Je leest:

‘Goede oren voor leerlingen, daar gaat het om’

‘Goede oren voor leerlingen, daar gaat het om’

Auteur: | 5 maart 2008

‘Je bent pas een goede docent als je genoeg praktijkervaring hebt opgedaan’, vindt Jan van Driel. De voormalig scheikundedocent is nu hoogleraar Didactiek van de natuurwetenschappen aan de Universiteit Leiden. In zijn oratie, die hij vrijdag 7 maart uitspreekt, pleit hij onder andere voor voorzetting van de lerarenopleiding in de beroepspraktijk. ‘Nederland heeft een belabberde traditie in het bijscholen en begeleiden van leraren.’

Wat maakt iemand tot een goede docent? Daar kan Van Driel lang en enthousiast over praten. Maar uiteindelijk komt het er voor hem op neer ‘goede oren voor leerlingen te hebben. Een goede docent verdiept zich in hoe de leerlingen zijn vak leren’. In didactische termen gaat het dan om pedagogical content knowledge: inzicht hebben in de manieren waarop leerlingen de vakinhoud leren en in de moeilijkheden die daarbij kunnen optreden.

Het wordt geel!

Een voorbeeld. In het beginonderwijs in de scheikunde maken leerlingen kennis met het concept ‘chemische reactie’. Dat is voor velen lastig te begrijpen.

Een docent door wie Van Driel zelf gecoached werd toen hij aan het begin stond van zijn carrière als scheikundedocent pakte het als volgt aan. Hij liet zijn leerlingen zout en suiker samenwrijven in een mortier (een soort vijzel). Het resultaat was – uiteraard – niet verrassend. Vervolgens verpulverden de leerlingen twee andere witte poeders samen in een mortier, kaliumjodide en zilvernitraat. Toen trad er wel een opvallende verandering op: het mengsel werd knalgeel.

De docent in kwestie had ‘goede oren’. Hij observeerde de ongelovige reacties van zijn leerlingen en begreep dat ze moeite hadden met het accepteren van het concept ‘chemische reactie’. ‘Het wordt geel!’ riepen ze, alsof ze zichzelf wilden overtuigen van hun waarneming. Andere leerlingen ontkenden de verandering: ‘het was al geel’, of ‘het wordt maar een beetje geel’ en weer anderen bedachten creatieve verklaringen.

De bewust gecreëerde verwarring diende vervolgens als startpunt voor een discussie tussen docent en leerlingen, waarvan de uitkomst was dat het verschijnen van de gele kleur wel moest betekenen dat er een nieuwe stof was ontstaan.

Volgens prof.dr. Jan van Driel moet een leraar vooral luisteren naar degenen die het nog niet snappen. ‘Bij bètavakken blijkt bijvoorbeeld dat leerlingen vaak moeite hebben met termen als kracht of stof, die ook in het dagelijks leven worden gebruikt, maar daar iets anders betekenen.’ Foto: Universiteit Leiden

Weg met de leukheidsgedachte

Van Driel is geen aanhanger van wat hij de ‘leukheidsgedachte’ noemt en die in het onderwijsveld heel wat aanhangers heeft. ‘Sommige mensen denken dat het onderwijs in de bètavakken leuker moet worden om leerlingen te motiveren. Dat vind ik helemaal fout’, stelt de Leidse hoogleraar. ‘Het debat moet gaan over relevantie, we moeten onderwerpen onderwijzen waarvan leerlingen begrijpen dat ze belangrijk zijn.’

Leerlingen moeten natuurlijk wel bepaalde concepten en abstracta leren, daar valt niet aan te ontkomen. Er zijn op dit moment landelijke commissies voor de bètavakken aan het werk om vast te stellen welke concepten tot de verplichte leerstof zouden moeten behoren. Maar vervolgens moet je het volgens Van Driel aan de docent zelf overlaten hoe hij zo’n concept relevant maakt voor zijn leerlingen. ‘Als je met organische chemie bezig bent, kun je daar als docent de verfindustrie bij betrekken, maar je kunt het ook op een andere manier relevant maken.’

Bijscholen voorkomt afhaken

In zijn oratie pleit Van Driel voor het voortzetten van de lerarenopleiding in de beroepspraktijk. ‘Uit ervaring weten we dat in de eerste helft van de lerarenopleiding de aandacht van de leraren in spe nog sterk gericht is op het klassenmanagement. Onderzoek wijst uit dat zelfs in het tweede deel van de opleiding het leren van basale vakdidactische noties en vaardigheden slechts gedeeltelijk succesvol verloopt. Voor de ontwikkeling tot volwaardig vakdocent moeten we zoeken naar een organisatie van de lerarenopleiding waarin het leerproces tijdens de eerste periode van de beroepsuitoefening wordt voortgezet.’

Beeld: Platform Bèta Techniek

Dat ook ervaren docenten in staat gesteld worden om zich in hun vakonderwijs te blijven ontwikkelen is nog helemaal niet gebruikelijk in Nederland, maar wel cruciaal voor de beroepsbeleving en beroepstrots, vindt Van Driel. ‘Nederland heeft een belabberde traditie in het bijscholen en begeleiden van leraren. Dat is een belangrijke oorzaak van het grote aantal afhakers.’

In Engeland verlaat ongeveer de helft van de nieuwe leraren binnen vijf jaar het onderwijs. De Nederlandse cijfers heeft Van Driel niet paraat, maar hij vermoedt dat die niet veel anders zullen uitvallen. Ook ervaren docenten moeten zich kunnen blijven ontwikkelen. Ze moeten onderzoek kunnen doen in hun eigen lespraktijk of vakinhoudelijk kunnen bijtanken. Van Driel: ‘Ook voor docenten is modern personeelsbeleid onontbeerlijk om ze gemotiveerd te houden.’

ICLON

Van Driel is als hoogleraar verbonden aan het ICLON, het Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding Onderwijsontwikkeling en Nascholing van de Universiteit Leiden. Het ICLON houdt zich bezig met het opleiden en nascholen van docenten in voortgezet en hoger onderwijs. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de kwaliteit van onderwijs voor een belangrijk deel bepaald wordt door de docent. ‘Dit gegeven leek lange tijd genegeerd te worden, maar wordt inmiddels weer algemeen erkend’, aldus Van Driel.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 maart 2008
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.