Je leest:

Het gras is overal groen

Het gras is overal groen

Auteur: | 10 mei 2007

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal in december is altijd goed voor een robbertje vechten tussen Vlaanderen en Nederland. Er kan immers telkens maar één winnaar zijn, en als dat een Vlaming is, is de conclusie vlug getrokken: in Vlaanderen beheersen ze het Nederlands beter dan in Nederland. Hoe onjuist is die stelling?

Als de dagen korter worden, en de avond van het Groot Dictee der Nederlandse Taal nadert, is het overal weer te horen: dat Vlamingen toch echt wel heel wat beter zijn in Nederlands dan Nederlanders. Ze winnen immers veel vaker het dictee. Dat laatste is niet juist: in de dertien vorige jaargangen waren er zeven Vlaamse winnaars en zes Nederlandse – één Vlaming meer dus. Als Nederland dit jaar het veertiende dictee wint, staan we weer mooi gelijk.

Van de 58 bekende Nederlanders en Vlamingen die in die dertien jaargangen het best hebben gepresteerd, bleken 29 Nederlander te zijn en 29 Vlaming: dat gaat dus ook mooi gelijk op. Hetzelfde geldt overigens voor de taalquiz 10 voor taal: door de bank genomen wint de ene keer het Vlaamse team, de andere keer het Nederlandse.

Het is dus nauwelijks vol te houden dat Vlamingen het dictee veel vaker winnen dan Nederlanders. De vraag rijst hoe het komt dat Vlamingen dan toch de reputatie hebben betere spellers te zijn. Zou er gedacht worden dat Vlamingen een grotere spellingknobbel in de hersenen hebben? Of dat er meer spellingfanaten zijn in Vlaanderen? Heeft Vlaanderen beter moedertaalonderwijs? Hechten Vlamingen meer belang aan spelling of aan regels in het algemeen? Bereiden Vlamingen zich beter voor op spellingwedstrijden? Het zijn allemaal verklaringen die uiteindelijk moeilijk houdbaar zijn.

Taal is geen spelling

Maar ook al zou wél aangetoond zijn dat Vlamingen beter spellen dan hun noorderburen, dan is daar nog steeds niet heel veel mee gezegd. De gedachte dat spellingvaardigheid hetzelfde is als taalvaardigheid, is weliswaar hardnekkig maar nergens op gebaseerd.

Spellen is een van de eerste vaardigheden die we op school leren. Die eerste leerervaringen blijven ons sterk bij. Het is zoals bij leren autorijden. Tijdens de eerste rijlessen staan de technische vaardigheden centraal: gas geven, sturen, schakelen en remmen. In de praktijk moet een goede bestuurder veel meer kunnen: het verkeersreglement respecteren, de weg kennen of zoeken, rekening houden met andere weggebruikers, enzovoort.

In onze hoofden wordt de kennis van het Nederlands ook nogal snel ingeperkt tot technische schrijfvaardigheid, terwijl taalbeheersing veel meer omvat: een duidelijke uitspraak, een goede woordkeuze en formuleertechniek, een gevoel voor stijl en register, en inzicht in de verwachtingen en de psychologie van de gesprekspartner. In het geval van de professionele communicatie komt daar nog bij: een spreek- en schrijfvaardigheid die strategisch aangepast is. Goed spellen is dus wel een noodzakelijke voorwaarde om je taal te beheersen, maar helemaal niet de enige.

10 voor taal

10 voor taal is zonder twijfel het meest bekeken en besproken tv-programma dat ooit over de Nederlandse taal is gemaakt. Het wordt al sinds 1990 uitgezonden en kluistert elk seizoen opnieuw heel wat taalliefhebbers aan de buis. Al meer dan eens hebben de presentatoren Marcel Vanthilt en Anita Witzier tijdens de quiz uitspraken gedaan over wie nu het vaakst winnen, de Vlamingen of de Nederlanders. Zo zei Witzier in de uitzending van 25 juni 2001: “We hebben het uitgezocht, en het gaat precies gelijk op. De ene keer zijn de Nederlanders beter, de andere keer hebben de Vlamingen meer geluk.”

De presentatoren laten het antwoord dus meestal een beetje in het midden, maar wat zijn de precieze cijfers nu eigenlijk? Tot nu toe zijn er 245 afleveringen gemaakt. De Vlamingen hebben een voorsprong, maar heel groot is die niet: de Vlamingen hebben 131 keer (53,47%) gewonnen, de Nederlanders 112 (45,71%). In twee afleveringen (0,82%) was er een gelijkspel. Bron: Endemol Nederland BV, Aalsmeer.

Arrogante Antwerpenaren

Zoals we mensen op basis van de spelling beoordelen in schriftelijke communicatie, evalueren we ook – bewust of onbewust — iemands taalgebruik in mondelinge communicatie. Als we bijvoorbeeld mensen uit een andere regio van het taalgebied ontmoeten, kan sterk dialectisch gekleurd taalgebruik niet alleen tot communicatiestoornissen leiden, maar ook tot een minder positieve houding tegenover de spreker.

Bij taaladviseurs is het een tweede natuur om het taalgebruik te evalueren, maar ook bij de gewone taalgebruiker is het een alledaagse routine om mensen in te schatten op basis van hun taalgebruik. En daarbij is niets menselijks ons vreemd: uitspraken over iemands taalgebruik leiden weleens tot uitspraken over de persoon zelf, en uitspraken over één lid van een groep monden gemakkelijk uit in uitspraken over de hele groep.

In Vlaanderen circuleert bijvoorbeeld de opvatting dat Antwerpenaren arrogant zijn omdat ze in hun taalgebruik hun accent niet kunnen maar ook niet willen verbergen. Volgens een andere opvatting zouden Limburgers een beetje trager van begrip zijn omdat ze ook wat trager praten. Zo denken we ook graag in stereotypen over vreemde talen en de sprekers van die talen, hoewel we allemaal heel goed weten dat elke vogel anders gebekt is en veralgemeningen riskant kunnen zijn.

Niet ‘hesp’ maar ‘ham’

Nederlanders hebben ook een bepaald beoordelingspatroon voor het Nederlands in Vlaanderen, en Vlamingen hebben dat voor het taalgebruik in Nederland. In het onderwijs en de professionele taalbeheersing heeft Vlaanderen een traditie om Nederland als het gidsland in taaizaken te beschouwen. Zo heeft wel ongeveer elke Vlaming op school ooit geleerd dat het niet ‘hesp’ maar ‘ham’ moet zijn en niet ‘fruitsap’ maar ‘vruchtensap’, omdat dat nu eenmaal de gebruikelijke woorden zijn in Nederland.

Hoewel Nederland dus traditioneel als de primus inter pares geldt, is het zeker niet zo dat elke Vlaming spontaan dit beoordelingspatroon deelt. Er is immers een groeiend bewustzijn dat Vlaanderen ook spraakmakend is of zelfs een eigen spraakmakend centrum heeft. Factoren die daarin een rol spelen, zijn onder andere de politieke verzelfstandiging van Vlaanderen, de opkomst van de Vlaamse commerciële zenders en daarmee samenhangend ook de gedaalde populariteit van de Nederlandse tv- en radio-omroepen in Vlaanderen.

Als taalkundige in Vlaanderen ben ik ook volgens het klassieke beoordelingspatroon opgeleid. Als er twijfel is over wat juist of fout is, heb ik een automatische reflex ontwikkeld om altijd ook over de landsgrens heen naar het Noorden te kijken. Ook in de woordenboeken zit die neiging ingebakken. Woorden en uitdrukkingen die typisch zijn voor het taalgebruik in Vlaanderen hebben in de woordenboeken eigen labels, wat in de adviespraktijk meestal zoveel betekent als ‘schrappen en vervangen door de variant die in Nederland voorkomt’. Zo wordt bijvoorbeeld dampkap vervangen door afzuigkap of wasemkap, en wegenwerken door wegwerkzaamheden.

Woorden die alleen in Nederland voorkomen, worden doorgaans niet gelabeld, waardoor ze impliciet als norm voor het hele taalgebied beschouwd worden. Zo gebruikt in Vlaanderen iedereen het woord croque-monsieur. Het synoniem tosti hoor je in Vlaanderen nooit en is er ook weinig bekend, maar dat blijkt niet uit de woordenboeken.

Kostuum

En daarmee kom ik bij het belangrijkste verschilpunt tussen Vlaanderen en Nederland. Vlamingen beheersen het Nederlands niet beter, maar anders. Voor veel Vlamingen is de standaardtaal nog altijd een kostuum waarin ze het gevoel hebben niet helemaal zichzelf te zijn.

Meestal heeft dat te maken met het feit dat veel Vlamingen van huis uit nog dialectspreker zijn of in een omgeving opgroeien of functioneren waarin standaardtaal, dialect en allerlei mengvormen daarvan door elkaar gesproken worden. Daardoor is de afstand tussen de standaardtaal als norm en het gebruik ervan in de gesproken taal soms erg groot, en die afstand is zeker niet zomaar te duiden door verschillen in sociale achtergrond of opleiding. Denk maar aan het soms grillige taalgebruik van politici als Jean-Luc Dehaene, Bert Anciaux en Herman De Croo. In hun optredens op radio en tv is het helemaal niet ongewoon om elementen te horen die niet in de standaardtaal thuishoren: vaneigens (‘vanzelf’), ei zo na (‘bijna’), daar kan ekik niks aan doen, da moete gij mij niet vragen, onafgezien van.

Voor een Nederlander is het niet altijd goed te plaatsen waarom een Vlaming in zo’n formele context woorden gebruikt die hem of haar totaal vreemd zijn. Dikwijls is niet alleen de betekenis, maar ook de herkomst, de status en de bijbetekenis van die woorden niet duidelijk. Zo is de uitdrukking op zijn honger blijven(‘niet voldaan zijn, niet gekregen hebben wat men verlangd had’) in Nederland zo goed als onbekend en voor de meeste Nederlanders ook niet duidelijk. Hoewel de uitdrukking in de adviesboeken negatief beoordeeld wordt, duikt deze letterlijke vertaling van het Franse rester sur safaim in Vlaanderen vrij vaak op en is ze er ook vrij algemeen bekend.

Op grond van zulke verschillen durf ik niet te beweren dat de gemiddelde Vlaming het Nederlands minder goed zou beheersen dan de Nederlander, maar wel dat hij een problematischere relatie heeft met de standaardtaal en het normenstelsel dat ermee samenhangt. Als Vlamingen zichzelf vergelijken met Nederlanders, stellen ze meestal niet dat ze de standaardtaal minder goed beheersen. Een veelgehoorde uitspraak is wel dat Nederlanders veel vlotter en communicatiever zouden zijn.

Mijn ervaring is dat Vlamingen even vlot en communicatief zijn als Nederlanders, maar dat ze Zich om pragmatische redenen niet altijd aan de norm willen conformeren. Zo is het bijvoorbeeld in Vlaanderen niet ongewoon dat jongeren stellen dat ze de standaardtaal pur sang weinig of niet willen gebruiken omdat ze die in de meeste situaties als artificieel, pretentieus of niet functioneel ervaren.

Uitspraak

Maar hoe is het dan te verklaren dat er Nederlanders zijn die de beheersing van het Nederlands in Vlaanderen hoger waarderen dan die van henzelf? Ik denk dat er twee belangrijke factoren een rol spelen: de uitspraak en het woordgebruik. Dat zijn de twee aspecten waaraan een Nederlander een Vlaming herkent, en omgekeerd.

De uitspraak van de standaardtaal is in Vlaanderen duidelijk anders dan in Nederland, en de Vlamingen hebben ook niet de behoefte om dat te veranderen. Vlaamse taalbeheersers ijveren er ook niet voor dat de Vlaamse standaarduitspraak zich conformeert aan de Nederlandse. Doorgaans wordt de uitspraak van de journalisten in de VRT-nieuwsuitzendingen en in andere informatieve uitzendingen van de openbare omroep als model beschouwd. Deze standaarduitspraak kan ook voor Nederlanders een modelfunctie hebben omdat die veel weg heeft van hoe er in de eerste helft van de vorige eeuw in Nederland werd gesproken.

Zo zijn de o- en de e-klank in bijvoorbeeld blote benen in Vlaanderen nog altijd zuivere enkele klinkers, en geen tweeklanken, zoals bij heel wat Nederlanders (‘blaute beine’), en de g van geld is nog altijd stemhebbend en niet stemloos zoals de ch in lacht. Uiteraard kunnen zulke verschillen ook aanleiding zijn om de taalbeheersing van Vlamingen lager te waarderen omdat die minder aansluit bij recente ontwikkelingen in Nederland.

Droogzwierder

Hoewel het woordgebruik in de standaardtaal in Vlaanderen veel minder homogeen is dan in Nederland, kan ook de woordkeuze van de Vlaming voor Nederlanders aanleiding zijn om de taalbeheersing van Vlamingen hoger aan te slaan. Zo wordt er weleens beweerd dat Vlamingen minder vreemde woorden gebruiken dan Nederlanders, een opvatting die óók op een mythe berust. Klassieke voorbeelden als droogzwierder (‘centrifuge’) en duimspijker(‘punaise’) kunnen de indruk wekken dat Vlamingen minder vreemde woorden gebruiken, maar Vlaanderen importeert net als Nederland heel wat woorden uit andere talen. Meestal gaat het dan trouwens ook om precies dezelfde Engelse woorden.

Door de culturele verschillen liggen de verhoudingen alleen wel een beetje anders. Hoewel Vlaanderen politiek en cultureel hoe langer hoe meer een eigen koers vaart, is de invloed van het Frans nog altijd duidelijk merkbaar. Die invloed op het Nederlands in Vlaanderen is altijd veel sterker geweest dan de invloed van vreemde talen op het Nederlands in Nederland. De belangrijkste reden hiervan is dat het Frans tot een eind in de twintigste eeuw ook de taal was van de overheid en de rijkere klasse in Vlaanderen.

Het gevolg is dat er in Vlaanderen wel wat woorden circuleren die zijn ontstaan uit een puristische reflex tegenover het Frans. Denk bijvoorbeeld aan drukkingsgroep (‘pressiegroep’), batterij (‘accu’) en bestemmeling (‘geadresseerde’). Veel van de woorden en uitdrukkingen die er op het eerste gezicht Nederlands uitzien, zijn eigenlijk gewoon verhuld Frans, bijvoorbeeld droogkuis (‘stomerij’, in het Frans nettoyage a sec), het noorden verliezen(‘in de war zijn’, Frans perdre le nord), rondpunt (‘rotonde’, Frans rond-point) of een klacht neerleggen (‘een klacht indienen’, Frans déposer une plainte). Zulke Vlaamse elementen kunnen voor een Nederlander aantrekkelijk zijn omdat ze een ‘sappig’ of ‘smeuïg’ karakter geven aan het Nederlands, maar ze kunnen evengoed verwerpelijk worden genoemd omdat ze niet aansluiten bij het eigen taalgebruik.

Er zijn uiteindelijk geen objectieve redenen te geven waarom de taalbeheersing van Vlamingen superieur zou zijn aan die van Nederlanders. Generaliserende uitspraken van Nederlanders over het taalgebruik van Vlamingen, en omgekeerd, zijn altijd voor rekening van de persoon die ze doet, maar ze zijn zeker niet vrijblijvend. In de grond zijn ze de uitdrukking van een taalpolitieke opvatting. Wie alleen het taalgebruik uit het Noorden als norm voor iedereen stelt, negeert de taalgebruikers uit het Zuiden. Wie in het Noorden het taalgebruik van het Zuiden als ideaal ziet, veroordeelt zichzelf tot een paria van het Nederlands.

Daarom pleit ik voor zo weinig mogelijk politiek correcte uitspraken over het taalgebruik van de zuider-of noorderburen, maar voor taalkundig verantwoord inzicht in de nuances van het Nederlands in Noord en Zuid. Een tv-programma als 10 voor taal bijvoorbeeld levert daar een uitstekende bijdrage toe, omdat de rijkdom en de schakeringen van het Nederlands erin aan bod komen zonder dat je als kijker het gevoel krijgt dat je het Nederlands niet beheerst.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.