Je leest:

Goed vooruitzicht na blinde slokdarm

Goed vooruitzicht na blinde slokdarm

Auteur: | 1 juni 2005

Dankzij een unieke, vijftig jaar oude AMC-database van kinderen met een aangeboren afgesloten slokdarm kon arts-onderzoeker Jacqueline Deurloo deze patiënten na hun hersteloperatie in de tijd volgen. Ze vroeg zich af wat de consequenties van de ingreep zijn op de lange termijn. Hoewel veel patiënten last hebben van omhoogkomend maagzuur (reflux) lijkt het risico op slokdarmkanker niet verhoogd.

Vanaf 1993 verschenen er enkele wetenschappelijke artikelen die nogal verontrustend waren voor patiënten die met een afgesloten slokdarm werden geboren, ook wel oesofagusatresie genoemd. Daarin werd een verband gelegd tussen deze aandoening en het ontstaan van Barrett-oesofagus, een voorstadium van slokdarmkanker. Omdat het AMC al ruim vijftig jaar een unieke database van deze patiënten bijhoudt, was het logisch om deze relatie eens nader te bestuderen. Jacqueline Deurloo, tot voor kort arts-onderzoeker van de afdeling Kinderchirurgie in het AMC, besloot deze taak op zich te nemen. Op 20 april promoveerde zij hierop.

Anatomy of humane bodies epitomized’ van de Londense arts Thomas Gibson

Een van de eerste beschrijvingen van het fenomeen oesofagusatresie dateert uit 1697. In zijn boek ’ Anatomy of humane bodies epitomized’ vertelt de Londense arts Thomas Gibson over een baby die niet kon slikken. Het voedsel kwam telkens weer omhoog waardoor het kind erg hongerig werd. Kort na de geboorte overleed het. Autopsie wees uit dat het bovenste deel van de slokdarm als een zak ‘blind’ eindigde en geen verbinding had met het onderste deel dat uitmondt in de maag.

Daarmee was de verklaring voor het gedrag van de baby gevonden. Bovendien werd later duidelijk dat deze aandoening weliswaar zeldzaam is, maar vaker voorkomt dan we denken. Pas in 1939 lukte het voor het eerst in de Verenigde Staten om dergelijke patiënten via een operatie te redden. De chirurgen maakten het onderste deel van de flexibele slokdarm, dat doorgaans via een fistel vastzit aan de luchtpijp, los om het vervolgens te bevestigen aan het bovenste deel. Zo ontstaat de normale verbinding met de maag.

In Nederland worden jaarlijks ongeveer vijftig patiënten met oesofagusatresie geboren. De oorzaak van de constructiefout is volgens Deurloo niet bekend. ‘Het defect wordt doorgaans snel onderkend. Wat het eerste opvalt, is dat zo’n kind bellen blaast doordat de afgesloten slokdarm overloopt met speeksel. Het kan zich verslikken en zo een longontsteking krijgen. Door een maagsonde in de slokdarm in te brengen, merk je of deze is afgesloten. Pas na het maken van een röntgenfoto weet je zeker dat het om oesofagusatresie gaat.’

Verschillende typen oesofagusatresie.

Reflux

Is het opereren van een ‘blinde’ slokdarm tegenwoordig routinewerk, het effect ervan op de lange termijn is onvoldoende bekend. Wel duidelijk is dat bij negentig procent van de patiënten de peristaltische beweging van de slokdarm niet optimaal is. Deurloo: ‘Verder heeft een groot aantal van hen last van reflux. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat na het samenvoegen van de twee slokdarmdelen de ingang naar de maag iets boven het middenrif komt te liggen. De sluitfunctie zou daardoor verminderen zodat er maagzuur in de slokdarm vloeit.’

Het is deze reflux waarover wetenschappers zich begin jaren negentig zorgen maakten. Het maagzuur irriteert het slijmvlies in de slokdarm waardoor Barrett-oesofagus kan ontstaan. Deurloo nam de AMC-database onder de loep om na te gaan hoe reëel het risico is voor de geopereerde patiënten. In dit bestand zijn vanaf de eerste operatie door kinderchirurg prof. Mak Schoorl in 1947 tot nu toe de gegevens van ongeveer vierhonderd patiënten opgenomen.

Uit Deurloos eerste analyse bleek dat dankzij de verbeterde intensive care, verfijndere operatietechnieken en het betere anatomisch inzicht ook te vroeg geboren kinderen met oesofagusatresie het steeds vaker redden. Zij vroeg alle overlevenden tussen de 10 tot 26 jaar uit de database om een vragenlijst in te vullen. Van hen waren er 86 bereid mee te werken, van wie de helft tevens toestemming gaf voor een kijkonderzoek van de slokdarm.

‘De meesten gaven aan weinig gezondheidsproblemen te hebben. Ze weten niet anders omdat ze ermee zijn opgegroeid. Bij het kijkonderzoek werd wel bij veel patiënten een geïrriteerde slokdarm gezien. Maar weefselonderzoek toonde aan dat geen van de patiënten Barret-oesofagus had.’

Reflux

Definitiewijziging

Wat het extra ingewikkeld maakte, was dat in de periode van haar onderzoek de definitie van Barrett-oesofagus werd bijgesteld door internationale wetenschappers. Voortaan geldt deze benaming niet meer voor iedere weefselverandering in de slokdarm, maar uitsluitend wanneer zoiets darmslijmvliesachtige vormen gaat aannemen. Want alleen in dat geval is er verhoogde kans op slokdarmkanker. Door deze definitiewijziging bleken de verontrustende berichten uit de jaren negentig meteen minder ernstig. Het ging namelijk om patiënten met weefselveranderingen in de richting van het maagslijmvlies.

Deurloo wilde kijken of er na langere tijd misschien toch risico is op Barrett-oesofagus volgens de nieuwe definitie. Daarvoor had ze de oudere patiënten uit de databank nodig. Het leek erop dat het niet gemakkelijk zou worden om die allemaal op te sporen. Maar het toeval hielp een handje. Deurloo ontdekte dat Schoorl, inmiddels de negentig gepasseerd, na zijn pensioen uit nieuwsgierigheid zelf poolshoogte was gaan nemen bij die patiënten om te kijken hoe het hen is vergaan. Een mooie meevaller dus.

Uit die groep wilden 38 personen de vragenlijst invullen, terwijl 23 van hen ook meededen aan een kijkonderzoek. Daartoe behoorde ook Schoorls eerste patiënt die de operatie in 1953 overleefde. De oudere groep had iets meer afwijkingen, en bij weefselonderzoek bleek één patiënt daadwerkelijk Barrett-oesofagus te hebben. Een patiënt die niet meedeed aan het kijkonderzoek, kreeg een tijdje later last met slikken. Hij had slokdarmkanker maar zonder Barret-oesofagus als tussenstap.

Screening

Wetenschappers uit diverse landen pleiten voor een screening van alle patiënten met oesofagusatresie vanaf hun achttiende jaar. Deurloo vindt dit nogal voorbarig. ‘Het is onduidelijk hoe vaak je zoiets zou moeten doen. Bovendien gaat het om gezonde mensen die volgens mijn studie een normale kwaliteit van leven hebben. Bij hen zou je dan invasief onderzoek moeten doen. De vraag is of de levenswinst opweegt tegen de kosten en de belasting voor de patiënten.’

De promovenda stelt voor dat de zes kinderchirurgische centra in Nederland op dit gebied gaan samenwerken zodat er een omvangrijkere database ontstaat. Hoewel zij inmiddels jeugdarts bij de GGD in de Kop van Noord-Holland is, zou ze graag een vervolgonderzoek willen opzetten. ‘Pas als we meer gegevens hebben over grotere groepen patiënten, kun je beter afwegen of zo’n screening zinvol is. Laten we die resultaten eerst maar eens afwachten.’

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 juni 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.