Je leest:

Goudschat der Eburonen

Goudschat der Eburonen

Auteur: | 2 februari 2009

Vorig jaar november werd in de Maastrichtse wijk Amby een goudschat opgegraven die afkomstig bleek te zijn van de Eburonen, voorlopers van de Bataven. Deze Keltische stam woonde in de 1e eeuw v.Chr. in het Nederlands-Belgisch grensgebied, totdat hij door de Romeinen werd uitgemoord. Of ligt het toch anders? De vondst van de goudschat ondersteunt een alternatieve geschiedenis.

Die in Maastricht gevonden schat bestaat uit 39 gouden en 70 zilveren munten. Het zilvergeld was waarschijnlijk geslagen in het Duitse Hessen, op de hoogteversterking van de Dürnberg. De gouden munten kwamen uit de omgeving van Maastricht zelf en worden aan de Eburonen toegeschreven. Het was met name de verwijzing naar de Eburonen die de vondst van wetenschappelijk belang maakte. Vlak voor de komst van de Romeinen bevolkte deze stam een flink deel van onze gewesten: Nederlands- en Belgisch-Limburg, de Kempen, het midden en oosten van het Nederlandse rivierengebied en de regio tussen Aken en Keulen.

We kennen dit volk het best uit De Bello Gallico (Over de Gallische oorlog) van Julius Caesar. Hierin omschreef Caesar de Eburonen als een stam die vriendschappelijke banden met Germaanse groepen uit het Rijnland onderhield. Zijn vermelding spoort mooi met de vaststelling dat de muntschat van Maastricht Rijnlandse munten bevat. Een tastbaarder bewijs dat de Eburonen inderdaad contacten met het Rijngebied onderhielden, valt moeilijk te verzinnen.

Aanvankelijk deden de Eburonen of ze met de Romeinen vriendjes wilden worden, maar zodra ze hun vertrouwen hadden gewonnen, lokten ze hen in een hinderlaag. In de winter van 54 v.Chr. slaagden de Eburonen erin anderhalf Romeins legioen uit te moorden. Uit wraak besteedde Caesar bijna het gehele daaropvolgende oorlogsjaar aan het uitroeien van de Eburonen. Als we De Bello Gallico mogen geloven, heeft Caesar een heuse genocide gepleegd. Daarna mocht een andere stam, de Tungri, hun plaats innemen. Eburonenleider Ambiorix kon ontsnappen, maar zijn collega, medekoning Catuvolcus, was minder fortuinlijk. Hij zag geen andere uitweg dan zelfmoord te plegen door het giftige sap van de taxus te drinken.

Medium
Standbeeld van Eburonenleider Ambiorix in Tongeren. Ambiorix wist de Romeinen in een hinderlaag te lokken, waarna hij anderhalf legioen uitmoordde. Caesar gebruikte het jaar daarna om zich op de Eburonen te wreken. De manier waarop Ambiorix staat afgebeeld als een halfnaakte opperhoofd is niet in overeenstemming met recente wetenschappelijke inzichten. Ze is typerend voor de Romantiek uit de tweede helft van de negentiende eeuw, toen het standbeeld werd gemaakt.
ArtMechanic

Gallische oorlog

Niemand weet in hoeverre dit relaas van Caesar met de waarheid strookt. Het verslag van zijn oorlogen in Gallië was in de eerste plaats voor het thuisfront in Rome bedoeld. Caesar hoopte zijn aanzien te vergroten en zijn politieke carrière uit te bouwen. Objectiviteit was niet zijn eerste bekommernis. Dit blijkt regelmatig uit de feiten. Archeologisch vinden we in onze gebieden bitter weinig terug van de Gallische oorlog. Volgens Caesar hebben zijn troepen hier enkele jaren rondgezworven, regelmatig slag geleverd, dorpen in de fik gestoken en in winterkampen gelogeerd. Dergelijke kampen bestond elk uit enkele duizenden soldaten plus waarschijnlijk net zoveel kooplui, familieleden en marketentsters. Je zou verwachten dat zoiets sporen nalaat. In het zuiden van Gallië is dat ook het geval, maar naarmate je meer naar het noorden reist, tref je steeds minder overblijfselen aan.

Koning van de taxusmensen

Een klassiek twistpunt is de vraag of de Eburonen Germanen of Kelten waren. Caesar zelf omschreef hen als ‘Germanen aan de linkerkant van de Rijn’, maar niemand weet wat hij hiermee precies bedoelde. Vermoedelijk was ‘Germanen’ voor hem meer een geografische dan een volkenkundige term. Taalkundig lijkt het in elk geval erop dat de Eburonen Gallisch spraken. In die zin kunnen we hen ongehinderd tot de Kelten rekenen. Het Latijn dat later in deze gebieden werd opgetekend, bevat immers een onvervalst Gallisch accent. Ook de enkele namen die van de Eburonen werden overgeleverd, klinken zo Keltisch als maar zijn kan. Het begint al met ‘Eburonen’ zelf. Tegenwoordig nemen de meeste taalkundigen aan dat die naam van het Gallische eburos is afgeleid. Waarschijnlijk betekende dit ‘taxus’, een eeuwig groene boom die door de Kelten soms als een symbool van leven en dood, of van de eeuwigheid, werd beschouwd. De Eburonen waren dus ‘taxusmensen’. In dit opzicht is het veelzeggend dat Eburonenleider Catuvolcus uitgerekend met het gif van de taxus zelfmoord pleegde. Zijn naam Catuvolcus klinkt ook Keltisch en moet iets als ‘strijdvalk’ of ‘held’ betekenen. Zijn medeleider Ambiorix had een al even Keltische naam. Het tweede deel daarvan, rix, is het Keltische neefje van het Latijnse rex, koning. Over het eerste deel, ambi, lopen de meningen uiteen. Meestal wordt aangenomen dat het gaat om een Keltische omschrijving voor ‘omheining’ of ‘omgeving’, zodat Ambiorix de ‘koning van de omgeving’ was. Recent is gesuggereerd dat ambi- ook ‘koning’ of ‘leider’ kan betekenen. In dat geval staat ‘Ambiorix’ voor ‘koning-koning’ en hebben we met een pleonasme te maken. Opvallend detail: de munten van Maastricht werden in de wijk ‘Amby’ opgespit. Vermoedelijk is dit hetzelfde Keltische woord als ambi- in ‘Ambiorix’. De Keltisch-Eburoonse muntschat van Maastricht werd dus in een ‘Keltische’ wijk gevonden.

Het lijkt erop dat Caesar een tikkeltje heeft overdreven. In onze streken moeten archeologen het vooral hebben van indirecte aanwijzingen naar de Gallische oorlogen, zoals het gegeven dat precies uit die periode opmerkelijk veel muntschatten worden aangetroffen. Kennelijk beleefde de bevolking tussen 57 en 50 v.Chr. een onzekere of gevaarlijke periode en stopten ongeruste zielen om die reden hun rijkdom 70 cm diep in de grond. Achteraf werden sommige schatten nooit opgegraven, wellicht omdat hun eigenaars gesneuveld of verjaagd waren.

Ook de muntschat van Maastricht kan om die reden in de aarde zijn beland, maar helaas klopt hier het plaatje niet al te best. Op het eerste gezicht ziet het tijdstip er perfect uit: de gouden munten werden inderdaad tijdens of rond de Gallische oorlog geslagen. Anderzijds vertonen de munten zichtbare gebruikssporen. Ze waren zeker niet meer nieuw toen ze in de grond verdwenen, zodat ze mogelijk pas jaren later – toen de oorlog met Caesar allang achter de rug was – om een nog onduidelijke reden werden weggestopt.

Eburonen tegen Bataven

Aan de genocide op de Eburonen zoals Caesar die beschrijft, wordt eveneens getwijfeld. Archeologisch lijkt het erop dat ook na de Gallische oorlog de regio volop bewoond bleef. Zelfs de typisch Eburoonse munten bleven overal in gebruik. Waarschijnlijk was de werkelijkheid genuanceerder. Na de oorlog zagen de Eburonen zich gedwongen onder te duiken, of op zijn minst uit het zicht van de Romeinen te blijven. In de regio Maastricht-Tongeren namen de Tungri hun rol als toonaangevende stam over. Waarschijnlijk woonden die hier al langer, maar waren ze ondergeschikt aan de Eburonen en moesten ze hun wellicht een belasting betalen. Na de nederlaag van de Eburonen zagen ze hun kans schoon en spanden met de Romeinen samen. (Tegenwoordig zouden we zoiets ‘collaboreren’ noemen, maar dat is uiteraard een anachronisme.) Na een poos gingen ook veel Eburonen zich als ‘Tungri’ omschrijven. Zo werden ze vlotter in de nieuwe samenleving opgenomen en liepen ze minder gevaar om door wraakzuchtige Romeinen te worden opgemerkt.

In het noorden van hun gebied, bij de rivieren in Midden-Nederland, zagen de overgebleven Eburonen een groep nieuwkomers aanmeren: de Bataven. Wellicht waren de Eburonen deze nieuwelingen liever kwijt dan rijk, maar verkeerden ze niet in de positie om hen tegen te houden. Ze moesten de komst van de Bataven accepteren, en geleidelijk vermengden de Eburonen zich met de nieuwelingen. Tot na enkele decennia ook hier de Eburonen volledig uit beeld verdwenen en officieel alleen ‘Bataven’ overbleven.

Herman Clerinx is publicist, gespecialiseerd in archeologie, volkskunde en geschiedenis. Hij schreef onder meer Kelten en de Lage Landen.

Zie ook:

  • Gaius Julius Caesar. Oorlog in Gallië (oorspronkelijke titel: De Bello Gallico. Vertaald door Vincent Hunink), Athenaeum, 2003
  • Nico Roymans, Ethnic Identity and Imperial Power. The Batavians in the Early Roman Empire, Amsterdam University Press, 2004
Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 02 februari 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.