Je leest:

Gesteggel om visquota

Gesteggel om visquota

Auteur: | 28 november 2009

Jaarlijks stelt de Visserijraad de vangstquota voor het komende jaar vast. Volgende maand is het weer zover. Zelden komen visquota overeen met wat de International Council for Exploration of the Sea (ICES) adviseert. Hoe nuttig is dit systeem en hoe werkt het in de praktijk?

Wetenschap: ‘Verdeling van quota is politieke keuze’

Hoogleraar Duurzaam Visserijbeheer Adriaan Rijnsdorp bracht jarenlang wetenschappelijk advies uit over de maximale visserijdruk die de zee kan verdragen. ‘Als beheerders dat niet overnemen, dan bestaat de kans dat de populatie instort’, zegt Rijnsdorp kalm. ‘Op de korte termijn gaat dat misschien goed, maar op de lange termijn komen er hoe dan ook problemen.’

G. Th. A. Janssen

Toch zijn de total allowable catches regelmatig hoger dan het vangstadvies van de visserijbiologen, dat soms volledig genegeerd lijkt. ‘Het advies is gestaafd op de wetenschap, maar de vaststelling van quota is dat niet; dat is een politieke keuze’, aldus Rijnsdorp. ‘Daarbij staat duurzaamheid niet voorop. Tegenwoordig wordt er wel meer naar ons geluisterd, maar in sommige landen overheerst nog altijd het ortetermijnbelang.’

Voor de gemengde visserij vormt het quoteringsysteem volgens Rijnsdorp al jaren een probleem. ‘Gemengde visserij is niet soortspecifiek; vissers vangen meerdere soorten tegelijk. Maar de verhouding van quota komt niet overeen met wat de vissers daadwerkelijk vangen. Van de ene soort is het quotum sneller bereikt dan van de andere.’

Dat roept bij de vissers ongewenst gedrag op, legt Rijnsdorp uit: teveel gevangen vis mag niet aan land worden gebracht en gaat daarom overboord, vaak meer dood dan levend. ‘Dat is de achilleshiel van dit systeem. Op papier lijkt het goed geregeld, maar er is sprake van een principiële tekortkoming.’

Volgend jaar wordt het gehele visserijbeleid herzien; dat gebeurt elke tien jaar. Rijnsdorp pleit voor substantiële veranderingen. ‘De visserij-inspanning moet beter worden gere-guleerd, zodat ze meer in lijn is met wat de zee kan produceren. De vangstrechten kun je bijvoorbeeld vervangen door het aantal dagen op zee. Je kunt vissers ook verplichten hun bijvangst aantoonbaar af te bouwen.’ Maar er zullen altijd neveneffecten zijn, denkt de hoogleraar. ‘Wie wil oogsten, moet ook de bij-effecten op bodemfauna, vogels en zeezoogdieren accepteren. De kunst is deze zo klein mogelijk te maken.’

Beschermde gebieden kunnen hieraan bijdragen, maar lossen de overbevissingproblematiek niet op. ‘Als je denkt dat die een wondermiddel zijn: forget it. Als die maatregel niet goed wordt toegepast, berokkent dat het ecosysteem veel schade. In 2001 werden twee gebieden gesloten voor visserij ten behoeve van kabeljauw. Vissers weken daarom uit naar andere visgronden. Met hun sleepnetten en bijvangst tastten ze andere kwetsbare gebieden aan.’

Toch is Rijnsdorp hoopvol wat betreft de toekomst. ‘Er is duidelijk vooruitgang. De omvang van de vissersvloot is gereduceerd, wat we terugzien in verlaging van de visserijsterfte en herstel van de stand van bijvoorbeeld schol en tong’, zegt hij. ‘De maatschappelijke roep om duurzaamheid legt steeds meer gewicht in de schaal. De druk op ministers wordt groter en ook vissers zijn ervan overtuigd dat duurzaam beheer nodig is om in de toekomst te blijven vissen. Maar de verbeteringen gaan langzaam en het probleem is over vijf jaar de wereld nog niet uit. Je kunt niet voor elke soort een maximaal duurzame oogst realiseren. Het vangen van de ene soort heeft direct gevolgen voor een andere soort binnen dat ecosysteem. Geen wetenschapper kan daarvoor een oplossing aandragen.’

Milieu: ‘We moeten af van het Mare Liberum’

‘De vangstadviezen van ICES worden door Europa in de wind geslagen’, vindt Carel Drijver, hoofd van het WNF-programma Oceanen en Kusten, ‘terwijl het onderzoek enorm veel tijd en geld kost.’ Drijver heeft geen vertrouwen meer in quotering. ‘Het is een politiek spel; wil je als politicus je stemmen behouden, dan moet je vooral niet tegen de vissers ingaan.’

Ook het Europese verband waarin de quota worden vastgesteld, is niet altijd gunstig voor het systeem, vindt Drijver. ‘Het is de politieke code om elkaar niet tegen te zitten. Wil je zelf veel schol en tong vangen, dan moet je ook niet moeilijk doen over de kabeljauw van de ander. Noordelijke landen zetten zich in voor duurzame visserij, maar de rest houdt dat tegen.’

Volgens Drijver heerst er nog veel wantrouwen onder vissers over de juistheid van de bestandsaantallen. ‘Biologen blijven aan voorzichtige kant, omdat ze visbestanden niet willen beschadigen. Vissers vinden die voorzorgsmarge te groot. “Wij kunnen dat weten, want we zien de vissen zwemmen”, hoor je vaak. Maar vissers komen vooral in gebieden waar veel vis zit, terwijl de biologen kijken naar visbestanden in de gehele zee.’ Dat wantrouwen klinkt door in de besluitvorming, want de invloed van de vissers is groot, zegt Drijver. ‘De vissers hebben een goede lobby en nauwe banden met het CDA. De minister probeert zowel kool als geit te sparen.’

Langzamerhand gaan overheden om, constateert Drijver. De rol van de consument wordt daarin steeds belangrijker ‘De vraag naar duurzame producten is voor bepaalde supermarkten nu al genoeg reden om steeds meer vis te verkopen met het keurmerk van de Marine Stewardship Council (MSC). Als het publiek en de media reageren, dan moet er wel iets mee worden gedaan. Zo heeft de minister 1 miljoen euro vrijgemaakt voor certificering van de visserijvloot en zullen supermarkten per 2011 enkel MSC-vis verkopen.’

Voor het nieuwe visserijbeleid pleit het WNF voor afschaffing van het zogeheten Mare Liberum. ‘In andere landen geldt een 200-mijlszone waarbinnen een land het alleenrecht heeft om te vissen. Binnen Europa mag je echter in elkaars wateren vissen. Wij kunnen ons netjes aan onze quota houden, maar andere landen zetten hier een net om een scheepswrak, plaatsen explosies en halen vervolgens de vis binnen’, zegt Drijver enigszins verontwaardigd. ‘Daar moeten we vanaf.’

Het WNF ziet een belangrijke rol weggelegd voor de vissers en real time closures. ‘Daarbij worden gebieden tijdelijk gesloten, bijvoorbeeld tijdens de voortplantingsperiode van een soort in een specifiek gebied. Vissers zien als eersten wat er in de zee gebeurt en kunnen aangeven wanneer het gesloten moet worden. Zij kunnen de gebieden goed beheren en krijgen het alleenrecht om daar te vissen. Gaat het mis, dan verliezen ze hun vergunning.’

Vissers: ‘Van ons mogen de quota omhoog’

Terwijl duurzaamheid en de lange termijn voor de bioloog belangrijk zijn, speelt juist de korte termijn een grote rol voor de visser. ‘De laatste jaren hebben we enorm gesaneerd; onze vloot is gehalveerd’, vertelt Leen Haasnoot, directeur van Rederij Haasnoot IJmuiden. ‘We werden steeds gekort op onze quota, waardoor het niet meer rendabel was. Wat dat betreft zijn de komende vangstquota erg belangrijk, want we willen wel blijven bestaan. Tegelijkertijd is het ook in ons belang dat we de komende tien jaar nog kunnen vissen, want we doen ook investeringen in de vloot.’

‘Als een laag vangstadvies echt nodig is om het voortbestaan te garanderen, dan heb ik daar begrip voor’, zegt Haasnoot. ‘Maar niet als we vervolgens in de netten zien dat er veel meer vis zit. Onze vangstcijfers liegen niet. Als er veel vis is, dan willen we ook veel kunnen vangen. Dat is nu het geval bij schol en kabeljauw. We zien overal in de zee jonge aanwas. De vangst is goed. Wij denken dus dat het wel meevalt. Wat ons betreft mogen de quota omhoog.’

De meningsverschillen tussen vissers en biologen zullen altijd bestaan, denkt Haasnoot. ‘Er is altijd een bepaalde spanning tussen de visserman en de bioloog. Een visser wil vis vangen, een bioloog kijkt objectief naar de visbestanden. Je moet elkaars positie accepteren. De quota worden jaarlijks verdeeld, maar soms blijkt er halverwege het jaar meer schol te zijn. Dan moeten we opnieuw over de quota kunnen praten.’

Quoteringssysteem

Jaarlijks stelt de Europese Commissie in de Visserijraad de total allowable catch (TAC) voor het komende jaar vast. Hierin wordt zij geadviseerd door de International Council for Exploration of the Sea (ICES). Vanuit Nederland zitten visserijbiologen van Wageningen Imares in ICES.

ICES adviseert welke hoeveelheid vis gevangen kan worden, zonder dat de populatie instort. Dit bepaalt de raad op basis van onderzoek naar paaistanden, vangstsucces van vissers en surveys door onderzoeksschepen.

Op basis van de TAC’s worden de visquota per soort per land bepaald. Elk land verdeelt deze quota weer onder zijn vissers. De hoeveelheid vis die een visser van een soort mag vangen, wordt contingent genoemd. Onderling mogen vissers hun contingenten ruilen. ‘Een logische aanvulling om de disbalans in vangstrechten te herstellen’, zegt hoogleraar Adriaan Rijnsdorp. ‘Het voorkomt dat vissers een soort overboord moeten zetten, terwijl andere vissers daar nog wel rechten voor hebben.’

Sommige soorten, zoals schol en tong, vallen onder een meerjarenplan. De TAC van deze soorten mag per jaar niet meer dan 15 procent verschillen.

Vissers houden zelf hun gevangen hoeveelheden bij in een logboek. Daarnaast controleren productorganisaties de vangst. In de havens wordt de aangelande hoeveelheid vis geregistreerd. Bijvangst of ondermaatse vis die voortijdig overboord is gezet, wordt niet genoteerd.

Nederland vist met name op platvissen, zoals schol, tong en tarbot, en op haring, makreel en horsmakreel. Met de platvissen gaat het goed en ook makreel mag naar verwachting in 2010 weer meer worden gevangen. De geadviseerde TAC voor haring en wijting ligt lager dan die in het voorgaande jaar.

De relatie tussen vissers en biologen is volgens Haasnoot sterk verbeterd. ‘Vroeger wantrouwden de vissers de uitkomsten van de biologen, maar tegenwoordig zijn er meer uitwisselingsprojecten, waarbij de biologen met de vissers mee de zee opgaan, en andersom. Dat komt de relatie ten goede.’ De oprichting van regionale adviesraden draagt daar ook aan bij, vindt Haasnoot. ‘Daarin zitten mensen van allerlei gebieden: vissers, ministeries en biologen. Het moet nog een beetje handen en voeten krijgen, maar het is een goede ontwikkeling.’

Het beheren van real time closures door vissers vindt hij een goed plan. ‘Onze vissers hebben nu al de opdracht niet te vissen en snel weg te wezen als ze een trek jonge vis zien. Ook bij andere schepen wordt daar redelijk gehoor aan gegeven. De rol van beheerder is zeker wel voor hen weggelegd.’

Anders dan het WNF, vindt Haasnoot het Mare Liberum juist een prima systeem. ‘Je moet het met een Europese bril bekijken. Met een 200-mijlszone schieten we niets op. De Denen en Engelsen vissen hier, maar wij vissen ook in hun wateren. Daar moet je nuchter mee omgaan, zeker in het kader van één Europa.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 28 november 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.