Je leest:

Gevolgen van rouw moeilijk meetbaar

Gevolgen van rouw moeilijk meetbaar

Ziek worden of zelfs sterven van verdriet na het overlijden van een dierbare. Volgens velen komt het voor, er bestaan zelfs sterke wetenschappelijke aanwijzingen voor. Maar zoals zo vaak is ook hier wetenschappelijke zekerheid moeilijk te vinden. Zelfs de veranderingen in het afweersysteem als gevolg van rouw blijken moeilijker meetbaar dan verwacht. Psychologe Ellen E. Beem promoveerde vorig jaar op de psychoneuro-immunologie van het rouwproces.

“Toen ik aan mijn onderzoek begon leek het een uitgemaakte zaak dat de stress van rouwen het afweersysteem onderdrukt. Met name de afweer door middel van een bepaald type witte bloedcellen, de zogeheten NK-cellen, zou geremd worden. Inmiddels is duidelijk dat het ingewikkelder in elkaar zit”, aldus Beem in een toelichting op haar proefschrift.

De problemen die zij tegenkwam bij haar onderzoek zijn waarschijnlijk karakteristiek voor dit vakgebied op de grens van psychologie en immunologie. Psychologen en immunologen meten op zeer verschillende manieren. Een psycholoog kan door middel van vragenlijsten en gesprekken een indruk krijgen van de gemoedstoestand van een persoon. Immunologen kunnen de aantallen en de activiteit van afweercellen bepalen en de concentraties van een duizelingwekkend aantal biologisch actieve stoffen meten. Het lijkt wellicht simpel om die twee met elkaar in verband te brengen, maar de vele tegenstrijdige resultaten in de vakliteratuur laten zien dat dit niet zo is. Beem pleit dan ook dringend voor goed opgezet multidisciplinair onderzoek en voor het ontwikkelen van modellen waarin de interactie tussen immuunsysteem, hersenen en beleving inzichtelijk wordt gemaakt.

Na ruim een jaar hersteld

Beem onderzocht de lichamelijke en psychologische veranderingen bij vrouwen die recent weduwe waren geworden. Vervolgens ging zij na of begeleiding een gunstig effect kan hebben op het herstel, zowel lichamelijk als geestelijk. Zoals verwacht gaat het rouwproces gepaard met een breed scala van negatieve emoties. De vrouwen die recent hun echtgenoot hadden verloren waren somberder, vijandiger en angstiger dan een controlegroep van vrouwen die geen ingrijpende gebeurtenissen hadden meegemaakt. Dit patroon blijft geruime tijd bestaan. Na dertien maanden zijn deze psychologische verschijnselen bij 83% van de weduwen niet langer aantoonbaar.

Beem concludeert dat deze vrouwen weliswaar nog steeds de gevolgen van het verlies ervaren, maar dat zij inmiddels manieren hebben gevonden om de emoties van de rouw te hanteren. De overige 17% doet er langer over dit evenwicht te vinden. Dat wil nog niet zeggen dat hun rouwproces “pathologisch” verloopt, aldus de onderzoeker. “Rouw is een gezond verschijnsel waaraan geen standaard tijdsverloop verbonden is. Het kan volkomen normaal zijn als iemand vijf jaar na het overlijden van de partner nog in rouw is. Voor de hulpverlening is het doorslaggevende criterium of het voor de persoon zelf nog leefbaar is. Hulp bij de verwerking van verlies moet daarop afgestemd zijn en kan zelfs al in de eerste maanden van het rouwproces nodig zijn.”

Hoe effectief hulpverlening aan rouwenden is, kan Beem niet zeggen. In haar eigen onderzoek werd geen meetbaar effect gevonden van hulp bij de verwerking van het verlies. Er werden geen verschillen gevonden tussen weduwen die een hulpprogramma kregen aangeboden en een controlegroep van weduwen die geen hulp kregen. Volgens de onderzoeker kan dit negatieve resultaat verklaard worden uit het feit dat de hulp werd aangeboden zonder dat de weduwen erom gevraagd hadden.

Duidelijk effect, onduidelijke betekenis

De immunologische kant van haar onderzoek leverde onverwachte positieve en negatieve resultaten op. Beem vond bij het vergelijken van de aantallen en de functie van NK-cellen (Natural Killer-cellen) geen verschil tussen weduwen en vrouwen die geen rouwproces doormaakten. Hiervoor zijn verschillende verklaringen te geven, zoals het gebruikmaken van verschillende laboratoriumprocedures en/of de verschillen tussen subtypes van de NK-cellen.

Beem onderzocht ook in de reageerbuis ( ex vivo, dus buiten het lichaam) de productie van IL-6, een hormoonachtige signaalstof die diverse effecten heeft op afweercellen. “Bij weduwen vond ik een duidelijke stijging van de ex vivo productie van IL-6. Bovendien liet de ex vivo productie van IL-6 zich bij weduwen minder makkelijk remmen. Ik kan dan ook niet concluderen dat het rouwproces altijd onderdrukking van de afweer met zich meebrengt. Wel lijkt het me zinvol dat er in een vervolgstudie systematisch gekeken wordt naar mensen bij wie de door mij gevonden veranderingen rond IL-6 langer blijven bestaan”, aldus Beem. Ook in de immunologische reacties leverde extra hulpverlening overigens geen resultaat op.

Wat de wijzigingen in de productie en remming van IL-6 precies betekenen, is niet geheel duidelijk. Onderzoek naar de IL-6 mechanismen bij gezonde mensen staat nog in de kinderschoenen. Verhoogde serumspiegels IL-6 zijn onder meer kort na een chirurgische ingreep aangetoond door verschillende onderzoekers. Ook bij sommige patiënten met schildklierafwijkingen zijn verhoogde serumspiegels IL-6 gevonden. Aangezien het functioneren van de schildklier van invloed kan zijn op de stemming, is dit een interessante richting voor verder onderzoek. Beems eigen onderzoek werd gefinancierd door het Ministerie van VWS en was geïnitieerd door het Helen Dowling Instituut, een van de weinige organisaties die psychoneuro-immunologisch onderzoek ondersteunen.

Energie krijgt een plek

Ten slotte werd ook aan Beem de impertinente vraag gesteld hoe zij denkt over het leven na de dood. "Allereerst wil ik zeggen dat het beter is zo’n vraag gewoon te stellen. Ik merkte in mijn onderzoek dat de proefpersonen heel open reageerden op vragen die ik zelf heel onbescheiden vond. Ze vonden het juist prettig dat zij de ruimte kregen om te praten over onderwerpen die voor hen belangrijk waren. Het onderwerp “wat is er na de dood” houdt veel mensen zo af en toe bezig. Ik heb veel geleerd van mensen in de laatste fase van hun leven. Je ziet dan een stuk rust over iemand komen. Dat geeft mij het gevoel dat er iets moet zijn na dit leven. Denk maar aan de wet van het behoud van energie. Ik geloof dus niet dat ik na mijn dood in de hemel rondwandel, wel geloof ik dat de energie van mensen op de ene of de andere manier een plek krijgt en niet verloren gaat."

Dit artikel is een publicatie van Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).
© Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 mei 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.