Je leest:

Heilige arbeid aan een verheven openbaringsdocument

Heilige arbeid aan een verheven openbaringsdocument

Auteur: | 31 mei 2007

Volgens recent onderzoek heeft de Statenvertaling van de bijbel uit 1637 het Nederlands minder beïnvloed dan altijd werd aangenomen. Toch riepen Onze Taal-lezers de Statenvertalers eind vorig jaar uit tot de invloedrijkste Nederlandse taalgebruikers. Wie waren die Statenvertalers, en hoe gingen ze te werk?

Op de rijkelijk geïllustreerde titelpagina van de eerste druk van de Statenbijbel uit 1637 prijkt de fiere verzekering dat de tekst van het boek der boeken “getrouwelijck” is “overgeset”. Deze misschien wat overbodig lijkende toevoeging zegt veel over de geest waarin de Statenvertaling is gemaakt.

In 1618 besloot de Synode van Dordrecht om een nieuwe vertaling tot stand te brengen, omdat de toen gebruikte Deux-Aesbijbel, die dateerde van 1561-1562, niet overeenstemde met de calvinistische opvatting van een goede bijbelvertaling. Terwijl Luther een bijbel wilde die in de eerste plaats goed begrijpelijk zou overkomen, en de vertaling derhalve ter wille van de toegankelijkheid vrij mocht zijn, was het gereformeerde ideaal een bijbel die zo nauw mogelijk aansloot bij de tekst in de grondtalen.

Bij de keuze van de vertalers en revisoren hield de synode terdege rekening met het gekozen uitgangspunt, en dat was goed te merken. Iedereen die ook maar iets wist over de mannen die van 1626 tot 1636 in Leiden bezig zijn geweest met het creëren van de vertaling, kon hun oprechtheid in het verlangen naar getrouwheid beamen.

De Dordtse synode (1618). Gravure uit 1729 van B. Picart.
B. Picart

Predikanten

De namen van de vertalers dwongen respect af. De voorzitter van de Dordtse synode, de Friese predikant Johannes Bogerman, nam persoonlijk zitting in de vertaalcommissie, en hetzelfde gold voor de synodesecretaris, de Leidse predikant Festus Hommius. De vertaalcommissies voor het Oude en Nieuwe Testament telden elk drie theologen. Van de oudtestamentische commissie maakten naast Bogerman de predikanten Wilhelmus Baudartius (uit Zutphen) en Gerson Bucerus (Veere) deel uit. Met name de in het Vlaamse Deinze geboren Baudartius had veel in het Nederlands gepubliceerd.

In de vertaalcommissie voor het Nieuwe Testament zaten behalve Hommius een Leidse hoogleraar, Antonius Walaeus, en een Amsterdamse predikant, Jacobus Rolandus. Dat maar liefst vijf van de in totaal zes leden predikanten waren, was een bewuste keus. De gedachte was dat predikanten de taal wel grondig móésten beheersen, anders konden ze niet goed preken en catechisatie geven.

De nieuwtestamentische commissie begon haar werk pas in 1628, toen de commissie voor het Oude Testament al twee jaar bezig was. De kerkenraad van Rolandus’ woonplaats weigerde namelijk aanvankelijk hem volledig van zijn normale werkzaamheden vrij te stellen. En hij had nóg een probleem. Zijn vrouw wilde niet mee naar Leiden verhuizen als de kinderen uit het eerste huwelijk van Rolandus daar eveneens naartoe zouden gaan. Ook de nieuwtestamentische commissie telde een Vlaming: Walaeus, die in Gent geboren was.

Beide commissies verloren een vertaler doordat deze voortijdig stierf, de ene Bucerus, de andere Rolandus. Het gevolg was dat de overgebleven vertalers het werk getweeën moesten voortzetten. Het werd namelijk niet zinnig geacht alsnog een vervanger op te roepen. Ondanks die tegenslag slaagden zij er toch in het werk tot een goed einde te brengen. Hoeveel tijd en energie dit de vertalers heeft gekost, blijkt wel uit een brief van Baudartius waarin hij schreef dat hij nooit in zijn leven zo had “geblockt”.

Uniformiteit

In de zomer van 1628, kort nadat de werkzaamheden voor de vertaling van het Nieuwe Testament begonnen waren, vergaderden de beide commissies een aantal malen met elkaar. Op deze bijeenkomsten zijn afspraken gemaakt over de spelling en de verbuiging van het Nederlands. Zij hoopten met behulp van een aantal regels uniformiteit te scheppen in hun taalgebruik (zie ook het kader ‘Spelling in de Statenvertaling’).

Na het gereedkomen van de concept-vertalingen van de bijbelboeken volgde de fase van het afwerken. De vertalers vergaderden met een aantal revisoren over de definitieve tekst van zowel de vertaling zelf als de inleidingen op de hoofdstukken en de kanttekeningen. Onder die voor de eindredactie geselecteerde theologen bevonden zich om hun kennis van de grondtalen algemeen gerespecteerde figuren. De keuze van de revisoren was verder bepaald door de afspraak dat uit elk van de provincies van de Republiek er een voor het Oude en een voor het Nieuwe Testament moest komen (zie ook het kader ‘Duits?’). Holland, waar afzonderlijke synodes voor het noordelijke en het zuidelijke deel van het gewest functioneerden, mocht er tweemaal twee hebben.

Door deze bepaling kon er uit alle hoeken van het land nog invloed op de vertaling uitgeoefend worden. Bij de acht revisoren voor het Oude Testament was de toen in Groningen werkzame hoogleraar Franciscus Gomarus, de man die eertijds in Leiden met Jacobus Arminius een conflict over de predestinatieleer (de leer van de goddelijke voorbeschikking van de mensen) gekregen had, dat uitliep op een kerkscheuring. Verder hadden de oudtestamentici de dichter Jacobus Revius, tevens predikant te Deventer, in hun midden. Van de acht revisoren voor het Nieuwe Testament maakte nog een tweede Groningse professor deel uit: Hendrik Alting.

Spelling in de Statenvertaling

De besluiten die de vertalers in 1628 in Leiden namen over de te gebruiken Nederlandse taal, werden in 1633 herzien en becommentarieerd door de revisoren. Het uiteindelijke resultaat werd in de vorm van “Resolutiën” opgeschreven – in het Latijn, wat de voertaal van de synode was. De besluiten geven een prachtig inkijkje in wat men toentertijd als taalkundige problemen beschouwde. In hun keuzes respecteerden de vertalers zo veel mogelijk het bestaande gebruik, de “usus tyrannus”. De besluiten handelden over de spelling, het woordgeslacht, verbuigingen, vervoegingen en het gebruik van vreemde woorden – maar de meeste aandacht kreeg de spelling. De probleemgevallen – individuele woorden – werden onder de letters van het alfabet bijeengezet. Enkele voorbeelden (in vertaling), waaruit tevens blijkt dat de vertalers en revisoren soms met elkaar van mening verschilden:

•een lange a wordt gespeld met ae en niet met aa: dus maecken (niet maken of maeken), raecken, genaecken, omdat ae in alle gevallen gebruikt kan worden; evenzo beswaeren, verclaeren, verclaering. Revisoren van het Oude Testament: maken – en evenzo de reeks beswaren, verclaren zonder e. Een lange a aan het eind van de lettergreep of opzichzelfstaand moet worden geschreven als a zonder e; in andere gevallen moet hij worden geschreven als ae: maeckt, maeckte.

rechtveerdich, weerdich, veerdich, gebeerden, peerlen, peerden, steerten met dubbele ee niet ae.

ontfermen met e; barmhertich, erbarmenmet a.

• _Johannes_of Joannes? De stemmen staken, de beslissing wordt overgelaten aan de vertalers van het Nieuwe Testament. Revisoren van het Nieuwe Testament: Joannes in navolging van de Griekse tekst.

•men moet schrijven vleesch, visch, menschen niet vlees, vleysch, vis, mens.

loofhutten, niet loverhutten.

de pat, den patof het pat, wat is gebruikelijk? ( het pat).

de boeck, die boeck, dien boeckof het boeck, dat boeck, wat moet gebruikt worden? ( het, dat).

Nicoline van der Sijs

Liggen/leggen

Samen met de vertalers hebben de revisoren van het Oude Testament in 1632 en die van het Nieuwe in 1633 de regels voor de spelling en de verbuiging opnieuw bekeken. Zij brachten daar nog enige veranderingen in aan. Al te nauwgezet zijn die afspraken overigens niet nagekomen. Hoewel als verleden tijd van beginnen voor begon gekozen was, komt toch ook begost voor. Een ander voorbeeld is de keuze voor Joodsch in plaats van Jodisch. De laatstgenoemde vorm is desondanks hier en daar te vinden. Het besluit om de voorkeur te geven aan kunnen boven konnen en konen werd wél consequent uitgevoerd. Datzelfde geldt voor de keuze voor het voorzetsel door ten nadele van deur. Ook met het onderscheiden van _liggen_en leggen is ernst gemaakt. Opvallend is dat de regels in allerlei gevallen uitdrukkelijk meer mogelijkheden toestonden; gemeynte mocht bijvoorbeeld naast gemeente.

In de herziene edities van de Statenvertaling van de negentiende eeuw en later is vanzelfsprekend met name de spelling gemoderniseerd.

Plechtstatig

De vertaling moest dus getrouw zijn, dat wil zeggen: zo letterlijk mogelijk. Dat uitgangspunt was zo zwaarwegend dat afwijkingen van het gangbare taalgebruik zonder meer aanvaardbaar waren. Mede door het vaak direct van het Hebreeuws en Grieks afhankelijke idioom deed de Statenvertaling reeds in de zeventiende eeuw plechtstatig aan. Dit werd niet als storend ervaren; het ongewone ervan bevorderde juist de impressie dat de bijbel als een verheven openbaringsdocument mocht worden beschouwd.

Het Oude Testament in de Deux-Aesbijbel was een vertaling uit een Nederduitse Lutherbijbel; het Nieuwe ging al wel direct op het Griekse origineel terug – in een vroege poging om het gereformeerde vertaalideaal te verwezenlijken. De Deux-Aesbijbel, en daar- achter vanzelfsprekend oudere vertalingen met de tekst van Luther in een Nederlands gewaad – vooral de Liesveltbijbel – hadden een reservoir van woorden en uitdrukkingen doen ontstaan waaraan lezers gewend waren geraakt. De Synode van Dordrecht besefte dat het moeilijk zou zijn een nieuwe vertaling te laten inburgeren als er niet aan de beginvoorwaarde van enige herkenbaarheid voldaan zou worden. Daarom hadden de vertalers de opdracht meegekregen geliefkoosde woorden en zinswendingen uit de Deux- Aesbijbel te handhaven als dit taalkundig mogelijk was.

Ten gevolge van deze uitdrukkelijke voorwaarde bleven in de Statenvertaling tevens tal van woorden staan die een eeuw eerder via de Lutherbijbel vanuit het Duitse taalgebied in het Nederlandse geïntroduceerd waren. Zo hield een in oorsprong Duits woord als diensthuyse (Exodus 20:2) in de Tien Geboden stand. De tekst Psalm 6:2 in de Statenvertaling (“O Heere, en straft my niet in uwen toorn, ende en kastijdt my niet in uwe grimmigheyt”) luidt vrijwel identiek in de Deux-Aesbijbel. Een soortgelijk, uit het onzevader afkomstig voorbeeld is “Ons’ dagelicks broodt geeft ons heden” (Matteüs 6:11). En er vallen eindeloos veel meer aanhalingen te geven.

De brontalen Grieks en Hebreeuws mogen dan flink doorschemeren in de Statenvertaling, er staan betrekkelijk weinig woorden van Romaanse herkomst in. Dat is opmerkelijk, omdat het Latijn aan de universiteiten de voertaal was, en er ook in de acta van kerkenraden, classes en provinciale synodes veel van oorsprong Latijnse woorden voorkomen. In de Statenvertaling werden ze kennelijk met opzet gemeden. De vertalers konden dan ook gemakkelijk zonder, want de zestiende-eeuwse Nederlandse bijbels leverden een taalschat die rijk genoeg was om uit te putten. Hulpmiddelen als het woordenboek van Cornelis Kiliaan stonden hun trouwens ook ter beschikking.

Duits?

Alle gewesten leverden vertalers en revisoren voor de Statenvertaling. Men ziet dit vaak als een waarborg dat de vertaling algemeen begrijpelijke taal zou bevatten, zonder dialectismen. Zoals echter bekend, is het niet de woonplaats van een persoon die zijn taalgebruik bepaalt, maar zijn geboorteplaats, de plaats waar hij zijn moedertaal heeft geleerd.

Toen ik de geboorteplaatsen van de vertalers en revisoren inventariseerde, kwam ik tot de verrassende ontdekking dat van de 22 mensen die daadwerkelijk aan de vertaling meegewerkt hebben (van wie er twee in het harnas stierven), maar liefst de helft geboren is in het oosten, in de oostelijke provincies of Duitsland (en dus als moedertaal een Nedersaksisch of Duits dialect had), terwijl slechts één medewerker uitsluitend in een Zuid-Nederlands sprekende omgeving opgroeide.

Vijf medewerkers zijn zelfs geboren en getogen in Duitsland, en zijn pas op volwassen leeftijd naar de Republiek getrokken. Van de vijf medewerkers die in de Zuidelijke Nederlanden zijn geboren, hebben er vier enige tijd in Duitsland gewoond: drie zelfs meer dan veertien jaar. En alle medewerkers die in de Noordelijke Nederlanden zijn geboren, hebben gewoond en gestudeerd in Duitsland. Zo bezien is de Statenvertaling eerder een Duitse dan een Nederlandse aangelegenheid geweest! Deze gegevens maken ook duidelijk hoe het komt dat er in de Statenvertaling zo veel Duitse invloed, zoals leenwoorden, te zien is.

Nicoline van der Sijs

Roeping

Omdat de vertalers merendeels predikanten waren, die geregeld contact hadden met hun gemeenteleden, moesten ze een goed idee hebben gehad van de taal die de mensen in het dagelijks leven gebruikten. Toch hielden ze in hun vertaling die gewone taal zo veel mogelijk op een afstand – er was immers bewust gekozen voor aansluiting bij het Hebreeuws en het Grieks. Angst voor de nadelen van die vervreemding ten opzichte van de omgangstaal koesterden zij ook niet, aangezien zij nu eenmaal de roeping voelden Gods openbaringswoord door te geven. De overtuiging dat het God was die hun doen en laten bestierde, was sterk. De bijeenkomsten van de vertalers, en later van de vertalers met de revisoren, werden steevast geopend met gebed.

In brieven aan de revisoren drongen de vertalers erop aan er toch vooral voor te zorgen dat niets van de nieuwe vertaling voortijdig uitlekte. Want er zou misschien kritiek komen en die kon dan afbreuk doen aan hun “heylige arbeyt”. In 1635 maakte een pestepidemie in Leiden bijna 15.000 slachtoffers. Onder de vertalers en revisoren viel er niemand aan ten offer. Zij verklaarden dit als een onmiskenbaar teken dat Gods zegen rustte op het door hen ondernomen werk.

Invloed

Op de verschijning van de Statenvertaling reageerde het overgrote merendeel van de predikanten in de Republiek positief. Zij waren kennelijk graag bereid de opvatting te bevorderen dat deze aan de hoogste normen voldeed en een betere eigenlijk ondenkbaar was. Natuurlijk was de gedragenheid in de woordkeus van de Statenvertaling een beletsel om deze in het gesprek van alledag na te gaan volgen. Het voegwoord _ende_bijvoorbeeld was toentertijd aan het verdwijnen; de handhaving ervan door de vertalers hield dit dan ook niet in leven.

Toch werd de spreektaal door de Statenvertaling beïnvloed. Godsdienstige onderwerpen waren lang geliefd als gespreksstof, en de Statenvertaling bood de woorden en uitdrukkingen die nodig waren voor zo’n gedachtewisseling. Met daaruit geplukte bewoordingen vielen trouwens ook gesprekken over totaal andere zaken op te sieren.

Taalkundige Nicoline van der Sijs noemt in haar onlangs verschenen boek Taal als mensenwerk– waarin ze de invloed van de Statenvertaling op het Nederlands overigens relativeert – enkele Griekse en Hebreeuwse constructies die dankzij de Statenvertaling in gebruik raakten: zich niet onbetuigd laten (Handelingen 14:17), een roepende in de woestijn (Jesaja 40:3, Matteus 3:3, Marcus 1:3, Lucas 3:4, Johannes 1:23) en tocht der tochten (afgeleid). Ten slotte heeft de Statenvertaling, omdat zij in alle provincies van Nederland, tot in Friesland toe, gelezen werd, een grote rol gespeeld bij de ontwikkeling van het Nederlands als eenheidstaal.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 31 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.