Je leest:

Gezinsdrama: meestal bij verrassing

Gezinsdrama: meestal bij verrassing

Auteur: | 28 oktober 2010

Enkele keren per jaar berichten de media over kinder- of gezinsmoorden: een vader of moeder die zijn of haar kind(eren) doodt, soms de partner en/of zichzelf. Hoe komen deze mensen tot hun daad? En welke rol spelen de media daarin: leidt berichtgeving tot kopieergedrag?

Aan het begin van zomer 2009 vond in Nederland twee keer vlak achter elkaar een gezinsdrama plaats: een 46-jarige man bracht eind mei in Bavel zijn vriendin om het leven en vervolgens doodde hij in Zwijndrecht zijn ex-vrouw en twee kinderen. Begin juni doodde een eveneens 46-jarige man zijn twee dochters en zichzelf in Almere.

Dat dergelijke trieste gebeurtenissen in het nieuws komen, heeft te maken met de maatschappelijke impact. Die is vaak heftig en schokkend, niet in de laatste plaats omdat er in sommige gevallen meerdere slachtoffers vallen. “En ook omdat het vaak om gewone gezinnen gaat”, zegt Toon Verheugt. Verheugt is klinisch en forensisch psycholoog aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), de recentelijk samengevoegde organisaties van de Forensisch Psychiatrische Dienst en het Pieter Baan Centrum. In 2007 promoveerde Verheugt aan de Universiteit van Tilburg op een onderzoek naar kinderdoding. In dat onderzoek heeft hij getracht een antwoord te geven op de vraag welke ouder in staat is zijn of haar eigen kind om het leven te brengen. Wie doet zoiets en waarom?

‘Huisartsen, familie en buren durven heel lang niet op te treden.’
Xtream_i

Verheugt: “Die vraag is niet in één antwoord te vatten.” Wel is er volgens de onderzoeker een patroon te herkennen bij de daders. “De ouder is als kind onveilig gehecht, dat wil zeggen dat zijn of haar ouders emotioneel niet beschikbaar waren, bijvoorbeeld omdat ze veel kinderen hadden. De ouder heeft vroeger vaak een dierbare verloren door scheiding of overlijden. Het merendeel heeft een psychische stoornis. En vaak zie je dat er in het jaar voorafgaand aan de daad een nieuw verlies is, problemen met werk en inkomen, een sterftegeval of een scheiding. Bij zeventig tot tachtig procent van de kinderdodingen zijn deze vier gemeenschappelijke kenmerken te herkennen.”

Volgens officiële cijfers ligt het aantal kinderdodingen in Nederland tussen de tien en vijftien gevallen per jaar. Het gaat jaarlijks gemiddeld om twaalf tot zestien slachtoffers. Het werkelijke aantal zou zelfs tussen dertig en zeventig liggen, omdat een aantal onopgemerkt blijft. De term ‘gezinsdrama’ of ‘familiedrama’, zoals het vaak in de media wordt aangeduid, vindt Verheugt dan ook een ongelukkige term. Er spelen zich immers in heel veel gezinnen ernstige drama’s af, zonder dat er sprake is van moord of doodslag. “Ik spreek liever van kinderdoding of gezinsdoding. Bovendien is vaker sprake van één kind en soms één ouder dan van meerdere slachtoffers.”

Waar gaat het fout?

Het patroon dat Verheugt van de gemeenschappelijke kenmerken schetst, is slechts een vereenvoudigde weergave van de complexe persoonlijke situatie waarin de kinderdoders vaak verkeren voordat ze hun daad begaan (zie kader helemaal onderaan).

De vraag hoe kindermoorden of gezinsmoorden voorkomen kunnen worden, is net zo min eenvoudig te beantwoorden als de vraag wie zoiets in hemelsnaam doet. Verheugt schrijft in zijn proefschrift dat aan de buitenkant vaak weinig opvallends merkbaar is door de ‘relatieve afwezigheid van een justitiële voorgeschiedenis, middelengebruik, mishandeling en dergelijke’.

Slachtofferhulp Nederland adviseert ouders van klasgenoten of sportclubmaatjes van een vermoord kind. Zij geven de volgende tips:

  1. Wees eerlijk over wat er is gebeurd.
  2. Stem de boodschap af op de leeftijd van het kind. Voor kinderen tot vier jaar is het verdriet van hun ouders schokkender.
  3. Emoties van kinderen gaan in blokken: het ene moment vrolijk, het andere verdrietig.
  4. Wijk niet af van routine. Dus gewoon naar school, en eventueel maar een paar nachtjes bij papa en mama in bed slapen.
  5. Schrik niet als kinderen het gebeurde nabootsen, bijvoorbeeld met pistooltjes of in een tekening.
  6. Ga met de kinderen mee: dus als ze verdrietig zijn, ga erbij zitten of doe met ze mee als ze spelen.

Om die reden zijn kinderdodingen vaak onverwacht, het zijn ogenschijnlijk ‘gewone gezinnen’. Verheugt pleit voor het ontwikkelen van een visie over hoe het er in de ‘getroebleerde binnenwereld’ van de kinderdoder aan toe zou kunnen gaan. Verheugt: “Iemand bij wie sprake is van de vier basiskenmerken en die meer dan eens een signaal heeft afgegeven zichzelf en/of zijn kinderen iets aan te zullen doen, is high risk. Dan moet er ingegrepen worden. Ik ken zo’n voorbeeld. Die man wilde niet worden opgenomen. Een paar dagen later had hij zijn twee kinderen gedood. Dan maar iemand misschien iets te snel gedwongen opnemen.”

Verheugt wil niet met een beschuldigende vinger wijzen naar de overheid of hulpverleningsinstanties. “Nee, maar we moeten wel kennis nemen van wat we nu weten over mensen die high risk zijn.”

Ook twee andere experts vinden dat het een stuk beter kan en moet. “Zoeken naar schuldigen werkt averechts”, zegt klinisch psycholoog Wim Wolters, jarenlang werkzaam bij het Utrechtse Wilhelmina Kinderziekenhuis. “Daar komt niets constructiefs uit. Wel moet worden nagedacht over wat de overheid kan doen. Bij sommige instanties, zoals de kinderbescherming, is sprake van enorme bureaucratie. Er is veel druk, maar bijvoorbeeld weinig tijd voor bijscholing.”

Criminologe Pascale Franck is provinciaal coördinator inzake geweld en slachtofferbeleid in de Belgische provincie Antwerpen. Zij houdt zich al achttien jaar bezig met intrafamiliaal geweld en vindt net als Verheugt dat er meer gedaan moet worden zodra potentiële kinderdoders signalen afgeven: “Ik heb gemerkt dat als de situatie steeds verder escaleert huisartsen, maar ook familie en buren, heel lang niet durven optreden.”

Een bijkomend probleem is volgens haar dat in België ten opzichte van Nederland nog heel wat moet gebeuren. “In België zijn er minder mogelijkheden, bijvoorbeeld ten aanzien van advies- en steunpunten huiselijk geweld of de veiligheidshuizen en hun coördinatierol bij huiselijk geweld.”

Franck is eveneens van mening dat spreken van falen van de overheid en hulpverleningsinstanties te ver gaat. “Er zijn wel meer middelen voor preventie nodig. Pas na een vreselijke gebeurtenis kan er worden opgetreden, zoals na de zaak van Dutroux hier of het Maasmeisje in Nederland. We moeten veel doen om de politieke agenda te beïnvloeden. De sector huiselijk geweld wordt als ‘soft’ gezien, er wordt gezegd dat er voorzichtig mee moet worden omgegaan. Maar soms moet er gewoon radicaal worden opgetreden. In elk geval moeten er budgetten voor worden vrijgemaakt.”

‘Media moeten buitengewoon terughoudend zijn.’
Docklandsboy

Optreden van de media

Er wordt niet alleen gediscussieerd over hoe kinder- en gezinsmoorden kunnen worden voorkomen, ook de werkwijze van de media is het mikpunt van critici. Berichtgeving over kinder- en gezinsmoorden zou kopieergedrag in de hand werken. Potentiële kinderdoders die op het punt staan zo’n vreselijke daad uit te voeren, zouden door berichten in de media het laatste zetje krijgen en hun plannen daadwerkelijk uitvoeren.

Die lezing wordt echter nog altijd betwist. Verheugt schrijft in zijn onderzoek dat er zo weinig bekend is over het uitlokkend effect van de berichtgeving, dat in elk geval dat effect niet onomstotelijk is vastgesteld. Wolters’ visie staat daar lijnrecht tegenover. Hij stelt dat er wel degelijk een besmettende werking uitgaat van media-aandacht. Verheugt: “Er zijn tegenstrijdige onderzoeken. Ik ken zeker vijf tot tien mensen die mogelijk op het punt hebben gestaan hun kinderen van het leven te beroven en die na het zien van een televisie-item of het luisteren naar een radioprogramma daar juist van afzagen. Zij zeiden blij te zijn dat er met respect en begrip voor hun toestand over gesproken werd. Als een soort erkenning van de problemen.”

Wolters zegt dat ook het tegenovergestelde gebeurt. “Ik heb ook mensen in mijn kamer gehad die verwezen naar eerdere dodingen die in de media zijn gekomen en die dreigden iets dergelijks te doen. En ik heb meegemaakt dat doders hadden aangegeven een voorbeeld te hebben gehad. Ik ben het niet met Verheugt eens en sta daar niet alleen in. Er bestaan voldoende onderzoeken die bewijzen dat er een besmettende werking is. De impact van de media is evident.”

Welke informatie verstrekken politie en andere instanties?

Jelle Egas, woordvoerder van de Raad van Hoofdcommissarissen: “Wij proberen zo veel mogelijk te vertellen, wel steeds met de opsporingsbelangen in het oog. Er zijn echter ook andere partijen zoals het Openbaar Ministerie en de burgemeester die medebepalend zijn voor de inhoud en de wijze van naar buiten treden. Per incident wordt een afweging gemaakt welke elementen, zoals daderinformatie, vluchtwijze, vluchtrichting of wapeninformatie, we wél of niet vertellen. Als de dader bijvoorbeeld nog voortvluchtig is wil je die niet helpen.”

Of berichtgevingen over gezinsmoorden nu een oorzakelijk effect hebben of niet, over één ding zijn de experts het eens: de media-aandacht is over het algemeen te gedetailleerd, te sensationeel en te weinig zakelijk. Allen zeggen dat de informatie terughoudend, sober, kort, zakelijk en feitelijk moet zijn. Wolters: “Het moet geen soap worden. Leed vermaken tot entertainment heeft ethische en psychosociale bezwaren. Media moeten buitengewoon terughoudend zijn.”

Franck vindt vooral dat sommige journalisten te ver gaan in het vergaren van informatie. “Ik ken een voorbeeld dat een opa en oma de deur dicht sloegen nadat hun ontzettend vaak vragen waren gesteld. Toen werd er gesuggereerd dat er wel iets aan de hand moest zijn. Dat is erg tricky. Een andere keer werd een hulpverlener door een journalist opzij geduwd. Letterlijk.”

Verzwijgen (door de politie of de media) of een tijdelijke mediastilte biedt in elk geval geen oplossing. Dan dreigt het gevaar dat er informatie wordt gelekt of dat verkeerde informatie in de publiciteit komt. Dan zou onvolledige informatie alleen maar tot ongerustheid kunnen leiden. De journalistiek heeft de taak snelle en correcte berichten te verzorgen. Verheugt: “Met verzwijgen denk ik niet dat je het aantal naar beneden krijgt. Je moet het niet wegstoppen, het is een probleem in de samenleving.”

Mediacode

Om die reden trok Joël Voordewind, Tweede-Kamerlid namens de ChristenUnie, in maart 2007 aan de bel nadat kort na elkaar twee gezinsmoorden hadden plaatsgevonden. Hij drong er bij de Raad voor de Journalistiek en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ronald Plasterk op aan een richtlijn voor journalisten op te laten stellen zodat er terughoudender bericht zou worden. Het was het begin van enkele discussies over de werking van de media.

De Raad bleek daartoe niet bereid en Plasterk antwoordde de richtlijn ‘Suïcide in de media’ van de Ivonne van de Venstichting onder de aandacht van de Raad te brengen. Daarnaast zouden volgens Plasterk de ‘Leidraad van de Raad voor de Journalistiek’ en de discussies in de media voldoende moeten zijn ‘om het gevoel voor maatschappelijke verantwoordelijkheid bij de Nederlandse media op hoog peil te houden’.

Ander strafbaar kopieergedrag

Kopieergedrag komt vaker voor en de media spelen daarin een grote rol, zegt Wim Wolters, werkzaam bij het Utrechtse Wilhelmina Kinderziekenhuis. “Bepaalde fenomenen krijgen een mythologisch karakter. De invloed van de media daarin is gigantisch. Als dat fenomeen met een bepaalde glans -een macabere dan wel heroïsche- omgeven wordt, wordt het zelfgevoel van bepaalde mensen naar een ander niveau getild. Een voorbeeld daarvan zijn autoraces.” Andere voorbeelden waarbij media-aandacht leidde tot kopieergedrag zijn zelfmoord voor de trein, het gooien van stenen van viaducten en geweldpleging na het zien van geweld op televisie of in computerspelletjes.

Vooral een zogeheten mediacode ligt gevoelig bij de journalistieke media. “Wij vinden het onze verantwoordelijkheid om te besluiten hoe we het publiek informeren”, zegt Marcel Gelauff, plaatsvervangend hoofdredacteur bij het NOS Journaal. “Elke redactie maakt een andere afweging. Dat is een belangrijke waarde van de democratie.” De redactie van het NOS Journaal is zich bewust van mogelijk kopieergedrag. Gelauff: “Wij bekijken per geval op welke manier we het aanpakken. Dat hangt af van de omvang, aanleiding en de mate van impact. Moet het item vooraan in de uitzending of in het midden. We gaan met terughoudendheid te werk en tonen bijvoorbeeld geen beelden van slachtoffers. Na 2007 zijn we nog meer ons best gaan doen om er zorgvuldig mee om te gaan. Ook wij hebben er geen belang bij als iemand dit gedrag kopieert.”

Desalniettemin zag Voordewind de afgelopen twee jaar geen verbetering in de media. Zo publiceerden verschillende media (delen van) de afscheidsmail van de dader van het Zwijndrechtse drama op internet. Voordewind kaartte het probleem na de drama’s in Bavel/Zwijndrecht en Almere enkele maanden geleden opnieuw aan bij Plasterk. Die zei toe weer contact op te nemen met de Raad voor de Journalistiek.

De Nederlandse Publieke Omroep is nu alsnog bezig een mediacode op te stellen. Deze wordt vermoedelijk in het najaar voorgelegd aan de minister en het parlement. Voordewind: “Het gaat mij erom dat er twee of drie regels in de Leidraad of zo’n mediacode worden toegevoegd die specifiek over kindermoorden of gezinsmoorden gaan. Dus niet over misdrijven in het algemeen, zoals nu het geval is.”

Voordewind neemt de kwestie zeer serieus: “Er zijn goede intenties, maar ik blijf druk zetten op de minister om in de mediacode, waar de minister het laatste woord in heeft, een passage hierover op te nemen indien de Raad voor de Journalistiek het wederom laat afweten. Met een code heb je iets stevigs in handen om in actie te komen, zoals een klacht bij het Commissariaat voor de Media. Alleen zo kan een omroep of krant worden aangepakt. Verkeerde media-aandacht kan het laatste zetje zijn voor mensen met die ideeën. Media hebben ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ik hoop dat het zorgvuldiger journalistiek oplevert en dat het mensenlevens gaat redden.”

Feiten en cijfers uit ‘Moordouders: Kinderdoding in Nederland’.

(het proefschrift van Toon Verheugt)

In de periode van 1994 tot en met 2003 onderzocht Verheugt met behulp van justitiële gegevens 50 gevallen van kinderdoding, waarbij 53 verdachten waren en 60 slachtoffers vielen. Enkele opvallende resultaten.

De kinderdoders

  • 64,2 procent van de kinderdoders is vrouw en 35,8 procent man. Zij zijn doorgaans opgegroeid bij hun biologische ouders in relatief grote gezinnen uit doorgaans lagere sociaal-economische klassen waarin ouders emotioneel weinig beschikbaar waren. Meer dan twee derde is als kind mishandeld, 85 procent heeft ooit vader, moeder, broertje of zusje verloren, 34 procent heeft ooit een dierbare verloren die nog een kind was. Eveneens 85 procent heeft geen justitiële voorgeschiedenis. Ruim een kwart mishandelt zijn kinderen, een vijfde mishandelt zijn partner. Ruim twee derde is gemiddeld intelligent of minder intelligent. Ruim een kwart heeft ooit zelfmoordgedachten gehad. 40 procent van de kinderdoders heeft een signaal afgegeven vóór de doding. Uit buitenlands onderzoek bleek dat een vijfde zelfmoord pleegt na de kinderdoding.
  • Vrouwelijke kinderdoders lijden vaker aan psychiatrische stoornissen dan mannelijke. Ze zijn vaker onder invloed van middelen tijdens de doding. Aanleiding is veelal scheiding of een sterfgeval. Maar liefst 40 procent heeft vooraf een signaal afgegeven zichzelf en/of de kinderen iets aan te doen.
  • Het merendeel is verminderd toerekeningsvatbaar of ontoerekeningsvatbaar. Bij bijna 42 procent werd het gevaar op recidive gemiddeld tot groot ingeschat.
  • Mannelijke kinderdoders werden bijna vier keer zo zwaar gestraft als vrouwelijke. Mannelijke kinderdoders hebben vaak wraak, straf of altruïstische doding (de ouder ziet het doden als in het belang van het kind, bijvoorbeeld om het kind ‘uit het lijden te verlossen’) als motief, vrouwelijke kinderdoders ongewenstheid van het kind of altruïstische doding, of er is sprake van een psychotische stoornis.
  • Slechts één van de 53 verdachten gebruikte antidepressiva. Hoewel de meeste mensen met een depressie baat hebben bij het gebruik van antidepressiva, zo benadrukt arts en klinisch farmacoloog Anton Loonen, is er een kans dat een depressief persoon kort na de start van de behandeling zelfmoord pleegt en zijn geliefden eveneens doodt. ‘Dit kan ook het geval zijn bij het starten of stoppen van de medicatie. Dan kan zich een fase voordoen waarin medicatie leidt tot agressie. Maar agressie is een zeldzame bijwerking en het is zeer moeilijk te bewijzen dat bepaalde medicamenten agressieve incidenten veroorzaken.’

De slachtoffers

  • Bijna 62 procent is een jongetje, 35 procent is een meisje, van ruim 3 procent is het geslacht onbekend. 45 procent was nog geen jaar oud en de kans om slachtoffer te worden neemt af naarmate de kinderen ouder worden. In bijna 56 procent gaat het om het eerste of enige kind. Ruim 32 procent heeft een bijzonderheid ten aanzien van gedrag, zoals handicap of ontwikkelingsachterstand.

Het delict

  • Er is geen sprake van een toename.
  • Meer dan 80 procent van de kinderdodingen gebeurt in het huis van de verdachte of diens ouderlijk huis. Vaak gebeurt het middels adem benemen, wurgen of verstikken.
  • De gemiddelde straf bedraagt 5,7 jaar.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Crimelink.
© Crimelink, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 28 oktober 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.