Je leest:

Grotere succeskans pacemakers dankzij Eindhovens onderzoek

Grotere succeskans pacemakers dankzij Eindhovens onderzoek

Auteur: | 19 november 2007

De diagnose van een verslechterende hartfunctie kan een stuk sneller en betrouwbaarder en dat kan voor veel hartpatiënten een betere behandeling betekenen. Dat stelt cardiologe Annemieke Jansen na een onderzoek bij het Eindhovense Catharinaziekenhuis, waarop ze vandaag (19 november) bij de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) promoveert. Jansen onderzocht niet alleen de klinische betekenis van een aan de TU/e ontwikkelde methode om de pompfunctie van het hart te meten, maar verbeterde ook de succeskans van een bepaald type pacemaker. Verschillende Nederlandse ziekenhuizen hebben met name die laatste resultaten al in de praktijk gebracht.

Jansens onderzoek is op de korte termijn met name van belang voor mensen met een speciale vorm van hartfalen. In zijn algemeenheid is hartfalen een chronische aandoening die zich kenmerkt door een verminderde pompwerking van het hart. Hartfalen leidt vaak tot kortademigheid en kan mensen flink in hun mogelijkheden beperken.

Bij ongeveer dertig procent van de patiënten is hartfalen het gevolg van een ongelijk (asynchroon) samentrekken van de twee hartkamers. Bij hen is de activeringsprikkel naar de linker hartkamer verstoord of vertraagd. Bij deze groep kan een biventriculaire pacemaker uitkomst bieden. Deze zorgt voor gelijktijdige prikkeling van beide hartkamers en daarmee voor een aanzienlijke verbetering van de pompwerking.

Een biventriculaire pacemaker zorgt via aparte draden voor gelijktijdige activering van de beide hartkamers en kan daarmee asynchroniciteitsproblemen oplossen. Beeld: Medtronic

De biventriculaire pacemaker wordt zeer regelmatig toegepast, maar de succeskans van deze cardiac resynchronization therapy (CRT) valt wat tegen. In de praktijk blijkt dat bij ongeveer de helft van de behandelde patiënten objectief te meten is dat de pompwerking verbetert. Nog meer patiënten (70%) melden een vermindering van de kortademigheidsklachten. Toch blijft dan een groep over van 30% waarbij het implanteren van de biventriculaire pacemaker niet tot het gewenste resultaat leidt. Dat is niet alleen zonde van de dure pacemakers maar vooral een onnodige belasting van de patiënten. Het inbrengen van een pacemaker is een flink ingrijpende operatie.

Echoscopie

Uitgangspunt van het onderzoek van Annemieke Jansen was een nauwkeuriger diagnose van het probleem van het asynchrone pompen te ontwikkelen en zo de succeskans van de pacemaker-behandeling te vergroten. Tot nu toe gebruikten cardiologen vooral het ‘hartfimpje’, dat is de registratie van de elektrische activiteit van het hart met een ECG (electrocardiogram). Jansen onderzocht de mogelijkheid om de diagnose te verbeteren door ultrageluid (echoscopie) te gebruiken.

Cardiologe Annemieke Jansen is tegenwoordig werkzaam bij het Canisius Wilhemina Ziekenhuis in Nijmegen. Foto: www.gerardverschooten.nl

Echoscopie is een ingeburgerde klinische onderzoeksmethode die vooral bekend is van de plaatjes van ongeboren kinderen tijdens de zwangerschap. Maar ook in de cardiologie wordt de techniek al breed ingezet. Annemieke Jansen gebruikte vooral de zogenaamde Pulsed Wave Tissue Doppler methode die met vrijwel alle gebruikelijke echoscopie-apparatuur is uit te voeren. Ze bracht de pompwerking van het hart nauwkeurig in beeld door de samentrekking van alle zes hartwanden te registreren. Door vervolgens deze werkelijke hartbeweging te vergelijken met het hartfilmpje van de elektrische aansturing, bleek veel preciezer vast te stellen welke patiënten baat konden hebben bij een biventriculaire pacemaker.

Een echocardiogram, opgenomen met ultrageluid, wordt onder andere gebruikt voor evaluatie van de pompkracht (ejectiefractie) van het hart en van het functioneren van de hartkleppen. In dit voorbeeld zijn de vier compartimenten van het hart aangegeven: rechter ventrikel (hartkamer) (RV), rechter atrium (boezem) (RA), linker ventrikel (LV) en linker atrium (LA). Beeld: Dr. Danita Yoerger, Massachusetts General Hospital.

Kanteling

Daarnaast deed Jansen een opmerkelijke ontdekking met grote relevantie voor de cardiologische praktijk. Met de echoscoop zag ze in veel gevallen van asynchrone hartactivering een kanteling van de linker hartkamer. Nader onderzoek bracht aan het licht dat dit het geval was bij zo goed als alle patiënten met een asynchone pompwerking.

Dankzij Jansens onderzoek hebben cardiologen nu een relatief eenvoudig criterium om met veel méér zekerheid dan voorheen vast te kunnen stellen welke patiënten voor implantatie van een biventriculaire pacemaker in aanmerking komen. Bij 82% van de onderzochte patiënten bleek het mogelijk correct te voorspellen dat toepassing van de pacemaker tot een verbetering van de hartfunctie zou leiden.

Belangrijker is nog dat de ultrageluid diagnose het aantal mensen dat ‘voor niets’ een biventriculaire pacemaker krijgt geïmplanteerd aanzienlijk kan verminderen. Jansen wist in maar liefst 97% van de gevallen correct te voorspellen dat de pacemaker geen nut zou hebben. De nieuwe, eenvoudige diagnosemethode wordt inmiddels al door verschillende Nederlandse ziekenhuizen toegepast.

Automatisch

Een ander belangrijk onderdeel van Jansens onderzoek betrof de evaluatie van een nieuwe Eindhovense techniek voor automatische registratie van de pompkracht van het hart – in cardiologentermen: de ejectiefractie. In de klinische praktijk gebeurt dat nu door in het echocardiogram handmatig de omtrek van de hartwanden vast te stellen. Dat is niet alleen een tijdrovende maar ook vrij onnauwkeurige procedure omdat de éne cardioloog een echogram anders kan interpreteren dan een andere.

De nieuwe techniek levert de ejectiefractie binnen enkele seconden met hoge nauwkeurigheid aan de hand van automatische beeldanalyse. Daarbij wordt het echocardiogram opgenomen nadat een kleine hoeveelheid contrastmiddel in de bloedbaan is gebracht. De technische aspecten van de nieuwe techniek werden onderzocht door dr. Massimo Mischi bij de groep voor signaalverwerking van professor Henk Korsten (faculteit Elektrotechniek van de TU/e). Annemieke Jansen stelde in haar onderzoek vast dat deze nieuwe methode inderdaad van klinische betekenis is. Ze verwacht dan ook dat de nieuwe methode op den duur toepassing zal vinden.

Dit artikel is een publicatie van Technische Universiteit Eindhoven (TU/e).
© Technische Universiteit Eindhoven (TU/e), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 november 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.