Je leest:

Het bange dier

Het bange dier

Auteur: | 8 januari 2008

In tegenstelling tot veel dieren waarbij angst een automatische reactie is, zijn mensen zich bewust van hun angst en kunnen erover nadenken. Een twijfelachtig genoegen, want daardoor kunnen we ook angststoornissen ontwikkelen. Net als onze naaste familieleden, de chimpansee en de orang oetan, trouwens.

Als we het nieuws mogen geloven kunnen chimpansees op geheugentesten zelfs een groep studenten verslaan. Net als de mens herkennen ze zichzelf als individu en de kans is groot dat ze ook angststoornissen kunnen hebben. Maar niet alleen onze naaste familie krijgt deze typisch menselijke trekjes, het hele dierenrijk is doordrenkt van angst.

Menselijke angst is diepgeworteld in ons dierlijk verleden. In tegenstelling tot veel dieren waarbij angst een automatische reactie is, zijn mensen zich bewust van hun angst en kunnen erover nadenken. Eigenlijk een twijfelachtig voordeel van ons sterk ontwikkelde brein, want we kunnen als gevolg daarvan ook angst voor de angst ontwikkelen die misschien nooit komt. Mogelijk met uitzondering van onze naaste familieleden, zoals de chimpansee en orang oetan, hebben de meeste dieren dit vermogen niet. Zij reageren pas wanneer er gevaar dreigt.

In dit artikel wordt angst bij de mens ontrafeld in verschillende aspecten en gaan we via de evolutionaire ladder weer naar beneden om te zien welke aspecten van angst bij de mens terug te vinden zijn bij wat wij, een beetje oneerbiedig, de lagere dieren noemen. En we gaan die ladder helemaal af tot waar hij begint. Bij de eerste ééncellige wezens die op aarde bestonden.

Anticiperende angst

Eerst moeten we het begrip angst helder hebben en onderscheid maken in drie vormen van angst: vrees, angsttoestand en paniek. Vrees is een reactie op een gevaar of dreiging. De duur van vrees is relatief kort en onderscheidt deze vorm van angst van een angsttoestand of stemming. Paniek is een plotselinge explosieve uitbarsting van vrees.

De meeste dieren zijn niet in staat om angst te hebben voor de angst. Afgezien van de mens, de chimpansee en de orang oetan reageren dieren alleen met paniek of vrees wanneer er gevaar dreigt.

Een angsttoestand wordt vaak omschreven als een secundaire reactie op de primaire vrees- of paniekreactie. Dus de angst voor de angst of paniek. Een duidelijk gevaar of een duidelijke bedreiging is vaak niet aanwezig en dat betekent dat een angsttoestand meer cognitief vermogen vraagt dan vrees of paniek.

Het wezenlijke verschil tussen een angsttoestand (anxiety) en vrees (fear) kan zo worden geformuleerd dat vrees een reactie is op een onmiddellijke en zekere dreiging en een angsttoestand een onzekerheid inhoudt over een potentiële dreiging. Het is een soort anticiperende vrees, het vooraf voelen dat er misschien een dreiging aankomt.

Hoe uit angst zich?

Naast het begrip angst moeten we, om angst in de vele soorten dieren te herkennen, ook weten hoe angst zich uit. Wanneer wij worden geconfronteerd met een losgebroken leeuw, zetten we het op een lopen. Dat is de gedragscomponent vluchten, maar als we nergens heen kunnen dan gaan we zeker de strijd met de leeuw aan . Wellicht tegen beter weten in, maar we laten ons niet passief verscheuren. Om ons gedrag mogelijk te maken, stroomt letterlijk de adrenaline door onze aderen en begint het hart veel sneller te pompen en mobiliseert ons lichaam alles wat nodig is om deze inspanning mogelijk te maken. Dit is de fysiologische component.

Maar er is nog meer. We gillen het uit en onze gezichtsuitdrukking spreekt boekdelen. We zijn doodsbang. Alleen apen en halfapen delen met de mens de gezichtsuitdrukking. Andere dieren hebben deze niet en hoe bang ze ook zijn, ze vertrekken geen spier. Ze kunnen het gewoon niet. Maar dieren hebben nog vele andere slimme en verrassende manieren om zich te uiten wanneer gevaar dreigt. Dit is de expressiecomponent en we zullen straks zien hoe dieren de wildste capriolen uitvoeren om aan hun belagers te ontkomen.

Alleen mensen, apen en halfapen hebben een gezichtsuitdrukking. Andere dieren vertrekken geen spier, hoe bang ze ook zijn. Ze kunnen het gewoon niet.

Reacties op dreigend gevaar

Mens en dier staan voortdurend in contact met hun omgeving. Nauwlettend wordt de omgeving `gescand’ op gevaar. Dient dat zich aan, dan treden verschillende reacties op, zoals vluchten of vechten. Zelfs bij de eerste ééncelligen treden reacties op waarin de cel het gevaar vermijdt of ontvlucht. Dat betekent dat deze primaire reacties niet afhankelijk zijn van een brein, omdat deze lagere vormen die niet hebben.

Maar ook andere reacties treden op bij gevaar. Zo stoppen zeeslakken met voeden en blijven verschillende insecten bewegingloos zitten. Al deze kenmerken hebben honderden miljoenen jaren standgehouden en vinden we zelfs terug bij de gewervelde dieren zoals reptielen, vissen, vogels en zoogdieren. Bij een dreigend gevaar treedt een gedragsverandering niet meteen op, maar ontstaat er een soort waakzame periode waarin het lichaam voorbereidingen treft om deze verandering mogelijk te maken. Zo gaat het hart van een kreeft in een aquarium sneller kloppen als er een steentje in het water valt. Blijkt het gevaar daarna weg te ebben, dan komt de kreeft niet in actie.

Alarmeringssystemen

Het is natuurlijk belangrijk met welke middelen de omgeving wordt gescand. Hoe komen mens en dier erachter dat zij gevaar lopen? En waarin verschillen hun uitrustingen om dreiging gewaar te worden? In de loop van miljarden jaren zijn vijf `alarmeringssystemen’ ontwikkeld. De lagere dieren hebben er maar één of twee, de mens heeft ze alle vijf. Deze systemen worden SEC’s genoemd, wat `stimulus evaluation checks’ betekent. Als we dit begrip omschrijven, dan houdt dat in dat iedere prikkel in de omgeving wordt geëvalueerd op gevaar of veiligheid.

Hoe komen mens en dier erachter dat zij gevaar lopen? In de loop van miljarden jaren zijn vijf `alarmeringssystemen’ ontwikkeld. De mens gebruikt ze alle vijf, lagere diersoorten gebruiken er een of twee.

In het Nederlands zouden we deze term kunnen vertalen in evaluatie of beoordeling van omgevingsprikkels. Laten we hiervoor de afkorting BOP gebruiken. De eerste BOP treffen we aan bij zeer eenvoudige organismen die niet over zenuwcellen beschikken en waarbij deze beoordelingen genetisch vastliggen en van generatie tot generatie worden doorgegeven. Deze `novelty check’, of vrij vertaald `in de omgeving is iets vreemds aan de hand’ maakt ééncellige organismen alert dat er in de omgeving mogelijk gevaar dreigt. Maar deze primitieve functie vinden we ook bij wormen, fruitvliegjes en de mens. Wanneer blijkt dat herhaalde novelty checks geen gevolgen hebben, treedt habituatie op: gewenning voor het vreemde en het organisme slaat er verder geen acht meer op.

Innnerlijke `detector’

De tweede BOP wordt de `intrinsic pleasantness check’ genoemd. Een innerlijke `detector’ vertelt ons of een omgevingsprikkel prettig of onprettig is. Moeten we het vreemde, het onbekende vermijden of er juist naar toe gaan. Bij mensen zijn de hersenen hier nauwelijks bij betrokken en bij lagere dieren al helemaal niet. Deze BOP vinden we zelfs bij primitieve diertjes zoals de ééncellige amoebe. Deze vindt een beetje licht kennelijk prettig, want hij beweegt zich naar het licht toe, maar wanneer het licht feller wordt, trekt hij zich terug. Een worm weet feilloos giftige chemicaliën en zure stoffen te vermijden. Deze BOP is een belangrijke overlevingsfactor en vinden we in alle lagen van het dierenrijk en bij de mens.

Behoefte van het organisme

Doelen en behoeften spelen een rol bij de derde BOP, de `goal/need conductiveness check’. Geëvalueerd wordt of de vreemde prikkel of gebeurtenis een voor- of nadeel is voor de doelen of behoeften van het organisme. Ook bij deze BOP hoeven er geen hersencellen aan te pas te komen en kunnen deze volledig genetisch worden bepaald. Zo verstopt de inktvis zich voor roofdieren onder het zand en houdt een sprinkhaan zich doodstil wanneer hij een kikker tegenkomt. Bij de wat hogere organismen, waarbij doelen en behoeften duidelijker zichtbaar zijn, geldt de derde BOP. Bij lagere dieren zijn de tweede en derde BOP eigenlijk niet van elkaar te onderscheiden.

Als een inktvis een roofdier detecteert, verstopt hij zich onder het zand. Foto gemaakt door Sparkz

Learned helplessness

De vierde BOP is de `coping potential check’. In tegenstelling tot de vorige drie BOP’s kan het organisme nu daadwerkelijk invloed uitoefenen op de omgevingsprikkel en het aanpassen aan zijn eigen behoeften. Deze functie vinden we niet bij ééncellige organismen en wormen. Door slechte ervaringen kan deze BOP zijn functie verliezen. Zo reageert een hond na het krijgen van niet te vermijden elektrische prikkels in een andere situatie waar hij de prikkels wel zou kunnen vermijden, er niet meer op.

Deze `learned helplessness’ ofwel aangeleerde hulpeloosheid, zien we bij veel dieren waaronder ratten, muizen, katten en schapen. Ook mensen ontkomen er niet aan. Iemand die in het verleden vaak situaties heeft meegemaakt die hij niet de baas kon, kan later situaties niet aan die hij feitelijk wel aan zou kunnen. Zo zou volgens de learned helplessness theorie iemand die depressief is en deze negatieve ervaringen heeft meegemaakt, in een nieuwe situatie nog steeds leven in de veronderstelling dat hij de situatie niet onder controle heeft.

Cultuur en protocultuur

De laatste BOP. De `norm/self compatibility check’. Een externe situatie wordt door de bril van eigen sociale en individuele normen en waarden bekeken. Het is duidelijk dat bij deze BOP een cultuur en tradities aanwezig moeten zijn. Is dat alleen bij de mens het geval? Volgens sommige wetenschappers zijn bij primaten een soort `protocultuur’ en tradities aanwezig. Een opmerkelijk voorbeeld bij de primaten is de overdracht van een nieuwe ‘vinding’ van een jonge vrouwtjesmakaak, die aardappels en tarwe schoon waste en deze handelwijze overbracht op de hele groep. Maar niet alleen dat. Komende generaties hebben er ook plezier van.

Een jonge vrouwtjesmacaca waste aardappels en tarwe schoon en bracht deze handelwijze over op de hele groep: een traditie was geboren.

Komen angsttoestanden ook bij dieren voor?

Het patroon van de verschillende BOP’s zorgen voor een specifieke emotionele toestand en daarmee samenhangende acties. De angsttoestand (anxiety) bij mensen kan gekenmerkt worden door een negatieve BOP2 (intrinsic pleasantness check), een negatieve BOP3 (eerder nadelen dan voordelen zien van een vreemde prikkel of gebeurtenis) en een negatieve BOP4 (learned helplessness). Omdat deze BOP’s ook van toepassing zijn op veel diersoorten, is het theoretisch te verwachten dat in veel dieren ook rudimentaire of meer ontwikkelde angsttoestanden voorkomen. Afhankelijk van de cognitieve vermogens zal de ene diersoort zich hier meer bewust van zijn dan andere diersoorten.

Geluid en geur

Als er gevaar dreigt, laat het dierenrijk een ongelooflijke creativiteit zien. Niet alleen slagen vele dieren erin hun eigen hachje te redden, maar ze sparen ook kosten noch moeite om hun soortgenoten kenbaar te maken dat er een dreiging in de lucht hangt. De groene meerkat laat specifieke geluiden horen als er roofdieren in de buurt zijn. Maar niet alleen dat. Uit de signalen is ook op te maken dat het om een luipaard, adelaar of python gaat. Vogels waarschuwen elkaar als er gevaar dreigt, maar ook vissen en krokodillen. De veldkrekel geeft ultrasonore signalen af waardoor zijn soortgenoten de kans krijgen om te vluchten. Zowel bij gewervelde als ongewervelde dieren is het maken van geluid een belangrijk waarschuwingssignaal.

Feromonen vormen een ander wapen tegen bedreiging. Feromonen zijn chemische stoffen die signalen overbrengen naar soortgenoten. Wanneer een indringer hun leefwereld dreigt binnen te dringen, produceren dwergspanners, hommels, bijen en wespen deze stoffen en zorgen ervoor dat hun soortgenoten zich klaar maken voor de verdediging. In feite wordt een algehele mobilisatie afgekondigd. Als een nijdige bijenzwerm op ons afkomt, is dat dus vast afgesproken werk. Het produceren van geuren om gevaar aan te duiden komt ook voor bij zoogdieren zoals wezels, muizen, ratten en zelfs halfapen.

Dieren gebruiken geluiden en geuren om elkaar te waarschuwen als er bijvoorbeeld een roofdier in de buurt is.

Camouflage

De meest voorkomende camouflage om aan gevaar is ontkomen, is om een andere vorm of kleur aan te nemen. Maar ook roepen, zingen of geuren worden gebruikt. In plaats van roepen of zingen op de `normale sterkte’, kunnen dieren het geluid afzwakken, waardoor het niet of nauwelijks door een roofdier wordt gehoord, maar nog wel door hun soortgenoten. Veel dieren zoals vissen, amfibieën, reptielen en vogels, kunnen een schutkleur aannemen, zodat ze niet te onderscheiden zijn van hun omgeving.

Hoewel zoogdieren, zoals sommige muizensoorten, dat ook kunnen, is dat maar heel zeldzaam. Veel ongewervelde dieren kunnen signalen uitzenden, zoals bonte mengelingen van kleuren, die suggereren dat de prooi giftig is of vies smaakt. Dit fenomeen komt ook bij vissen, amfibieën, slangen en vogels voor. Maar ook profiteren sommige dieren van hun giftige naaste soortgenoten: ze gaan er gewoon op lijken. Naaste soortgenoten kunnen natuurlijk ook allebei giftig zijn.

Een bijzonder verdedigingsmechanisme is dan dat beide soorten hetzelfde kleurenpatroon hebben, waardoor de kans op overleven voor de individuen in beide soorten groter is. En verder kennen we natuurlijk allemaal de wandelende tak. Een insect dat zich voordoet als een tak of een blad. En met succes. De naam geeft het al aan. Ook de mens zag geen insect maar een `wandelende tak’.

Een dier dat kan opgaan in zijn omgeving – zoals deze bidsprinkhaan – heeft een grotere kans om te overleven.

Beleving van angst

Bij mensen is een belangrijk aspect van angst de subjectieve beleving ervan. Door die `subjectieve’ bril ziet iemand de wereld maar ook zichzelf anders. Daarnaast is de mens in staat door zijn zelfbewustzijn in het verleden en de toekomst te kijken. Ook dieren kunnen herinneringen aan het verleden hebben, maar kunnen zichzelf als uniek wezen niet in de context van het verleden plaatsen, zij het wellicht met uitzondering van de hogere apen. Hogere dieren herinneren het wat, waar en wanneer, en dit vermogen is ook al bij vogels aanwezig. De mens herinnert het verleden waarin hij uitdrukkelijk als persoon deel van heeft uitgemaakt. En het is goed voor te stellen dat wanneer er nare herinneringen zijn dat de mens bang is dat het in de toekomst weer gebeurt.

Maar los van de herinneringen kunnen we ook gewoon angst voor de toekomst hebben, of angst voor een belangrijk examen of angst als ouder voor de toekomst van een ziek kind. In tegenstelling tot veel dieren leven we veel minder in het heden en spelen verleden en toekomst een belangrijke rol. De `prijs’ die we voor deze verworvenheden betalen, is een veel grotere kans om angstig te worden, om een angsttoestand te krijgen.

Zelfherkenning

Het grootste deel van de dieren herkent zichzelf niet als ze voor de spiegel zouden staan. De mens is echter niet het enige wezen dat wél ziet wie er voor de spiegel staat. Chimpansees en orang oetans zien ook zichzelf en opmerkelijk genoeg de gorilla niet. De lagere apen tonen geen zelfherkenning. Dat betekent dat op de fylogenetische ladder de overgang naar zelfherkenning niet tussen mens en dier ligt, maar tussen de lagere en hogere apen. Dat zou ook betekenen dat chimpansees en orang oetans min of meer bewust van zichzelf zijn en mogelijk ook het verleden meer beleven dan alleen wat, waar en wanneer. Het kan ook zijn dat ze weten dat ze zelf een rol in dat verleden speelden. Het zou wellicht eveneens betekenen dat de kans op een angsttoestand groter is dan bij apen die de zelfherkenning niet hebben.

Fylogenie (`stammen in wording’) bestudeert het ontstaan van groepen organismen uit weer andere groepen. We krijgen op deze manier een `evolutionaire stamboom’.

Systemen die de angsttoestand mogelijk maken

Bij de mens is een angsttoestand pas mogelijk door biologische systemen zoals neurotransmitters, stresshormonen, het autonome zenuwstelsel en veranderingen in bepaalde hersengebieden. Zijn deze systemen ook aanwezig bij dieren? Het blijkt dat bij alle gewervelde dieren adrenaline,noradrenaline, dopamine en serotonine aanwezig is, maar ook in insecten en schorpioenen. Komen deze stoffen vrij bij angst en angsttoestanden? Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. Zo produceert de oester bij stress veel noradrenaline en dopamine en hoe meer stress de oester ervaart, hoe meer er aangemaakt wordt. Stresshormonen blijken ook veel in het dierenrijk voor te komen. Ze zijn niet alleen aanwezig bij zoogdieren, maar ook bij vogels, kikkers en vissen zoals goudvissen en zalmen. Verder is het autonome zenuwstelsel bij alle gewervelde dieren aanwezig met uitzondering van de lagere vissen.

‘Angstige hersengebieden’

Studies met behulp van hersenscans bij de mens hebben een aantal hersengebieden in kaart gebracht die met angst geassocieerd worden. Op het niveau van de hersenschors zijn dit de prefrontale cortex, insulae en cingulum en onder de schors zijn het de dieper gelegen hersendelen hypothalamus, amygdala en hippocampus. Dat bijvoorbeeld de prefrontale cortex een rol bij angst speelt, blijkt wel uit het feit dat mensen met een hersenbeschadiging in dat gebied `geen angst kennen’. Bij alle gewervelde dieren zijn de dieper gelegen hersengebieden zoals wij die hebben, grotendeels aanwezig. De hypothalamus is nog in dezelfde vorm als bij ons aanwezig en de hippocampus en amygdala in een vergelijkbare vorm en met dezelfde functie.

De manier waarop ons brein is opgebouwd delen we in grote lijnen met de grote apen. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat angst als stoornis een typisch menselijke aangelegenheid is.

Maar hoe zit het met de corticale gebieden, de schors? Vooral bij de grote apen kunnen we vergelijkbare hersendelen zien met vergelijkbare functies. In het cingulum, een schorsgedeelte dan vlak boven het hersengedeelte ligt dat de linker en rechter hersenhelft met elkaar verbindt, bevinden zich hele speciale hersencellen die alleen de mens en de grote apen hebben. Ze zouden een rol spelen in emotionele zelfcontrole en probleemoplossing. In het prefrontale gedeelte ligt nóg een hersencentrum dat alleen voorkomt bij de mens en de grote apen: het gebied van Brodmann. Dit gebied is betrokken bij het terughalen van persoonlijke herinneringen en het plannen van acties voor komende gebeurtenissen.

Dieren voelen wellicht veel meer dan we denken

Angst als een stoornis (anxiety) is waarschijnlijk niet typisch menselijk. Er zijn te veel argumenten die er voor pleiten dat een angsttoestand algemener voorkomt bij dieren en zeker bij de dieren die ons het meest na staan: de primaten en in die groep de grote apen. Er zijn te veel overeenkomsten in hersenen en gedrag die de voorwaarden kunnen scheppen dat mens en dier vergelijkbare gevoelens kunnen hebben. Het zal nog moeilijk zijn om de uitingsvormen bij dieren op hun waarde te schatten. We weten dat dieren lichamelijk kunnen lijden en angstig zijn bij dreigend gevaar, maar misschien wordt het ook steeds duidelijker dat dieren ook psychisch kunnen lijden. Op grond van wetenschappelijke resultaten tot nu toe lijkt dat niet onwaarschijnlijk.

Dit artikel is een bewerking van het artikel Anxiety from a phylogenetic perspective: is there a qualitative difference between human and animal anxiety? geschreven door Catherine Belzung en Pierre Philippot en verschenen in Neural Plasticity, Volume 2007 (Article ID 59676).

Dit artikel is een publicatie van Silhouet.
© Silhouet, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 08 januari 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.