Je leest:

Het bewaren van de vrede

Het bewaren van de vrede

Auteur: | 25 juni 2007

Lukt het om in een woelige omgeving vrede tot stand te brengen en te bewaren? In Noord-Ghana zijn al jarenlang conflicten tussen twee bevolkingsgroepen: de Nanumba, de oorspronkelijke bewoners van de streek en nieuwkomers, de Konkomba. De conflicten gaan vooral over de vraag wie het land eigenlijk bezit: de geesten, de traditionele heersers of de nieuwe politieke machthebbers? Antropoloog Martijn Wienia onderzoekt waarom de bevolkingsgroepen slaags raakten en welke pogingen er zijn gedaan om vrede te brengen.

Ruzie heb je zo. We lezen dagelijks in de krant hoe gemakkelijk het is om elkaar naar het leven te staan. Maar kun je ook voorkomen dat mensen elkaar te lijf gaan? En als er toch eens iets voorvalt: hoe voorkom je dan dat het uitgroeit tot een conflict waarbij meer mensen betrokken raken? Martijn Wienia is antropoloog aan de Universiteit Leiden en hij schrijft een boek waarin hij op dit soort vragen een antwoord zoekt. Hij werkt in een gebied waar de afgelopen twintig jaar gewelddadige conflicten geweest zijn: in Noord-Ghana in Afrika. Waarom raken bevolkingsgroepen met elkaar in gevecht en hoe zorg je er voor dat dat niet weer gebeurt?

Het Nanung district ligt in een licht beboste vallei ten noorden van het Volta-meer. Het district is zo groot als de provincie Utrecht, maar het heeft ongeveer evenveel inwoners als Arnhem: 150.000. Grond is er dus niet schaars en erg vruchtbaar. De Nanumba zijn de oorspronkelijke bewoners van de streek, maar de grote meerderheid behoort tot de Konkomba; migranten die vanuit het noorden en oosten naar Nanung zijn gekomen. Foto: © Martijn Wienia

Van welkome gast tot vijand

Martijn Wienia doet onderzoek in het Nanung district in Noord-Ghana. De meeste mensen leven van landbouw en veeteelt. De Nanumba zijn de oorspronkelijke bewoners van de streek, maar de grote meerderheid behoort tot de Konkomba; migranten die vanuit het noorden en oosten naar Nanung zijn gekomen. Die migratie begon al in de jaren dertig van de vorige eeuw; families wonen dus soms al bijna tachtig jaar in Nanung, maar ze reizen meestal nog steeds eens per jaar naar hun oude dorp. De Konkomba trokken uit die dorpen weg vanwege conflicten, maar ook gewoon omdat de Nanung vallei vruchtbaarder was.

De migranten werden in het begin vriendelijk ontvangen, er was immers grond in overvloed en meer mensen betekende ook dat de streek belangrijker werd in de Ghanese politiek. Langzamerhand zijn de verhoudingen verslechterd en in 1981 en in 1994-5 waren er gevechten tussen Nanumba en Konkomba waarbij veel mensen omkwamen. De Konkomba voelden zich tweederangsburgers, omdat zij niet dezelfde privileges hadden als de Nanumba. Zo mogen Konkomba geen tindana, of aardpriester, worden – een belangrijke functie in een regio waar geesten een belangrijke rol spelen. Ook hebben de Konkomba geen zeggenschap over wie hun Naa, of koning, wordt. Inmiddels zijn de rechten en plichten van beide groepen vastgelegd in een aantal akkoorden. Sinds 1995 is er nu vrede in Nanung.

De inwoners van Nanung verbouwen koren, yams, cassave, tomaten en paprika en ze houden geiten, schapen en parelhoenders, een soort kippen. Wat ze overhouden verkopen ze op de markt in steden als Bimbilla, Wulensi en Chamba. Een man kan meerdere vrouwen hebben en woont met die vrouwen, kinderen en andere familieleden op een erf dat gezamenlijk bezit is. De Nanumba wonen meestal in of rond de grootste stad, Bimbilla. Foto: Yammarkt in Bimbilla. © Martijn Wienia

Vrede bewaren

Het onderzoek van Martijn Wienia gaat over de vrede tussen de Nanumba en Konkomba: blijft hij in stand en als hij bedreigd wordt, waar komt dat dan door? Hij is geregeld een paar maanden in Chamba en legt zo gedetailleerd mogelijk vast hoe daar wordt samengeleefd. De thema’s die Martijn Wienia interessant vindt zijn tolerantie, de multiculturele samenleving en migratie. Hij bestudeert die in andere samenlevingen en lijkt daarbij Nederland ver achter zich te laten. Maar dat is volgens hem maar schijn. ‘Misschien verschilt de aanleiding, maar achterliggende thema’s zijn vaak hetzelfde. Daarmee wil ik niet zeggen dat wat daar gebeurt precies hetzelfde is als in Nederland, maar je kunt ook niet zeggen dat conflicten in Afrika radicaal verschillend zijn van wat wij hier beleven. We zien dagelijks in het nieuws hoe moeilijk het is vrede af te dwingen en in stand te houden in bijvoorbeeld Irak of Afghanistan. Maar ook in grote steden zijn soms conflicten tussen oude inwoners en nieuwkomers.’

Lukt het om de vrede te bewaren in Chamba? ‘Ik was daarover pessimistisch’, zegt Martijn Wienia, ‘maar sinds ik eind 2006 in Chamba was ben ik optimistisch. In december 2005 is het bijna helemaal uit de hand gelopen. Er waren twee weken lang enorme spanningen; bijna brak weer een conflict uit tussen Nanumba en Konkomba. Het was heel indrukwekkend om te zien hoe die spanningen in korte tijd zo konden oplopen. Maar veel mensen gaven tegengewicht. Men zei: “Tot tweemaal toe zijn onze huizen afgebrand en is alles vernietigd. Wij willen geen oorlog meer.” Dat was zo sterk dat de dreiging ook weer snel verdween. Vooral de studenten hebben een belangrijke rol gespeeld; het gebeurde in de Kerstvakantie. Op eerste Kerstdag was in Chamba de hele Nanumba bevolking gevlucht. Niemand wist waarom. De hele stad was in rep en roer, maar de studenten zijn heel serieus bezig gegaan met pleiten voor vrede.’

Ghana ligt in het westen van Afrika. De stad Bimbilla ligt in het Nanung district.

klik op de afbeelding voor een grotere versie

Het land van de geesten

Eén van de redenen voor de strijd tussen Nanumba en Konkomba is een conflict over land. Want wie is nu de eigenaar van het land in deze streek? Dat is niet zo gemakkelijk vast te stellen. Volgens de Nanumba behoort het land eigenlijk niet toe aan mensen maar aan de geesten, de wuni. De aardpriesters, de tindana hebben de taak om te bemiddelen tussen de geesten en de bewoners van het land. Ze vragen namens de bevolking toestemming om het land te gebruiken. De plek waar de geesten gunstig worden gestemd wordt een boghole genoemd. Behalve de wuni spelen ook de voorouders een belangrijke rol. Zij zien er ook na hun dood nog op toe dat de boerderij goed wordt beheerd. Ook aan hen wordt geofferd.

Met de wuni valt niet te spotten. Komt een slang die best een geest zou kunnen zijn je huis binnen, dan doe je er beter aan een offer te brengen om te voorkomen dat je oogst mislukt. Offeren doe je niet alleen maar voor jezelf, maar je vraagt de zegen van de geest voor de hele gemeenschap. Je moet in ieder geval een offer brengen als je als migrant in een streek komt waar je wilt gaan wonen. Je vraagt dan toestemming aan de geesten om het land te bebouwen en vraagt hun hulp om een goede oogst te krijgen. Verder is het nodig te offeren vóór het planten, na de oogst en voor het schoonmaken van het land en het inkuilen van de yams. Je kunt de aardpriester een parelhoen of schaap laten offeren, maar ook alcohol of melk laten uitgieten. Alleen kinderen van de oorspronkelijke bewoners kunnen aardpriesters worden. Voor de Nanumba is het offeren ook een politieke daad; het gaat niet alleen om het offeren zelf, maar ook om de vraag wie het recht heeft om te offeren.

De offerplaatsen zien er op het eerste gezicht gewoon uit als een boom of een open plek in een bosje, maar het kan ook een rivier zijn. Men zegt dat je vanzelf wel voelt dat je op een heilige plek bent als je in de buurt van een boghole komt. De geesten die hier offers ontvangen zijn onzichtbaar, maar ze kunnen soms ook de gedaante aannemen van een slang, een krokodil, een leeuw of zelfs een man. Met de wuni valt niet te spotten. Sommige wuni hebben speciale wensen: ze willen niet dat je licht maakt als het donker is, hebben liever niet dat je rode kleren draagt of dat je fluit of lawaai maakt als de zon onder is. Een waarzegger kan je vertellen wat je precies moet doen als je denkt dat de geesten je niet meer goed gezind zijn. Foto: Landoffer. © Martijn Wienia

Wiens land en wiens rituelen?

De Konkomba, de migranten in Nanung, respecteren de geesten en houden zich aan hun ge- en verboden. Sommigen geven de aardpriesters in hun streek ook geld om een parelhoen of schaap te offeren om een goede oogst zeker te stellen. Maar lang niet alle Konkomba geloven dat alleen de oorspronkelijke bewoners contact kunnen leggen met de geesten. Zij offeren dan wel in de boghole, maar doen dat zelf of laten dat doen door een belangrijke man uit hun eigen dorp. Dat zet natuurlijk kwaad bloed bij de Nanumba, die vinden dat de aardpriester, die toch een achtenswaardig man is, daardoor in zijn hemd wordt gezet. Aan de andere kant voelen de Konkomba zich weer achtergesteld bij de Nanumba omdat ze, ook al wonen ze al generaties lang in de streek, nog steeds geen kans maken om aardpriester te worden. Intussen hebben veel Nanumba zich bekeerd tot de islam en zijn veel Konkomba christenen geworden, maar voor het geloof in de geesten van het land maakt dat niet zo veel uit. Die krijgen nog steeds hun offers, om te voorkomen dat de oogst mislukt door de wraak van de geesten.

Antropologen onderscheiden zich vooral van andere sociale wetenschappers door de manier van onderzoek doen. Om te kunnen begrijpen hoe mensen samen leven en soms met elkaar in conflict raken is het nodig zo precies mogelijk in kaart te brengen hoe ze hun omgeving en elkaar zien. Waar leven mensen van en hoe komen ze aan de middelen voor hun bestaan? Welke invloed heeft godsdienst op het dagelijks leven en welke betekenis hebben verschillende manieren om god of goden te dienen voor hun kijk op zichzelf en hun medemensen? Wie heeft zeggenschap, op welk gebied, en wie bepaalt dat? Antropologen zijn vooral geïnteresseerd in processen van verandering: waarom veranderen mensen van woonplaats of godsdienst? Waarom gaan jonge mensen anders met elkaar om dan hun ouders dat deden? Antropologen leven vaak langere tijd in een bepaalde gemeenschap, kijken goed om zich heen en interviewen zoveel mogelijk mensen, van hoog tot laag, om antwoorden te vinden op dit soort vragen. Foto: In het veld. © Martijn Wienia

Het vel van de koning

Het land behoort naast de geesten ook toe aan de Naa, de koning. Het is zijn taak om voor zijn mensen te zorgen. Hij doet dat door belastingen te heffen in de vorm van yams of gierst of door zijn onderdanen te laten werken op gemeenschappelijk land. De opbrengst deelt hij weer uit aan zijn onderdanen. De hoogste in rang is nu de Naa van Bimbilla, de hoofdstad van Nanung. Ghana is sinds vijftig jaar een onafhankelijke democratische staat, maar het systeem van de Naa is in stand gebleven. Een Naa wordt niet gekroond, zoals de Engelse koningin, maar ‘op het vel gehesen’. De Bimbilla Naa heeft een zetel bekleed met een leeuwenhuid en als hij zijn functie krijgt, dan wordt hij letterlijk op het vel van de leeuw gezet. De overdracht van macht wil nog wel eens mis gaan; er is wel eens een koning vermoord.

De koloniale erfenis Nanung was lange tijd een speelbal van verschillende overheersers. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog werden de Northern Territories een Engelse kolonie. Ghana maakte tot 1957 deel uit van het Britse rijk en het land behoorde toen volgens de wet toe aan de Engelse koningin. Het koloniale bestuur hechtte veel waarde aan ‘inheemse’ vorsten en in de praktijk was het geaccepteerd dat zij het land bestuurden. Maar vóór de Engelse tijd bestond er niet overal een duidelijk netwerk van lokale leiders. De Naa kregen tijdens het Engelse bewind dan ook een machtige positie, die ze daarvoor lang niet overal hadden. Foto: Chief in Chamba. © Martijn Wienia

Democratie

Ghana is nu een democratisch land: ieder district heeft ook een vertegenwoordiger in het parlement. De strijd tussen de twee grootste partijen, de National Patriotic Party en het National Democratic Congress, is ook in Nanung belangrijk. Beide partijen realiseren zich dat er veel meer Konkomba dan Nanumba zijn en dat het belangrijk is die aan je te binden als je de verkiezingen in deze streek wilt winnen.

Tweederangs burgers

Waarom zijn er nu precies conflicten ontstaan tussen de inwoners van Noord Ghana? We hebben boven al gezien dat migranten welkom zijn in deze streek; er is land genoeg voor iedereen. Maar de Nanumba verwachten wel dat nieuwkomers zich aanpassen aan de ongeschreven regels. Ze moeten bijvoorbeeld ook werken op het land van de Naa, een deel van de oogst aan de koning geven, de achterpoot van een koe sturen bij een begrafenis en bij droogte of ander ongerief meedoen aan gemeenschappelijke offers in de boghole. Maar de Konkomba vinden dat ze worden behandeld als tweederangs burgers. Ze hebben geen stem als er een nieuwe Naa wordt gekozen en ze kunnen geen aardpriester ( tindana) worden. Ook al was hun overgrootvader al boer in deze streek, dan nog zijn invloedrijke functies als Naa en tindana voor hen niet bereikbaar. Ze maken nu zelf heiligdommen in huis of in het bos, om zo de geesten van hun eigen voorouders gunstig te stemmen.

In 1957 steunden de Nanumba Nkrumah, de leider van de onafhankelijkheidsbeweging, die een socialistisch bewind voerde. In 1966 pleegde het leger een staatsgreep waardoor Ghana met kleine onderbrekingen tot aan 1992 een militaire dictatuur was. In 1992 werden voor het eerst sinds 1979 verkiezingen gehouden waaraan meerdere partijen konden deelnemen. Die werden gewonnen door de National Democratic Congress, de partij van Jerry Rawlings. Luitenant Rawlings was al elf jaar als dictator aan de macht geweest. Pas in 2000 werden de verkiezingen gewonnen door de concurrerende partij, de National Patriotic Party. Als inwoner van Nanung heb je met verschillende ‘overheden’ te maken. Het probleem in veel Afrikaanse landen, zegt Martijn Wienia, is dat men zowel onderdaan als burger is. De traditionele koninkrijken bestaan nog, mede doordat ze door de koloniale overheersers in stand zijn gehouden. Als lid van zo’n koninkrijk ben je een onderdaan; er zijn oude regels om te bepalen wie de nieuwe koning wordt als de oude sterft en met democratische verkiezingen heeft dat niets van doen. Maar in veel Afrikaanse landen is er ook een democratisch gekozen bestuur en daar gelden andere regels; je bent een burger met rechten en plichten. Die twee manieren om je te verhouden tot het bestuur zorgt regelmatig voor spanningen.
Martijn Wienia

Jongeren zetten conflict op scherp

Er zijn verschillende jongerenbewegingen in Nanung. De Nanumba Jongerenvereniging heeft een belangrijke rol gespeeld bij het juridisch vastleggen van de rechten van de Naa in 1979. Het land was tijdens de koloniale tijd in bezit van de Engelse koningin en na de onafhankelijkheid werd de president eigendom van het land. Maar traditionele dorpshoofden eisten in de jaren zeventig ‘hun’ land terug en in 1977 werd inderdaad een voorstel aangenomen waarin dat werd geregeld. In de grondwet van 1979 en opnieuw in 1992 stond daarom dat ‘Al het land behorend bij een zetel in Ghana is verbonden aan die zetel, daaraan toevertrouwd ten behoeve van de onderdanen van die zetel zoals vastgelegd in gewoonte en traditie.’ De Nanumba Jongerenvereniging speelde een belangrijke rol in het verstevigen van de macht van de Naa (die altijd een Nanumba is).

Maar in 1974 richtten Konkomba jongeren op hun beurt de De Konkomba Jongerenvereniging op. Deze vereniging wil meer rechten voor Konkomba’s. Zij willen net als de Nanumba’s zeggenschap in de Naam. Democratie, modernisering en christendom hebben hun intrede gedaan waardoor de jongeren ideeën over ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ opdoen. Die ideeën maken dat ze ontevreden zijn over de inschikkelijkheid waarmee hun ouders zich hebben neergelegd bij hun tweederangs positie in Nanung.

Typisch Nanumba erf. Foto: © Martijn Wienia

Uitbarsting

In het begin van de jaren tachtig kwam het conflict een eerste keer tot een uitbarsting. In 1980 benoemden de Konkomba een eigen onderhoofd in Bimbilla om huwelijksgeschillen te beslechten. Omdat meisjes jong worden uitgehuwelijkt, en later niet altijd bereid zijn met de uitgezochte man te trouwen, zijn dat er nogal wat. De bemiddeling van die geschillen leverde de dorpshoofden van de Nanumba veel inkomsten op en zij dwongen hun Konkomba concurrent het dorp te verlaten. Hierna organiseerde de Konkomba Jongerenvereniging een boycot van de Nanumba yammarkt. De spanning tussen de bevolkingsgroepen kwam tot een uitbarsting in 1981: huizen werden verbrand en er werd geplunderd en gemoord. Toen de Bimbilla Naa ook nog onder geheimzinnige omstandigheden om het leven kwam laaiden de gevechten weer op tot de Nanumba waren verslagen.

De situatie bleef gespannen tot in 1994 opnieuw gevechten uitbraken nadat een Konkomba ruzie kreeg met een Nanumba over de verkoop van een parelhoen en hem en zijn gezin om het leven bracht. Dit leidde tot felle gevechten in heel Noord-Ghana; sommigen zeggen dat 2000 mensen omkwamen, anderen houden het op 5000. Ongeveer 150.000 mensen sloegen op de vlucht. Veel mensen zijn niet meer naar hun eigen dorp teruggegaan; Bimbilla is nu bijna volledig Nanumba, maar de andere steden en dorpen bestaan voor het overgrote deel uit Konkomba.

De Nairobi Peace Group werd in 1984 opgericht door een aantal wetenschappers en kerkleiders uit Nairobi, Kenia. In de hoorn van Afrika werd toen hevig gevochten na een periode van extreme droogte. Hulporganisaties hielpen wel met water en eten, maar de onderliggende oorzaken van alle ellende bleven in stand. De Nairobi Peace Group vond het belangrijk dat de onderlinge strijd en de voortdurende opstanden werden bestreden zodat mensen zichzelf weer konden helpen. Zij bestookten organisaties, regeringen en politici om een discussie op gang te brengen over de vraag hoe het komt dat Afrika steeds weer wordt geteisterd door oorlogen en geweld. In de loop van de tijd heeft de groep, die sinds 1989 Nairobi Peace Initiative heet, bemiddeld bij conflicten, trainingen aangeboden en geholpen bij het op gang brengen van verzoeningsgesprekken. Ze houden zich, sinds 1999 onder de naam NPI-Africa, ook bezig met onderzoek naar conflicten en documentatie om te laten zien dat ze zich in willen zetten voor vrede in heel Afrika. Foto: Chiefs op vredesbespreking. © Martijn Wienia

Vrede is meer dan alleen niet vechten

Na de gevechten in 1995 heeft de overheid een commissie ingesteld om te zorgen voor vrede, maar die had na een jaar nog geen resultaat geboekt. Een tiental hulporganisaties waaronder het Rode Kruis en Oxfam, vonden dat het zo niet langer kon en riepen het Nairobi Peace Initiative te hulp. Die stuurde Hizkias Assefa, een Ethiopiër die aan een Amerikaanse universiteit werkt en zich bezighoudt met het stichten van vrede. Vrede, vindt Assefa, betekent niet alleen maar dat je niet vecht, maar dat je ook actief probeert de verhoudingen die spanning opleveren, te veranderen. Vrede kun je alleen samen met je vijand sluiten. Om dat te kunnen doen moet je ophouden elkaar te beschuldigen, maar elkaar vergeven en ook jezelf vergeven voor wat je gedaan hebt. Onder leiding van Hizkias Assefa zijn workshops gehouden met dorpshoofden, vrouwen en leden van de jongerenorganisaties. Zij hebben een aantal akkoorden opgesteld die door alle partijen zijn ondertekend. In die akkoorden is vastgelegd dat het land van de Nanumba is, maar dat de Konkomba ‘broeders’ zijn die samen met de Nanumba het land ontwikkelen.

Akkoorden: rechten voor beide groepen

Die akkoorden lijken een goede basis te hebben gelegd voor samenwerking tussen de bevolkingsgroepen, maar dat wil niet zeggen dat nu alles vanzelf gaat. Volgens de akkoorden hebben de Konkomba ook het recht om eigen dorpshoofden te kiezen. Daarnaast kunnen zij nu ook burgemeester worden en andere politieke functies bekleden. Vroeger kon dat ook wel, want de burgemeester is een democratische en geen traditionele politieke functie, maar dat deed je gewoon niet. De eerste keer dat een Konkomba zich wel kandidaat stelde kwamen er meteen protesten en de koning van Bimbilla moest via de lokale radio zeggen dat dit volgens de akkoorden in orde was. In het akkoord, zegt Martijn Wienia, worden de rechten van de Nanumba vastgelegd, maar ook de Konkomba krijgen rechten. Het is een basis die nu al meer dan tien jaar heeft gezorgd voor vrede, maar er zijn nog steeds spanningen die steeds op verschillende plekken aan de oppervlakte treden. Maar Martijn Wienia is optimistisch, vooral over de rol van de jongerenverenigingen. In Nanung hebben de jongerenverenigingen er voor gezorgd dat de conflicten aan de oppervlakte kwamen. Nu lijken ze te hebben geleerd dat het verstandig is ze uit te praten en niet uit te vechten.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 25 juni 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.