. Ons zonnestelsel is dus beslist niet uniek!

De grote-schaalstructuur: luchtiger dan slagroom

We hebben gezien dat het Melkwegstelsel ruwweg een factor honderdduizend groter is dan ons zonnestelsel. Maar daarmee zijn de grenzen van het heelal nog lang niet in zicht. Het heelal wemelt namelijk van de melkwegstelsels: het zijn er zeker enkele honderden miljarden. Desondanks kun je het heelal bepaald niet ‘vol’ noemen: gemiddeld is er voor elk melkwegstelsel meer dan tienduizend melkwegstelsels aan lege ruimte. Niet alle melkwegstelsels zijn van die platte pannenkoeken, overigens. Je hebt ze in alle soorten en maten: op foto’s zijn deze zichtbaar als min of meer vage vlekjes die soms nauwelijks tegen de donkere hemelachtergrond afsteken. Melkwegstelsels zijn onder invloed van de zwaartekracht in kleine of grote groepen samengebracht. Zo maakt ons eigen Melkwegstelsel deel uit van een tamelijk klein groepje stelsels, dat de Lokale Groep wordt genoemd. Van grote afstand gezien vormen groepjes als deze weer lange slierten die zich over reusachtige afstanden (vele honderden miljoenen lichtjaren) kunnen uitstrekken. Tussen al die lange slierten van melkwegstelsels zijn grote lege gebieden, waar we bijna geen melkwegstelsels tegenkomen. Het heelal is als het ware gevuld met een soort zeepsop, waarbij de oppervlakken van de zeepbellen uit melkwegstelsels bestaan. Het geheel is vele malen luchtiger dan slagroom. Sterrenkundigen denken dat het heelal niet altijd zo ‘luchtig’ is geweest als nu. Uit waarnemingen blijkt dat de afstanden tussen de melkwegstelsels groter worden. Het heelal groeit, en iets dat groeit moet vroeger kleiner zijn geweest. De huidige meetgegevens duiden erop dat het heelal ongeveer vijftien miljard jaar geleden een zeer compacte bal van energie is geweest, die op explosieve wijze tot ontwikkeling kwam. Deze explosie wordt vaak de Big Bang of oerknal genoemd.

Kort overzicht van de evolutie van het heelal

• ca. 15 miljard jaar geleden: oerknal, begin van het heelal • tijdens eerste seconde: omzetting van energie in materie • na drie minuten: ontstaan van de eerste atoomkernen • na 300.000 jaar: voor het eerst kan licht vrij door het heelal bewegen: het heelal wordt doorzichtig, maar is nog ongeveer duizend keer zo klein als nu • tijdens de eerste miljard jaar: het ontstaan van de eerste sterren en melkwegstelsels op plaatsen waar de materiedichtheid het hoogst is • na ca.10 miljard jaar (4,5 miljard jaar geleden): zon en planeten ontstaan uit een gas- en stofwolk in het Melkwegstelsel

Telescopen en satellieten

Boven: een van de radioschotels van de synthese-radiotelescoop te Westerbork. Bij deze radiotelescoop worden de signalen van veertien 25-meter grote schotels met elkaar gecombineerd om een grotere gevoeligheid en beeldscherpte te verkrijgen. Onder: de infraroodsatelliet ISO, een Europese kunstmaan die van 1995 tot 1998 in bedrijf was. Met ISO is o.m. onderzoek gedaan aan stervormingsgebieden en jonge sterren en hun omgeving. In bovenstaande tekst is – in heel grote lijnen – een overzicht gegeven van de bouw van het heelal. We hebben gezien dat de aarde deel uitmaakt van een zonnestelsel dat in het niet valt bij het veel grotere Melkwegstelsel. En dat dit Melkwegstelsel samen met talrijke soortgenoten als het ware verdrinkt in een heelal dat grotendeels leeg is. Daarbij is onder meer vastgesteld dat de afstanden in het heelal reusachtig zijn, zó reusachtig zelfs dat zelfs de helderste sterren voor ons niet meer zijn dan kleine lichtpuntjes en zelfs de meest nabije melkwegstelsels niet meer dan vage lichtvlekjes. Hoe is het mogelijk om met zo weinig uitgangsmateriaal iets zinnigs over het heelal te zeggen?

Heel terloops is al even de telescoop genoemd: het instrument dat nu ongeveer vier eeuwen wordt gebruikt om de sterrenhemel te bestuderen. In de loop der jaren is dit instrument sterk verbeterd, maar daarbij is het niet gebleven. De telescoop heeft gezelschap gekregen van een breed scala van waarneeminstrumenten – op aarde, maar ook in de ruimte.

Alle instrumenten die sterrenkundigen gebruiken hebben één ding gemeen: ze worden gebruikt om straling uit het heelal op te vangen. ‘Straling’ is een breed begrip, waartoe ook zichtbaar licht behoort. Er zijn ook andere soorten straling: radiostraling, infraroodstraling, ultraviolette straling, röntgenstraling en gammastraling. Door te onderzoeken welke soort(en) straling een hemellichaam uitzendt, kun je proberen vast te stellen hoe die straling is ontstaan. Kort gezegd: vrijwel al onze kennis over het heelal is gebaseerd op het onderzoek van het licht en andere soorten straling van de hemellichamen.

Voor elke soort straling is een specifiek instrument nodig. Voor zichtbaar licht is dat de bekende telescoop. Maar ook voor de overige stralingssoorten zijn instrumenten ontwikkeld. Radiostraling wordt waargenomen met radiotelescopen, zoals die van Westerbork. De overige stralingssoorten worden overwegend met behulp van speciale satellieten in banen om de aarde bestudeerd. Dat laatste is de enige manier, omdat veel van de straling uit de ruimte door de dampkring van de aarde wordt geabsorbeerd. Nog niet zo heel erg lang geleden wist men nog niet eens dat er objecten in het heelal zijn die zoiets als röntgenstraling uitzenden! Om deze straling te kunnen waarnemen moet je dus boven de aardatmosfeer uitstijgen. Sterrenkundigen bekijken hun objecten dus meestal van zeer grote afstand. Maar in sommige gevallen blijft het daarbij niet. De maan is door astronauten bezocht, die monsters van het maangesteente naar de aarde hebben gebracht. En de bodem van de planeet Mars is ter plekke onderzocht met speciale ‘robots’. En soms krijg je materiaal uit de ruimte letterlijk in de schoot geworpen in de vorm van meteorieten. Daarnaast zijn de meeste planeten en grote manen van ons zonnestelsel met behulp van ruimtesondes van nabij waargenomen. Helaas zit een bezoekje aan een ‘nabije’ ster er voorlopig niet in: de afstanden in het Melkwegstelsel zijn gewoonweg té groot…

Een van de radioschotels van de synthese-radiotelescoop te Westerbork. Bij deze radiotelescoop worden de signalen van veertien 25-meter grote schotels met elkaar gecombineerd om een grotere gevoeligheid en beeldscherpte te verkrijgen.

Enkele begrippen

Kernfusie

Natuurkundige reactie die alleen optreedt bij zeer hoge druk en temperatuur, zoals bijvoorbeeld in het inwendige van een ster. Die extreme omstandigheden zijn nodig om de afstotende krachten tussen de atoomkernen te overwinnen. Bij kernfusie smelten lichte atoomkernen samen tot zwaardere en daarbij komt energie vrij

Lichtjaar

Sterrenkundige afstandsmaat. Een lichtjaar is gelijk aan de afstand die het licht in één jaar aflegt. Licht plant zich voort met een snelheid van 300.000 km/s, hetgeen in een jaar oploopt tot iets minder dan 10 biljoen kilometer (9,46 × 1012 km).

Supernova

Ster die aan het einde van zijn bestaan explodeert. De explosie begint zodra de kernfusiebrandstof in de kern van de ster uitgeput raakt. Alleen de zwaarste sterren eindigen hun bestaan als supernova.

Telescoop

Letterlijk: verrekijker. Instrument dat door middel van een lens of een holle spiegel licht opvangt. Hoe groter het opvangende oppervlak, des te zwakker zijn de objecten die men met de telescoop kan zien.

Zons- en maansverduisteringen

Hemelverschijnselen waarbij het ene hemellichaam voor het andere schuift. Bij een zonsverduistering schuift de maan vóór de zon langs; bij een maansverduistering bevindt de aarde zich precies tussen zon en maan in en valt de schaduw van de aarde op de maan.

Zwaartekracht

Natuurkracht die werkzaam is tussen alle materiedeeltjes met massa. De zwaartekracht is altijd aantrekkend, en zorgt er onder meer voor dat de maan om de aarde draait en de planeten om de zon. Ook op (veel) grotere schaal is de zwaartekracht werkzaam: melkwegstelsels en groepen van melkwegstelsels worden door deze kracht bijeen gehouden.

Dit artikel is een publicatie van Astronieuws.
© Astronieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 januari 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.