Je leest:

Het eerste landelijke referendum van Nederland

Het eerste landelijke referendum van Nederland

Auteur: | 5 september 2005

Het eerste landelijke referendum van Nederland was onafwendbaar. Waarom het referendum er kwam, is alleen te verklaren door een heel complex van factoren te bekijken.

Op 1 juni 2005 was het dan toch zover. Nederland hield een landelijk referendum en kon worden geschrapt van de lijst van democratische landen waar nooit een dergelijk referendum was gehouden. We laten de referenda van de Bataafsche Republiek buiten beschouwing. Dat was immers zo’n tweehonderd jaar geleden.

De uitslag van het raadplegende referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie (Wet raadplegend referendum Europese Grondwet) was helder. Bij een opkomst van ruim 60 procent stemde een meerderheid van ruim 60 procent tegen de zogeheten Europese Grondwet. Over die uitslag, en vooral over de drijfveren van de burgers die met hun ‘nee’ niet alleen de Nederlandse regering maar eigenlijk de hele EU aan het schrikken brachten, werd door velen – leden van het kabinet-Balkenende voorop – direct al driftig gespeculeerd. Dat zal nog wel doorgaan, totdat wetenschappelijk onderzoek mogelijk helderheid schept over de stemmotivatie van de kiezers van 1 juni.

Zeker zo interessant is een vraag die aan de vraag naar het waarom van dat stemgedrag voorafgaat: Waarom was er een referendum? Hoe kunnen we begrijpen dat in een land dat geen enkele ervaring heeft met dit democratische instrument plots een referendum gehouden werd? Een raadplegend referendum weliswaar waar het parlement zich in beginsel niet aan had hoeven houden, maar toch.

Het antwoord op de vraag naar dat waarom blijkt gecompliceerd. Het is zeker niet zo dat er één enkele oorzaak of reden aanwijsbaar is, die verantwoordelijk is voor de historische gebeurtenis. Sterker nog, er is zelfs niet een enkele factor die er bovenuit steekt. Alleen door een heel complex van vooral kleinere factoren in onderling verband te beschouwen kunnen we een antwoord geven op de vraag naar het waarom van het eerste landelijke referendum van Nederland. Die zijn in drie clusters onder te brengen: maatschappelijke factoren, partijpolitieke factoren, en factoren die aan het referendum zijn gerelateerd.

Nieuwe politiek van Fortuyn

Wat de maatschappelijke factoren betreft moet gewezen worden op de revolte van Fortuyn van 2002. De gevestigde partijen en politici waren door hem met hun neus op de feiten gedrukt. Hoewel het concept vaag was en bleef, wist Fortuyn met zijn Nieuwe Politiek velen aan te spreken. En bij dat nieuwe politiek moest zeker gedacht worden aan de stijl van politiek bedrijven, aan het politieke proces nog meer dan aan de inhoud. Fortuyn claimde te zeggen wat de mensen dachten en met die claim zei hij zich te onderscheiden van de gevestigde politici, van de Oude Politiek. Het succes van Fortuyn in de peilingen en van zijn LPF op 15 mei 2002 maakte duidelijk dat er een aanzienlijke behoefte bestond aan politieke helderheid en openheid. Ook werd hieruit afgelezen dat vele kiezers meer invloed wilden hebben op de besluitvorming in Nederland. Tegen deze maatschappelijke achtergrond moet de motie-Timmermans van november 2002 worden gezien. Deze motie verzocht een referendum te houden over de uitkomsten van de Europese Conventie en kreeg de steun van een meerderheid van de toenmalige Tweede Kamer.

De ‘Nieuwe Politiek’ van Pim Fortuyn drukte de gevestigde politieke orde flink met de neus op de feiten…

Wisselingen in de politieke top

De tweede groep factoren heeft betrekking op partijpolitieke aspecten. De dramatische verkiezingen van 15 mei 2002 hadden niet alleen een politieke aardverschuiving teweeggebracht, maar zorgden bij tal van partijen direct of indirect voor wisselingen in de politieke top. Met het oog op het referendum zijn vooral de wisselingen bij de VVD van cruciaal belang. Daar vertrok eerst Dijkstal om plaats te maken voor Zalm, maar toen de laatste na de vervroegde verkiezingen van januari 2003 in het tweede kabinet-Balkenende plaatsnam werd de vraag naar het leiderschap weer actueel. Zalm of Van Aartsen? Een tegenstander van het referendum of een voorstander? De strijd om het liberale leiderschap werd in zekere zin via het referendum beslist. Toen Van Aartsen, tegen de VVD-traditie en dus tegen de verwachting van velen in, er in slaagde om zijn fractie in grote meerderheid achter het referendum te krijgen, was de strijd om het leiderschap beslist. Die beslissing, die eerder en sneller was genomen dan gepland en Zalm had verrast, betekende dat er in de Tweede Kamer een meerderheid was voor het referendum.

Gerrit Zalm en Jozias van Aartsen. Bron: Netwerk, omroep.nl

De komst van Wouter Bos als leider van de PvdA was eveneens van belang, hoewel van minder gewicht dan de komst van Van Aartsen. Bos, zelf direct door de leden van de partij gekozen, stond nadrukkelijk voor een meer open houding van zijn partij. Zijn partij was, zoveel had het succes van Fortuyn en de electorale afstraffing van zijn PvdA hem wel duidelijk gemaakt, teveel naar binnen gekeerd en had het contact met de kiezer/burger verloren. Daar zou wat hem betreft verandering in komen. Een dergelijke grondhouding moet welhaast leiden tot steun voor een referendum.

Een derde op het oog triviale maar desalniettemin relevante factor heeft van doen met de achtergrond van Kamerleden. Het waren niet meer de staatsrechtgeleerden die zich met politieke en bestuurlijke vernieuwing bezighielden, maar enkele niet-juristen. De drie ontwerpers van het initiatief-wetsvoorstel dat het uiteindelijk halen zou en dat de basis was van het referendum, Farah Karimi (GroenLinks), Niesco Dubbelboer (PvdA) en Boris van der Ham (D66), werden niet al te zeer gehinderd door zorgen ten aanzien van de vele mogelijke juridische haken en ogen die een referendum in Nederland zou kennen. Zij maakten zich vooral zorgen om de (vermeende) kloof tussen burger en bestuur, dachten dat het referendum een bijdrage kon leveren aan de oplossing ervan – en gingen enthousiast met een concreet voorstel van referendum aan de slag.

ESA , University of Heidelberg

Een onafwendbaar referendum

Ten derde zijn er enkele aspecten rondom het referendum die er mede voor hebben gezorgd dat het referendum er kwam. Ten eerste ‘hing het in de lucht’, zou je kunnen zeggen. Toen Hans Wiegel in 1999 zijn roemruchte Nacht beleefde door als lid van de Eerste Kamer voor een voldoende aantal tegenstanders te zorgen van de grondwetswijziging die het referendum mogelijk zou maken, werd al geconstateerd dat het om een achterhoedegevecht ging. Immers, de wijziging was in eerste instantie door Tweede en Eerste Kamer gekomen en in tweede instantie zelfs met de vereiste tweederde meerderheid door de Tweede Kamer. Het mocht dan weliswaar sneuvelen in de eerste Kamer, maar dan wel met 49 voorstemmen en 26 tegenstemmen, zodat ook in dat Huis een ruime meerderheid, waaronder alle VVD’ers minus Wiegel, voor was. Overigens wijst peiling na onderzoek uit dat al decennia lang een ruime meerderheid van de Nederlandse bevolking voorstander is van het referendum.

Een zeer belangrijke rol speelde de Raad van State. Het advies over het wetsvoorstel was positief: het referendum werd niet in strijd met de Nederlandse Grondwet geacht, en de zogenoemde Europese Grondwet was van zodanig belang dat een aparte, zware procedure zeker verdedigbaar was. Dit advies van de zo gezaghebbende raad werd door met name de VVD met beide handen aangegrepen om voor het wetsvoorstel te kunnen zijn, met telkens weer direct de kanttekening dat het hier om een eenmalig referendum over een unieke gebeurtenis ging.

De aard van het referendum zelf maakte het instrument eveneens aanvaardbaar voor voorheen stugge tegenstanders. Het ging tenslotte slechts om een raadplegend referendum, waarvan het resultaat niet meer mocht en kon zijn dan een advies van het Nederlandse volk aan het parlement. Dat parlement had, zo hamerden de indieners van het wetsvoorstel keer op keer op hetzelfde aambeeld, uiteindelijk alle vrijheid om met dat advies te doen wat het wilde. Het laatste woord bleef voor de Kamers. Formeel volledig juist maar politiek en materieel zacht gezegd naïef. Maar die gespeelde naïviteit was nodig om de Kamerleden die van geen wijken van de organen van de vertegenwoordigende democratie wilden weten over de streep te trekken. Het werkte.

Ten slotte was er het onderwerp van het referendum, een vraagstuk op het terrein van de Europese integratie. Dit leende zich prima voor een referendum. Ten eerste bestond bij vele Kamerleden het idee dat juist ten aanzien van Europa in het verleden te veel beslissingen waren genomen over de hoofden van burgers heen. Was de Euro, die van al deze beslissingen het symbool was, niet door de strot van de Nederlandse burger geduwd? Het was hoog tijd de burger eindelijk eens zeggenschap te geven met betrekking tot het voortgaande proces van Europese integratie. Dat het, ten tweede, hier om een onderwerp ging dat wat verder van de Nederlandse Kamerleden af stond, zodat het houden van een referendum geen al te nadrukkelijke schuldbekentenis en hand in eigen boezem was, kwam mooi uit. Zoals het ook zo was dat de meeste partijen intern verdeeld waren over de Europese Grondwet. Het vraagstuk voorleggen aan de bevolking kon voorkomen dat deze verschillen van inzicht tot een pijnlijke interne partijstrijd zouden leiden.

Niet iedereen in de politiek was vóór de Europese Grondwet, getuige de ‘tegenactie’ van de Socialistische Partij (SP).

Het was een historische dag, 1 juni 2005. Maar zoals vaker bij historische dagen is het lastig zo niet onmogelijk om precies uit te maken waarom nou net die ene dag de geschiedenis in gaat. Waarom geen jaar of week eerder, of vier maanden later? Dat is onmogelijk vast te stellen. Wat wel zeker lijkt, is dat diverse op zichzelf niet heel spectaculaire ontwikkelingen in het begin van de 21e eeuw precies netjes samenvielen. Stuk voor stuk kunnen ze niet verklaren waarom de Nederlandse politieke elite tot het houden van een referendum besloot. Gecombineerd echter maken ze duidelijk dat een referendum, in de woorden van een van de initiatiefnemers, Niesco Dubbelboer, een “onafwendbaar gegeven” werd. We hebben het geweten.

Afb. 6: Joop van Holsteyn is als universitair hoofddocent en als bijzonder hoogleraar Kiezersonderzoek verbonden aan het departement Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden. Deze bijdrage is een bewerking van in september 2005 op een internationaal congres gepresenteerd paper: ‘To refer or not to refer, that’s the question: On the first national referendum in the Netherlands’

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 september 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.