Je leest:

Gewonde taal

Gewonde taal

Taal- en spraakstoornissen: afasie

Auteur: | 1 november 2010

Raken onze hersenen beschadigd, dan kan dat ook vervelende gevolgen hebben voor ons taalvermogen. Wat kan iemand met zo’n aangetast taalvermogen (oftewel ‘afasie’) niet meer en wat nog wél? Dat valt nauwelijks te voorspellen. In elk geval zijn patiënten tegenwoordig beter te behandelen, dankzij taalkundige modellen.

Afasiepatiënten hebben allemaal problemen met hun taalvermogen, maar verder zijn de verschillen groot. De een begrijpt woorden niet maar kan ze wel nazeggen, bij de ander is het omgekeerd. Nummer drie kan gedicteerde woorden wel opschrijven, maar kan niet lezen – ook zijn eigen aantekeningen niet. Bij de volgende is dat dan weer omgekeerd. Sommigen hebben moeite met het benoemen van heel specifieke categorieën: kleuren, muziekinstrumenten, gereedschappen of levende wezens. Ook zijn er patiënten die onmogelijk op persoonsnamen kunnen komen.

Nog meer vreemde verschijnselen? O, genoeg. Mevrouw A begrijpt zogenoemde w-vragen niet (wie?, wat?, waar?, enzovoort), meneer B kan geen werkwoorden meer vervoegen, meneer C kan wel woorden lezen maar niet de letters benoemen waaruit het woord is opgebouwd. En tot slot twee varianten met afzender: de afatische Amerikaanse dichteres Marie Ponsot vergist zich in ‘hij’ en ‘zij’. En mijn eigen vader – oud-leraar Frans – kwam een paar maanden voor zijn dood makkelijker uit zijn woorden in het Duits dan in zijn eigen Nederlands.

Deze lijst van mogelijke taalproblemen is lang niet uitputtend. Bij afasie kunnen zó veel verschillende symptomen al dan niet optreden dat het moeilijk is twee patiënten te vinden met dezelfde verzameling – hetzelfde ‘syndroom’, zoals dat medisch heet.

Tj io-tj io-tj io

Toch heeft de afasiologie – ja, die wetenschap bestaat en heet zo – hard geprobeerd om een overzichtelijke indeling te maken. Mieke van de Sandt, die als klinisch taalkundige in het Rotterdamse revalidatiecentrum Rijndam dagelijks patiënten ziet, lepelt de hoofdtypes zonder moeite op.

“Bij ‘globale afasie’ zijn alle taalfuncties ernstig aangetast. Het kan zijn dat de patiënt voortdurend ‘godverdomme’ zegt of ‘tjio-tjio-tjio’. Daar hoef je waarschijnlijk niet over te psychologiseren, het betekent waarschijnlijk niks. Bij ‘afasie van Broca’ spreken patiënten niet-vloeiend en is hun zinsstructuur aangetast – vaak is het telegramstijl. Bij ‘afasie van Wernicke’ is het begrijpen van taal gestoord, maar gaat het praten door. Van een afstandje denk je: die staat lekker te redeneren. Maar van dichtbij hoor je dat het moeilijk of niet te volgen is. Dan heb je nog ‘amnestische afasie’: woordvindingsproblemen. Dat is de lichtste vorm, die vaak overblijft na herstel van een zwaardere vorm. Er zijn er wel meer, maar dit zijn de belangrijkste vier. Tegelijk moet je die hele indeling relativeren, want de ene broca is de andere niet. Als je mensen wilt gaan behandelen, kijk je veel fijnmaziger. Al is de indeling natuurlijk wel ergens op gebaseerd: je merkt echt wel wanneer mensen een hersenwond voorin of achterin hebben.”

Bij afasie van Broca is het gebied van Broca beschadigd. Dit gebiedje is ontdekt door Paul Broca in 1861. Carl Wernicke noemde in 1874 een ander gebiedje naar zichzelf. Dit gebiedje is essentieel voor het produceren van taal; beschadiging leidt tot afasie van Wernicke.
Natuurinformatie.nl

De Groningse hoogleraar neurolinguïstiek Roelien Bastiaanse heeft misschien nóg wel minder op met de typologie: “Van alle patiënten kun je hoogstens dertig procent goed indelen.” Wat niet wegneemt dat ze er in haar boek ‘Afasie’ zeven pagina’s voor uittrekt. “Wetenschappelijk gezien is die indeling nuttig! Als ik zeg dat ik ‘een broca’ heb onderzocht, weten mijn vakgenoten precies wat ik bedoel. Maar pure broca’s zijn schaars, misschien enkele tientallen in Nederland. En men spreekt ook weleens van bijvoorbeeld ‘50 procent broca’ – dat vind ik zinloos. Welke helft van het syndroom hebben die mensen dan?”

Proefkonijn

Dat afasie uiteenlopende vormen kan aannemen, is welbeschouwd niet vreemd. In vredestijd is een beroerte verreweg de meestvoorkomende oorzaak, en een beroerte richt nu eenmaal op een chaotische manier hersenschade aan. Vergelijk het met een lekkage in een huis: daarvan verschillen de gevolgen ook al naar gelang de plek van het lek, de duur van de lekkage, de kracht van de straal, de aard van de bouwmaterialen en de plaatsing van de waardevolle, watergevoelige spullen.

Over de gevolgen van een beroerte valt wel íets te voorspellen. Het gezichtsvermogen zetelt nu eenmaal achter in onze hersenen, het taalvermogen meestal links, enzovoort. Een beroerte aan de rechterkant zal bij rechtshandigen vrijwel nooit afasie veroorzaken; bij linkshandigen is de kans zo’n veertig procent. Maar dat is net zoiets als de verwachting uitspreken dat in de werkkamer boeken nat zullen worden en in de keuken het witgoed – weinig specifiek dus.

In het verleden is wel geprobeerd om symptomen precies op de hersenschors te lokaliseren. Men onderzocht daartoe militairen die afasie hadden opgelopen door kogelwonden – het kanonnenvoer werd proefkonijn. Maar veel leverde dat niet op.

Bastiaanse: “Een paar taalgebieden zijn globaal wel aan te wijzen, zoals articulatie. Dat is nuttig, want mensen met bijvoorbeeld een tumor die een hersenoperatie moeten ondergaan, raken liever verlamd dan dat ze hun taal verliezen, dus het is heel goed dat chirurgen de taalgebieden proberen te ontzien. Maar je kunt niet zeggen: zullen we de werkwoorden wegsnijden of de zelfstandige naamwoorden? Begrippen zitten niet op één plek, maar verspreid over netwerken. In je hersenen is een ‘appel’ zowel beeld als smaak als geur als de bijbehorende woordklank.”

Betekenisbibliotheek

Juist omdat afasie zulke grillige symptomen heeft, kijken behandelaars bij elke individuele patiënt nauwkeurig welke taalfuncties het nog goed doen en welke niet. Vroeger benaderden behandelaars de handicap vaak in de allereerste plaats als een communicatieprobleem. “Dat is het natuurlijk ook, maar dan bekijk je het oppervlakkig. Er ligt een táálstoornis aan ten grondslag. Therapie heeft denk ik alleen zin als je weet om welke stoornis het gaat. Gelukkig bestaat er inmiddels ook veel therapeutisch materiaal om de problemen op dat niveau aan te pakken.”

Al waren zelfs die eerdere therapieën al een hele vooruitgang vergeleken bij de aderlatingen die in de zeventiende eeuw ook deze aandoening moesten bestrijden. En het etiket ‘communicatiestoornis’ was in ieder geval respectvol – een vooraanstaande negentiende-eeuwse deskundige schreef dat afasiepatiënten het intelligentieniveau van een hond hadden.

marketingfacts

Hoe bepalen moderne behandelaars welke stoornis iemand heeft? Ze maken gebruik van twee modellen van taalverwerking om te zien waar het precies misgaat. Het ene model gaat over het begrijpen en produceren van losse (zelfstandige naam)woorden, en is vooral van belang bij patiënten met woordvindingsstoornissen. Het andere model beschrijft hoe taalgebruikers zinnen ontleden en vormen.

Het model op woordniveau is als een stad met vier poorten waarlangs woorden naar binnen of naar buiten kunnen. De inkomende poorten zijn voor luisteren en lezen, de uitgaande voor spreken en schrijven. In het hart van de stad staat de grote betekenisbibliotheek van alle begrippen die de taalgebruiker kent (waarschijnlijk in een abstracte versie én als woord). Dat is het zogeheten semantisch systeem. Tussen de poorten en de bibliotheek lopen allerlei straten.

Als we naar een spreker luisteren, doen we continu drie dingen. Ten eerste herkennen we in de smurrie van stemklanken en omgevingsgeluiden die via de Luisterpoort binnenkomen, de taalklanken van het Nederlands. Hier, in de Decodeerstraat, definiëren we het ene geluid als een ‘n’, het andere als een ‘s’, zodat we het ene stukje spraak als “k-n-ie-j-uh”, het andere als “k-s-ie-j-uh” identificeren.

Vervolgens slaan we de Koppelsteeg in. Daar koppelen we de zojuist gedecodeerde taalklanken aan de klankbeelden die in ons luisterlexicon staan: respectievelijk “knieën” en “ik zie je”. Die Koppelsteeg leidt ons naar de centrale bibliotheek, waarin we door de gangpaden op zoek gaan naar de kast met de juiste betekenis behorend bij het net gevonden klankbeeld. (Waarschijnlijk staat “ik zie je”, hoewel niet één woord, daar toch als één geheel in de schappen.)

Belemmerde doorgang

Afasie kan op elke plek in de stad toeslaan. In zeer ernstige gevallen zijn alle poorten dicht of is de bibliotheek afgebrand. Maar afasie kan ook blokkades in een of meer straten opwerpen, die de doorgang alleen dáár bemoeilijken of volkomen belemmeren. Afasiepatiënten die in de Decodeerstraat op een probleem stuiten, hebben meer moeite met lange woorden. Dat komt doordat dit decoderen een geheugeninspanning vereist die zwaarder is naarmate het woord langer is.

In de Koppelsteeg hebben patiënten meer moeite met een woord naarmate ze dat in hun leven minder vaak gehoord hebben. Zo zijn de klanken “f-oo-t-oo” makkelijker te koppelen aan het juiste klankbeeld dan “p-aa-l-e-t” – behalve wellicht voor een (afatische) kunstschilder, wiens palet tot zijn alledaagse uitrusting behoort. In de bibliotheek, ten slotte, vinden de meeste patiënten makkelijker hun weg naarmate het begrip concreter voor te stellen is: “hamer” en “lopen” lukken wel, “woede” en “uitweiden” zijn lastiger. Je zou bijna denken dat ze, net als in een echte bibliotheek, zoeken met hun ogen.

Ook van de Leespoort lopen soortgelijke straatjes naar de bibliotheek. Wie spreekt of schrijft, daarentegen, zoekt eerst betekenissen op in de bieb en snelt dan langs een andere route naar de uitgaande poorten. Verder kent de stadsplattegrond nog een paar ondergrondse gangen, die onverwachte plekken met elkaar verbinden. Die tunnels verklaren bijvoorbeeld waarom we niet-bestaande woorden, die dus niet in de betekenis bibliotheek te vinden zijn, toch kunnen nazeggen. De afasietherapeut onderzoekt welke poorten, straten en gangen begaanbaar zijn, en welke niet.

Het stratenpatroon is niet fysiek in het brein aan te wijzen. Maar uit de problemen waar afasiepatiënten (en bijvoorbeeld ook dyslectici) tegenaan lopen, is af te leiden dat de beschreven ‘taalstad’ in de een of andere vorm wel moet bestaan.

Mapping

Het andere taalverwerkingsmodel, het zinsmodel, ziet er heel anders uit. Hierin staan werkwoorden centraal, vanwege een eigenschap die gezonde sprekers nauwelijks opvalt, maar waar veel afasiepatiënten mee worstelen. Aan werkwoorden zijn namelijk twee soorten rollen verbonden. Uit onze schooltijd kennen we de formele, grammaticale rollen, zoals onderwerp en lijdend voorwerp.

Maar daarnaast zijn aan werkwoorden ook inhoudelijke, zogeheten thematische rollen verbonden, zoals de handelende, ervarende en ontvangende rol en nog een stuk of vijf andere. Het ene werkwoord werkt met een grotere cast dan het andere. “Vallen” bijvoorbeeld heeft genoeg aan één rol: de valler, terwijl “zetten” er graag drie wil: de zetter, het gezette en de zet-plaats.

Wat veel afasiepatiënten verwart, is dat de grammaticale en de thematische rollen per werkwoord in een andere relatie tot elkaar kunnen staan. De zinnen “A geeft B een bloem” en “B krijgt van A een bloem” beschrijven dezelfde gebeurtenis met dezelfde thematische rollen: A in de handelende rol, B in de ontvangende en de bloem in de zogeheten themarol. Maar de grammaticale rollen zijn niet zo stabiel: B is bijvoorbeeld in de eerste zin meewerkend voorwerp, in de tweede onderwerp. Dit koppelen van grammaticale aan thematische rollen heet ‘mapping’, en mapping kan een crime zijn als je afasie hebt.

Toch kunnen patiënten veel zinnen nog steeds wél goed interpreteren, zelfs als er drie thematische en grammaticale rollen in voorkomen. “De kok heeft het mes in de la gelegd” levert vaak geen problemen op. De woordvolgorde is hier heel basaal: eerst het onderwerp, dan het lijdend voorwerp en pas aan het eind het hoofdwerkwoord. Ook algemene kennis van de wereld helpt om deze zin goed te interpreteren: koks doen van alles, messen heel weinig, dus de kans is klein dat de spreker bedoelt dat het mes de kok in de lade heeft gelegd.

Problematischer zijn zinnen waarin zulke algemene kennis geen uitsluitsel geeft of de volgorde afwijkt. “De bril ligt op de krant”, “Slager Janssen is duurder dan slager Frederiks”: het omgekeerde van beide zinnen is net zo geloofwaardig. Ook zinnen waarin het lijdend voorwerp vooropstaat (“Wie heb je daar gezien?”) of waarin het werkwoord voor het lijdend voorwerp komt (“Ik zie de hond nergens”) zijn lastiger te interpreteren. Zo werkt ons Nederlandse taalbrein. Maar opnieuw: waar dat precies gebeurt, is ook met de modernste scantechnieken niet te achterhalen.

Omweggetjes

Na de diagnose volgt de therapie. De behandelaars oefenen met de patiënt, ze reiken omweggetjes aan om hardnekkige problemen te omzeilen en strategieën om bijvoorbeeld op woorden te komen. Ook betrekken ze de omgeving van de patiënt erbij, want zoals Mieke van de Sandt zegt: “Als iemand afatisch wordt, is hij dat niet alleen, maar zijn hele familie. Zij moeten oefenen in aangepast communicatief gedrag.”

En wat levert dat op? Van de Sandt: “Ook dat verschilt enorm. Sommigen zijn na een week beter, niet door therapie, maar door spontaan herstel. Bij een andere patiënt staan we te juichen als hij veertig procent van zijn oorspronkelijke vermogens terugkrijgt. Maar die patiënt natuurlijk niet.”

En zelfs patiënten die door therapie voor negentig procent herstellen, voelen dat er nog altijd iets aan de hand is. Want of ze nu de werkwoordsrollen moeilijk vinden of over barricades struikelen in hun taalstad, onbekommerd kletsen en mailen is er niet meer bij. Hun taal is gewond.

Afasie in de Lage Landen

Jaarlijks krijgen in Nederland en België bij elkaar rond de 20.000 mensen afasie. In totaal zijn er grofweg zo’n 60.000 patiënten in beide landen samen. Er zijn twee actieve afasieverenigingen, te vinden via websites met zeer eenvoudige namen: afasie.nl en afasie.be. De websites geven veel informatie en verwijzen door naar onder meer behandelaars, contactgroepen en literatuur.

Een dit jaar verschenen Nederlandstalig boek over de aandoening is ‘Afasie’ van Roelien Bastiaanse (verschenen bij Bohn Stafleu van Loghum, € 32,50). Dit boeiende en veelomvattende boek is geschikt voor leken en is helder geschreven, maar bepaald niet op de hurken: abstractieniveau en woordkeus zijn afgestemd op beginnende universitaire studenten.

Een erg mooi boekje over één afasiepatiënt is ‘Hoe mijn vader zijn woorden terugvond’ van Liesbeth Koenen, uit 2006 (Nieuw Amsterdam, € 12,95). Het leest als een trein en staat boordevol taalkundige informatie over de ziekte. In ‘Een wonderlijke reis’ (2001, Boom, alleen nog antiquarisch verkrijgbaar) beschrijft kunstenaar Herman Smith zelf hoe hij na een beroerte zijn spraak en andere vermogens herwon.

Zie ook:

Oeps: Onbekende tag `feed’ met attributen {"url"=>"https://www.nemokennislink.nl/kernwoorden/afasie.atom", “max”=>"3", “detail”=>"normaal"}

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 november 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.