Je leest:

Het favoriete speeltje

Het favoriete speeltje

Auteur: | 27 juni 2003

Het lijkt wel of ze er altijd geweest zijn: de bordjes in de kleedhokjes van röntgenafdelingen: ‘Als u zwanger bent, meldt dit dan’, in vijf talen. Toch is dat niet zo. Kort na de ontdekking van Röntgen, rond 1900, bleek wel dat de straling schadelijk kon zijn. Maar dat ook een minimale dosis straling slecht is voor het ongeboren kind, daar wilden dokters en industrie een halve eeuw later nog niet aan.

De geschiedenis van de röntgenindustrie is vol van gruwelverhalen. Om het verbazende effect te tonen en om apparaten te testen hielden de mensen die ermee werkten vele malen per dag hun hand in de straal. H.D. Hawks moest zijn baan als demonstrator van röntgenapparatuur al na een paar dagen opzeggen. Zijn handen zwollen op en werden rood, de huid op de knokkels ging kapot, de nagels hielden op met groeien en het haar viel uit.

Sommigen van zijn collega’s wisten niet van ophouden: Clarence Dally die op het laboratorium van Edison werkte, liep in 1896 een ernstige verbranding op. Hij liet zich niet ontmoedigen, werkte door en kreeg huidkanker. In 1902 werd zijn rechterarm geamputeerd om die tot staan te brengen en een paar jaar later zijn linkerarm. Toen Dally overleden was, zette Edison het onderzoek naar röntgenstraling in zijn laboratorium stil. Elders ging het ontwikkelen van apparatuur en het zoeken naar nieuwe toepassingen gewoon door.

Met de boom van de röntgenindustrie nam ook het aantal mensen dat de apparaten moest bedienen toe. Van radiologen tot monteurs, allemaal stonden ze voortdurend bloot aan te veel straling. Niet alleen de werkers, ook omstanders kregen een dosis mee, als er iemand werd ‘doorgelicht’ of therapeutisch bestraald. In 1946 bleek uit een statistisch onderzoek hoe ongezond dat was: radiologen hadden acht keer zoveel kans op leukemie als andere artsen. Maar over een andere categorie slachtoffers waren toen nog geen cijfers bekend: kinderen die in de baarmoeder al aan straling waren blootgesteld. Emma Rita Mihal uit Ohio werd in 1957 maandenlang bestraald voor een ontsteking van het baarmoederslijmvlies. Zelf dacht ze dat ze zwanger was, en dat bleek ook het geval te zijn. Het kind werd geboren met microcefalie: een veel te klein hoofd. Het had brandwonden op zijn rug. Ook Mihals tweede kind vertoonde allerlei afwijkingen.

Aan langdurig bestralen stonden maar weinig zwangere vrouwen bloot, maar een röntgenfoto van het bekken was zeker in de Verenigde Staten de gewoonste zaak van de wereld. Het leek zo’n makkelijke manier om vast te stellen of het bekken wijd genoeg was voor de bevalling. Ook kon je zo afwijkingen of een meerlingzwangerschap signaleren. Maar in 1955 kwam een statisticus uit Oxford roet in het eten gooien. Het viel deze David Hewitt op dat er steeds meer Britse kinderen aan leukemie stierven. Alice Stewart (1906-2002), kinderarts en epidemioloog, zette naar aanleiding van deze bevindingen een groot onderzoek op. De moeders van 1694 kinderen die door kanker waren overleden en van een even grote controlegroep moesten een aantal vragen beantwoorden. Naarmate de vragenlijsten binnenkwamen werd het steeds duidelijker: moeders die bekkenfoto’s hadden laten maken, hadden tweemaal zoveel kans op een kind dat voor het tiende jaar aan kanker zou sterven. Stewart had niet speciaal hiernaar gezocht, maar dat ze het gevonden had, werd haar ronduit kwalijk genomen door zowel collega-artsen als de röntgenindustrie. Zoals ze later zei: “Ik nam artsen hun favoriete speeltje af”.

Zoals het wel vaker gaat in wetenschapsland: onderzoek dat het gebruik van nieuwe technieken bevordert, wordt ruim gefinancierd. Maar als de techniek zelf de boosdoener blijkt te zijn, is nergens geld te vinden. Stewart raakte haar staf en financiering kwijt, maar ze zette het onderzoek voort. Ze ontdekte dat een kind dat in de eerste drie embryonale maanden aan straling was blootgesteld, tien keer zoveel kans had op kanker als een niet bestraald kind. Ook vóór de bevruchting richtte straling al schade aan. Radiologen vonden het maar moeilijk te accepteren. Uit de ervaringen van de afgelopen halve eeuw was een soort consensus gegroeid over een ‘aanvaardbare dosis’, en nu bleek zoiets helemaal niet te bestaan, in elk geval niet voor het ongeboren kind. Uiteindelijk kon de medische wereld niet om Stewarts cijfers heen. De onvermoeibare Britse onderzoekster kreeg in 1962 steun uit Amerika, waar intussen ook enige opwinding was ontstaan over kankerverwekkende bovengrondse kernproeven. Daarna werd Stewart gevraagd voor commissies die zich met fall-out bezighielden. Als directeur van het Nuffield Institute voor sociale geneeskunde ging ze door met haar eigen onderzoek. Het resultaat is in de kleedhokjes te zien.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Cicero (LUMC).
© Cicero (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 27 juni 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.