Je leest:

Hebben we binnenkort ‘afscheidgeneemd’?

Hebben we binnenkort ‘afscheidgeneemd’?

Auteur: | 23 april 2007

De oude verledentijdsvorm ‘loeg’ werd ‘lachte’, maar ‘hijste’ werd juist ‘hees’. De Nederlandse werkwoorden blijken zich door de eeuwen heen voortdurend te bewegen tussen zwak en sterk. De toekomst van een werkwoord voorspellen is dan ook geen sinecure, Joop van der Horst doet toch een poging.

Onlangs kreeg ik de volgende brief:

Beste Joop van der Horst,

‘Zuigen’ is een sterk werkwoord, ‘stofzuigen’ niet. Komt die verandering door de samenstelling? Zo ja, ontwikkelt onze taal zich dan naar iets als ‘Hij heeft afscheidgeneemd’? Ik wil de boel niet bespottelijk maken, al klinkt het in mijn oren als bespottelijk. Ik ben echt geïnteresseerd in het antwoord. Of deugt mijn gedachtegang niet?

Erik Hemelaar

Dit was mijn antwoord:

Geachte heer Hemelaar,

Dat zou best kunnen, maar zeker is het niet. In ieder geval is er met uw gedachte niets mis. U lijkt me echter iemand die er graag meer over wil horen dan alleen: ‘Het zou kunnen, maar je weet maar nooit.’ Ik zal u zeggen wat ik weet en denk.

Voor de goede orde: onder sterke werkwoorden verstaan we de werkwoorden die hun verleden tijd vormen met klinkerwisseling: ‘slapen’‘sliep’, ‘buigen’‘boog’, en dergelijke. Doorgaans hebben deze sterke werkwoorden een voltooid deelwoord op – ‘en’: ‘geslapen’, ‘gebogen’. Daarmee onderscheiden we de sterke werkwoorden van de zwakke werkwoorden, in navolging van de negentiende-eeuwse Duitse taalkundige Jacob Grimm, die de term bedacht heeft.

Zwakke werkwoorden vormen hun verleden tijd met – ‘de(n)’ of – ‘te(n)’: ‘wandelen – wandelde’, ‘maken – maakte’. De zwakke werkwoorden hebben over het algemeen een voltooid deelwoord dat eindigt op ‘-t’ of ‘-d’: ‘gewandeld’, ‘gemaakt’. Grimm beschouwde zo’n achtervoegsel als een hulpmiddel, en daarom noemde hij die werkwoorden ‘zwak’.

De sterke werkwoorden kunnen het zonder zo’n hulpmiddel af, en geven de verleden tijd aan met hun eigen stam. Grimm vond dat een teken van kracht. Op die terminologie valt veel af te dingen, maar dat ga ik niet doen. Sterke werkwoorden worden al bijna tweehonderd jaar zo genoemd en we laten het nu maar zo.

Ongelykvloeyend

Al in onze vroegste grammatica’s, van de zestiende en de zeventiende eeuw, was men zich bewust van deze groep merkwaardige werkwoorden. Zonder overigens te beseffen waar die rariteiten vandaan kwamen, of wat hun positie binnen onze taal was.

Het was de Nederlander Lambert ten Kate die in 1723, in een omvangrijke studie (“Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake”), voor het eerst tot een goed zicht kwam. Ten Kate sprak overigens nog van “ongelykvloeyende verba”.

Door nauwkeurige vergelijking van allerlei talen, onder andere van het Oudengels, Oudhoogduits, Oudnoors en Gotisch, kwam hij tot de conclusie dat de sterke werkwoorden het oorspronkelijke systeem vormden. De zwakke werkwoorden (“gelykvloeyende verba”) zijn een jongere vernieuwing van het Germaans. Ook liet hij zien dat de sterke werkwoorden bij nader toezien helemaal niet zo grillig en chaotisch zijn als men op het eerste gezicht soms denkt. Ze volgen bijna allemaal enkele welomschreven patronen.

Er is met dat prachtige boek van Lambert ten Kate weinig gedaan. Misschien doordat het in het Nederlands was geschreven. Bijna honderd jaar later vindt Jacob Grimm het wiel opnieuw uit in zijn baanbrekende boek “Deutsche Grammatik” (1819). Overigens verwijst hij in een voetnoot met veel waardering naar Ten Kate. Grimms boeken werden wél veel gelezen. En vandaar dat we nog steeds zijn terminologie gebruiken.

Verdere afkalving

De toestand is nu zo dat er ongeveer 150 sterke werkwoorden zijn (nog afgezien van een paar speciale gevallen). De ANS, onze Algemene Nederlandse Spraakkunst, die overigens liever van “onregelmatige werkwoorden” spreekt, geeft er een opsomming van (blz. 87-94). De andere zijn allemaal zwak, en dat is een overweldigende meerderheid.

Ook al zijn de sterke werkwoorden dus het oudere type en zijn de zwakke werkwoorden er pas later bij gekomen, intussen zijn de zwakke door hun overgrote meerderheid het ‘gewone’ type geworden, en moeten we de sterke de ‘uitzonderingen’ noemen. Die toestand is bepaald niet van vandaag of gisteren, want ook in de Middeleeuwen waren de sterke werkwoorden al ver in de minderheid.

En zoals dat zo vaak gebeurt in taal: de minderheid gaat zich aanpassen aan de meerderheid. De kleine groep ‘uitzonderingen’ wordt nog kleiner. Heel wat oorspronkelijk sterke werkwoorden zijn in de loop der eeuwen zwak geworden. Zo was in het Middelnederlands de verleden tijd van ‘lachen’ nog ‘heg’ (ook al is het voltooid deelwoord tot op de dag van vandaag ‘gelachen’ gebleven, sterk dus, en niet geworden tot ‘gelacht’). En van ‘wassen’ is het oudere ‘wies’ ook vervangen door het zwakke ‘waste’ (hoewel ‘gewassen’ niet vervangen werd door ‘gewast’).

De toch al relatief kleine groep van de sterke werkwoorden kalft verder af. Maar het gebeurt verbazend langzaam, en niet erg rechtlijnig.

Taaie levenskracht

C.B. van Haeringen schreef in “De nieuwe taalgids” van 1940 een bekend geworden artikel onder de titel “De taaie levenskracht van het sterke werkwoord”. Daarin lezen we:

“Wie dit verloop aanzag b.v. in de vijftiende eeuw, en de algemene richting in de ontwikkeling der germaanse talen kende, zou de voorspelling hebben durven wagen dat omstreeks het jaar 2000 de doelloze en lastige verscheidenheid in de verbale flexie zou ongedaan gemaakt zijn door een algehele overwinning van het eenvoudige en regelmatige type.”

Oftewel: je zou verwacht hebben dat de sterke werkwoorden allemaal zwak geworden waren. “Maar”, gaat hij voort:

het is anders gelopen. Wel zien wij ieder opkomend mensengeslacht het proberen met ‘slaapte’, ‘zingde’ e.d. Telkens weer rammelt de jongste generatie aan de zware ketenen der traditie. Maar even grif staat en stond een ouder geslacht gereed om te verbeteren en weer vast te klinken wat los dreigde te raken.

Verder laat Van Haeringen zien dat de voorbije achthonderd jaar zelfs een zeker aantal zwakke werkwoorden sterk geworden is. Zo had ‘hijsen’ oorspronkelijk de vormen ‘hijste’ en ‘gehijst’, maar tegenwoordig zegt bijna iedereen ‘hees’ en ‘gehesen’. Bij ‘vrijen’ en ‘breien’ doen zich ook al sterke vormen voor, ook al worden die niet door iedereen geaccepteerd.

Kortom: ook al kalft de groep van de sterke werkwoorden over vele eeuwen bezien wel af, het gebeurt langzamer dan men zou verwachten; en het is ook niet zo dat er alleen maar afname is, want hier en daar is er ook nog wel eens een kleine toename.

Dat in de werkelijkheid van alledag dat afkalven wel een beetje verder voortgeschreden is dan men soms denkt, bleek onder andere uit een artikel van Ariane van Santen in “Onze Taal” van 1997. De onzekerheid bij bijvoorbeeld ‘blinkte’, ‘scheerde’, ‘vlechtte’, ‘scheidde’, ‘spuitte’ en ‘vriesde’ laat zich zonder moeite aantonen. Deze en dergelijke vormen komt men trouwens ook met regelmaat tegen in kranten en gesproken taal. Het zou echter een vergissing zijn te denken dat dat juist in onze tijd gebeurt.

Heen en weer

Bij het lezen van oudere teksten blijkt eigenlijk dat er bij de sterke werkwoorden voortdurend, in alle eeuwen veel beweging is: heen en weer. We zien zwakke vormen die later weer teruggedraaid zijn en sterk gemaakt, sterke vormen die thans door zwakke zijn vervangen, naast zwakke werkwoorden die nu sterk geworden zijn. P.C. Hooft schrijft in zijn “Historiën”: “Deeze woorden (…) beweeghden heftelyk de gemoeden van alle die er jeeghenwoordigh waaren.”

In de achttiende eeuw schrijft Huydecoper, de befaamde ‘taaidespoot uit de pruikentijd’: “Fraai vermydde Vondel de zelve in Gysbr. van Aemstel”, maar hij heeft kritiek op Vondel omdat die “vergeldde” en “trefte” had geschreven. Jacobus Kok schreef in zijn “Amsteldamsche Jaarboeken” (1781): “dat de muitenden hun oogmerk niet bereeken”.

Vragen en jagen zijn twee werkwoorden die oorspronkelijk zwak waren en later sterk geworden zijn. Zwakke vormen als ‘vraagde en jaagde’ komen tot op heden voor, naast ‘vroeg en joeg’. Als Multatuli dus in zijn “Max Havelaar” noteert: “Wel iets ongeduldig vraagde hij van tijd tot tijd (…) of er iets in aantogt was”, dan is dat niet zozeer al zwak, maar nóg zwak. Maar als hij in dezelfde “Havelaar” schrijft: “[zij] kreschen onbeschrijfelijke geluiden” dan is dat een sterkmaken van een oorspronkelijk zwak werkwoord, een tendens die zich bij mijn weten niet heeft voortgezet.

Kortom: de situatie is instabiel. Niet alleen nu, maar ook in voorgaande eeuwen. De groep van de sterke werkwoorden neemt op de lange termijn waarschijnlijk wel af, maar op de korte termijn is dat verre van duidelijk. Er zijn ‘verzwakkingen’ aan te wijzen, maar er zijn ook ‘versterkingen’, en er zijn allerlei verzwakkings- en versterkingstendensen geweest die na enkele eeuwen toch weer teruggedraaid werden. Van Haeringen heeft niets te veel gezegd, door te spreken van “de taaie levenskracht van het sterke werkwoord”.

Kanshebbers

Welke sterke (of onregelmatige, of “ongelykvloeyende”) werkwoorden lopen de meeste kans zwak te worden (regelmatig, “gelykvloeyend”)? Een belangrijke factor is de frequentie van het werkwoord. Hoe vaker een werkwoord gebruikt wordt, hoe minder kans dat het zwak gemaakt wordt. De hele groep sterke werkwoorden houdt zo heroïsch stand. Het gaat immers veelal om woorden voor dagelijkse dingen als eten, slapen, zitten, geven, nemen, vinden, enz.

Als er al afvallen, dan zijn dat de werkwoorden die relatief iets minder frequent zijn. Dat bleek ook wel uit het onderzoek van Ariane van Santen dat ik noemde. Zo zal er eerder twijfel zijn bij ‘blinken’, ‘scheren’, ‘schelden’ en ‘spuiten’ dan bij ‘zitten’, ‘eten’, ‘geven’ en ‘nemen’, die superfrequent zijn. Het werkwoord ‘zuigen’ zit binnen de groep van de sterke werkwoorden meer in de buurt van ‘scheren’ en ‘schelden’ dan van ‘zitten’ en ‘nemen’.

Maar frequentie is waarschijnlijk niet de enige factor. Inderdaad – en nu kom ik bij de kern van uw vraag – schijnt het al of niet samengesteld-zijn ook een rol te spelen. Zoals u al schreef: ‘zuigen’ is sterk, ’stofzuigen zwak. En er zijn er meer zo. Wellicht zijn er nog meer factoren, die we op dit moment niet kennen. En van de twee die we kennen, of althans ervan verdenken dat ze een rol spelen, is niet duidelijk welke de sterkste is. Ik vermoed dat frequentie belangrijker is dan het al of niet samengesteld-zijn, maar ik kan dat niet bewijzen.

Anders gezegd: ik denk dat ‘afscheidgeneemd’ weliswaar een kanshebber is doordat het om een samenstelling gaat, maar die kans wordt dan weer ontkracht doordat ‘nemen’ tot de superfrequente werkwoorden behoort en daardoor (voorlopig?) wel sterk zal blijven.

U ziet het: het is erg moeilijk om hierover voorspellingen te doen. Overzien we de voorgeschiedenis, dan is er door de eeuwen heen wel een zekere vermindering van sterke werkwoorden te constateren, maar het gaat verbazend langzaam: er zijn ook tegenbewegingen, er zijn tendensen geweest die later weer teruggedraaid zijn, en we weten eigenlijk niet goed welke factoren er allemaal een rol spelen. Het beste wat ik ervan zeggen kan, is: voorlopig zit ‘afscheidgeneemd’ er niet in.

Ik hoop u hiermee naar wens geantwoord te hebben, en teken, met de meeste hoogachting,

Joop van der Horst

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 23 april 2007
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.