Je leest:

Hebben of zijn wij een lichaam?

Hebben of zijn wij een lichaam?

Auteur: | 5 april 2013

Hebben of zijn wij een lichaam? Het is een vraag die niet overal ter wereld zal worden begrepen, om de eenvoudige reden dat niet elke taal de werkwoorden ‘hebben’ en ‘zijn’ kent.

Het is verleidelijk om daarover te speculeren en daarin bijvoorbeeld het beslissende onderscheid te zoeken tussen het in het Hebreeuws geschreven Oude Testament en het in het Grieks geschreven Nieuwe Testament. Het Hebreeuws kent het hulpwerkwoord ‘zijn’ niet. Het Grieks wel en dat betekent een wereld van verschil.

Nog verder gedacht: zonder het hulpwerkwoord ‘zijn’ hadden Plato en Aristoteles, en in hun spoor een lange reeks Westerse denkers, hun filosofie niet kunnen ontwikkelen met begrippen als zijn en niet-zijn, vorm en stof en gedachten over het wezenlijke en het niet-wezenlijke. Het is speculatie, maar ook intrigerend. Het kan worden verfijnd tot een subtiel en kunstzinnig spel met woorden, zoals in het gedicht van Ed Hoornik:

Plato en Aristoteles hadden wellicht heel anders gefilosofeerd zonder het werkwoord ‘zijn’.

Hebben en zijn Op school stonden ze op het bord geschreven. Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn; Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven, De ene werklijkheid, de andre schijn. Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven. Is van de wereld en haar goden zijn. Zijn is, boven die dingen uitgeheven, Vervuld worden van goddelijke pijn. Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten. Is naar de aarde hongeren en dorsten. Is enkel zinnen, enkel botte plicht. Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken, Is kind worden en naar de sterren kijken, En daarheen langzaam worden opgelicht.

Duiding en beleving van het lichaam

Nu de taal ons confronteert met de verschijningsvormen van hebben en zijn, is het onmogelijk deze tweevoudigheid te negeren als het gaat om de duiding en beleving van het lichaam. In grote lijnen lijkt er overeenstemming over te bestaan dat zowel het ene als het andere waar is: mensen hebben hun lichaam en zijn hun lichaam.

Minder overeenstemming is er over de vraag of mensen ook nog iets meer of iets anders zijn dan hun lichaam. Er is een breed verbreide, veelal godsdienstige opvatting, dat mensen naast een lichaam ook nog een (onstoffelijke) ziel of geest of psyche hebben, die niet samenvalt met de biologische werkzaamheid van hun brein. Daarnaast bestaat de stroming die de mentale functies van mensen tot de werkzaamheid van biologische processen herleidt. Van de negentiende-eeuwse Nederlandse fysioloog Jacob Moleschott is de uitspraak ‘Ohne Phosphor kein Gedanke’.

De eenentwintigste-eeuwse variant luidt ‘Wij zijn ons brein’ (Dick Swaab). Deze ‘reductionisten’, die wat wij psychisch of geestelijk of mentaal noemen herleiden tot biologische processen, zullen waarschijnlijk de opvatting aanhangen dat wij ons lichaam zíjn. Wie daarentegen meent dat het mentale niet kan worden herleid tot het stoffelijke, zal uitleggen dat mensen in zekere zin hun lichaam zíjn, maar eveneens een lichaam hébben, dat wil zeggen: in verhouding staan tot hun lichaam. Een verhouding gaat uit van een tweezijdigheid en daarmee iets dat (of iemand die) zich tot dat lichaam kan verhouden.

Wat verder opvalt, is dat het lichaam in onze cultuur een normatieve status heeft. Het is er niet alleen, het betekent ook iets. Het dient door anderen te worden gerespecteerd in zijn integriteit. Dat besef heeft het zelfs tot de Grondwet gebracht. Dat is een serieus te nemen uitgangspunt. Alleen als de wetgever heeft besloten dat een inbreuk op het lichaam gerechtvaardigd is, mag deze plaatsvinden. Daarom vermeldt het Wetboek van Strafvordering onder welke voorwaarden aan of in het lichaam van een verdachte onderzoek mag plaatsvinden (bijvoorbeeld om drugs op te sporen) en bepaalt het Burgerlijk Wetboek onder welke voorwaarden de lichamelijke integriteit mag worden geschonden in het kader van medische behandeling. Omgekeerd betekenen deze strenge regels dat de schending van andermans lichamelijke integriteit de ernstigste misdrijven oplevert die het zwaarst worden gestraft: mishandeling, verkrachting, doodslag, moord.

Er is nog een andere manier waarop wij de normatieve status van het lichaam ervaren: in de aarzeling bij het behandelen van mensen voor wie de aantasting van de integriteit van hun lichaam lijkt samen te vallen met de oplossing van het (medische) probleem waaronder zij lijden. Dan kun je denken aan problemen als genderdysforie, transsexualiteit of body dysmorphic disorder, kortom, mensen die ervaren dat zij in ‘het verkeerde lichaam’ zitten.

Over Michael Jackson wordt wel eens gezegd dat hij leed aan een vorm van body dysmorphic disorder

Je kunt ook denken aan mensen die om moeilijk invoelbare redenen cosmetische chirurgie willen laten verrichten. Indien aarzeling bestaat om deze mensen chirurgische of hormonale behandeling aan te bieden, dan heeft dat in de eerste plaats te maken met onduidelijkheid over wat wel of niet een ziekte of een stoornis kan worden genoemd. Maar daarnaast heeft het ook te maken met de opvatting dat het lichaam niet alleen een feitelijk gegeven is.

Het lichaam kan ook een norm en dus een soort opdracht inhouden. Voor de patiënt zou dat betekenen dat hij of zij – afgezien van gebreken of afwijkingen die een erkende indicatie opleveren voor medisch handelen – de morele plicht heeft het leven te aanvaarden met het lichaam zoals dat nu eenmaal is. Voor de arts geldt dan spiegelbeeldig de professionele plicht dat hij of zij zich zou moeten onthouden van medisch ingrijpen waarvoor geen indicatie is.

Mogelijk is in dergelijke gevallen sprake van tegenstrijdige indrukken van wat er werkelijk aan de hand is. De patiënt is er zo van overtuigd dat hij zijn lichaam ís, dat het ondoenlijk is om te leven met of in een lichaam dat zijn identiteit ontkent of tekort doet. De arts daarentegen kan in situaties waarin sprake is van een conflict tussen identiteit en integriteit de neiging hebben zich terug te trekken op zijn professionele uitgangspunt: respect voor integriteit. Kortweg: vraagt ‘zijn’ om ‘hebben’ of verplicht ‘hebben’ tot ‘zijn’? Begrijpelijker gezegd: vraagt identiteit om een daarmee corresponderende lichamelijkheid of is de integriteit van het lichaam een norm die onderdeel uitmaakt van de identiteit?

In het bijbels geïnspireerde denken ontleent het lichaam zijn normatieve status aan de overtuiging dat de mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Een zo hoge afkomst schept verplichtingen, juist ook waar het de zorg betreft voor het eigen lichaam en het bewaren van de integriteit ervan. Deze gedachte is bijvoorbeeld terug te vinden in de titel van een boekje over jongeren en seksualiteit dat in protestants-christelijke kringen populair was in het midden van de vorige eeuw: ‘Uw lichaam een tempel’. De auteur was de huisarts en seksuoloog P.J.F. Dupuis.

Moraal en recht

Juist omdat hebben en zijn met betrekking tot lichamelijkheid zo met elkaar zijn vervlochten, heeft het vermogensrecht, waarin de wereld van het hebben aan de orde is, altijd een ongemakkelijke verhouding met het menselijk lichaam gehad. Sinds de slavernij werd afgeschaft – nota bene pas diep in de negentiende eeuw – kunnen mensen geen voorwerp meer zijn van vermogensrechtelijke transacties. Dat wil zeggen, mensen kunnen niet meer eigendom zijn van een ander. Dat iemand zijn arbeidskracht verhuurt, is echter heel normaal.

Minder normaal, althans in juridische zin, is de verhouding tussen een prostituee en haar klanten. Anders dan bij een overeenkomst tussen, bijvoorbeeld, een aannemer en zijn klant, levert deze vorm van commerciële dienstverlening geen geldige privaatrechtelijke overeenkomst op. De achtergrond daarvan kun je zoeken in de morele en theologische status van het lichaam, die seksuele dienstverlening, anders dan het verrichten van ‘reguliere’ arbeid, uitsluit van het domein waarover kan worden gecontracteerd.

Van wie steel je, als je de gouden kronen uit het gebit van een dode haalt?

In 1946 stond de Hoge Raad, de hoogste rechterlijke instantie in Nederland, voor een lastige beslissing. Een man was erop betrapt dat hij gouden kronen en stifttanden uit de gebitten van overledenen verwijderde en zich toe-eigende.

Hij werd strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens diefstal, maar beriep er zich in cassatie op dat voor veroordeling wegens diefstal noodzakelijk is dat het weggenomen goed ‘toebehoort’ aan iemand anders. Dat kon niet worden gezegd van een lijk dat erop wacht om te worden begraven. Als de nabestaanden al een recht zouden hebben gehad op de gouden gebitselementen – wat overigens nog maar de vraag was – dan zouden ze daarvan afstand hebben gedaan door deze er niet uit te (laten) verwijderen maar het stoffelijk overschot te laten gereedmaken voor begraving, aldus de raadsman van de verdachte.

Duin­soldaat zonder naam: mens of ‘archeologische vondst’?

De vraag of het bij een stoffelijk overschot gaat om ‘iemand’ of om ‘iets’ werd in de herfst van 2011 op een bijzondere manier concreet gemaakt. De NOS berichtte toen over de resten van een Engelse soldaat uit de duinen bij Den Helder:

‘De identiteit van de Engelse soldaat van wie de resten eerder dit jaar in de duinen bij Den Helder zijn gevonden, is niet te achterhalen. Dat zegt de archeologe die de zaak onderzocht. De soldaat sneuvelde in 1799. In de Helderse duinen werd destijds gevochten tussen de Britse invasiemacht en de Franse overheersers, die de Britten wilden verdrijven. De soldaat hoorde bij de Coldstream Guards, de bekende wachters van Buckingham Palace. De archeologe Esther Paulus ontdekte zes namen in Britse archieven die mogelijk bij de Engelse soldaat passen. Uit de archieven kon ze afleiden wie in een bepaalde tijd is overleden, omdat dan de soldij werd stopgezet. Zo kwam ze op de zes namen. Verder dan die zes namen komt de archeologe echter niet, ook al omdat ze weinig hulp krijgt vanuit Engeland. Voor dat land heeft de vondst geen prioriteit, omdat er in de loop der tijd zoveel Engelse soldaten in het buitenland zijn gesneuveld. Het onderzoek naar de identiteit van de soldaat wordt daarom gestaakt. Zijn overblijfselen worden nu beschouwd als een archeologische vondst en niet meer als een lichaam. Ze worden daarom ook niet begraven.’

Het antwoord op de vraag ‘iemand’ of ‘iets’ is kennelijk ook afhankelijk van de mogelijkheid het skelet met een naam te verbinden.

De Hoge Raad liet in een bekende uitspraak van 25 juni 1946 de veroordeling wegens diefstal in stand en overwoog dat ‘toebehoren’ in strafrechtelijke zin ruimer is dan het begrip ‘eigendom’ in privaatrechtelijke zin. Naar de uitspraak wordt vaak verwezen als een voorbeeld van het uiteenlopen van begrippen in het strafrecht en het privaatrecht.

Het is echter minstens zo verhelderend om in deze zaak een conflict tussen recht en ethiek te zien. Het doet namelijk nogal gekunsteld aan om te stellen dat de gouden kronen en stifttanden van de overledene die op het punt staat te worden begraven, weliswaar geen eigendom van de nabestaanden zijn, maar dat in geval iemand de gebitselementen ontvreemdt wél sprake is van wegneming van wat aan de nabestaanden toebehoort.

Eigenlijk legde deze affaire vooral de vinger op een leemte in het Nederlandse strafrecht. Onze strafwet kende wel een bepaling tegen grafschennis maar geen bepaling die lijkschennis strafbaar stelde. En daarmee zou schennis van een nog niet begraven stoffelijk overschot buiten bereik van de strafwet vallen. Immers: de strafbepalingen die de integriteit van het lichaam beschermen, waren alleen van toepassing op levende mensen. Toch was straf hier op zijn plaats. Hier was immers zonder twijfel sprake van verwerpelijk gedrag.

Weliswaar is de morele norm van respect voor de integriteit van het menselijk lichaam een norm die vooral betrekking heeft op levende mensen, maar daarmee is zij niet volledig buiten de orde waar het gaat om het lichaam van een recent overledene. De Hoge Raad heeft echter niet de mogelijkheid om te verklaren dat de moraal boven het recht gaat en dat gedragingen daarom strafwaardig zijn. De Hoge Raad koos voor de enige uitweg die hij had om een moreel en maatschappelijk aanvaardbaar oordeel te vellen: het oprekken van het begrip ‘toebehoren’ tot buiten de kaders van het privaatrecht. Dit creëerde een paradox: omdat wij in zekere zin ons lichaam ‘zijn’, is de schending ervan laakbaar en dat geldt ook voor het lichaam van de recent overledene. Om tot een veroordeling wegens diefstal te komen, moest het onderwerp echter eerst worden ‘omgeformuleerd’ tot een benadering waarin een mens – en in het verlengde zijn erfgenamen – een lichaam ‘heeft’. Want alleen dingen die vatbaar zijn voor ‘hebben’, kunnen worden gestolen.

Hebben én zijn

De positie van delen van het menselijk lichaam in het rechtsverkeer is inmiddels op onderdelen geregeld, zo wordt ook in hoofdstuk 3 van dit cahier beschreven. De Wet op de orgaandonatie verbiedt in artikel 2 het betalen van een geldbedrag dat hoger is dan de met orgaandonatie gepaard gaande werkelijke kosten. Voor geslachtscellen, embryo’s en foetaal weefsel geldt eveneens het non-commercialiteitsbeginsel: bij beschikbaarstelling mogen alleen de werkelijk gemaakte kosten worden vergoed. Bloeddonaties vinden in Nederland ook ‘om niet’ plaats, maar de uit deze donaties gefabriceerde bloedproducten worden verhandeld tegen een commerciële prijs. Dat geldt op dezelfde manier voor huid, bot en hoornvliezen. Donatie vindt plaats zonder vergoeding voor de donor, maar de gebruiker betaalt wel voor het geleverde product. Dat is overigens niet een norm die overal ter wereld wordt erkend of nageleefd en ook in Nederland zijn er voorstanders van het stimuleren van bloed- en orgaandonatie door middel van materiële prikkels.

Een verkenning van ‘hebben’ of ‘zijn’ in relatie tot lichamelijkheid levert per saldo een complex beeld op. Wie inzet op een van beide modaliteiten, doet aan die complexiteit tekort. Toch is dat niet een helemaal bevredigende conclusie. De wens blijft om tenminste te bepalen waar het hoofd­ accent of de essentie ligt. De vervulling van die wens is niet onmogelijk, maar gaat verder dan ‘hebben’ en ‘zijn’. Levensbeschouwing en mensbeeld bieden hiervoor de beslissende kaders en dat betekent dat consensus buiten bereik is. De bijdragen in dit cahier illustreren dit.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 april 2013
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.