Je leest:

Geschiedenis van het kiezersonderzoek in Nederland

Geschiedenis van het kiezersonderzoek in Nederland

Auteur: | 18 juli 2006

Het Nederlandse kiezersonderzoek kwam in de jaren zestig op gang. Het belangrijkste model waarmee het stemgedrag van mensen begrepen kon worden was het verzuilingsmodel. Tijdens de verzuiling kon kiesgedrag grotendeels verklaard worden aan de hand van iemands religie en sociale klasse.

Eerst terug in de tijd. Het systematische, wetenschappelijke onderzoek naar het waarom en waardoor van de partijkeuze, en op geaggregeerd niveau van de verkiezingsuitslag, kwam in Nederland in de jaren zestig op stoom. De Amsterdamse politicoloog Hans Daudt wist de dag, nee: het dagdeel aan te geven: “In Nederland is verkiezingsonderzoek ‘in’ sinds de avond van 23 maart 1966. Op die avond werden de uitslagen bekend van de verkiezingen voor de Provinciale Staten, waaruit een, voor Nederlandse verhoudingen, politieke aardverschuiving bleek van een omvang die na de tweede wereldoorlog nog niet was waargenomen.”

‘Het klasje van Hoogendijk’ aan de vooravond van de verkiezingsuitslagen in 1966.
geschiedenis.vpro.nl

Voor Daudt werd het bewijs van de toegenomen behoefte aan kiezersonderzoek geleverd door het feit dat politici niet, zoals toen en nu gebruikelijk, al op de avond van de verkiezingen exact wisten uit te leggen wat het electoraat had bewogen en wat de kiezers met hun uitspraak in het stemlokaal precies hadden bedoeld.

Dergelijk verkiezings- of kiezersonderzoek, liever niet te verwarren met het werk van opiniepeilers, kreeg vaste voet aan de grond met het initiatief dat in 1970 werd genomen door de hoogleraren van alle Nederlandse politicologische instituten. Zij stelden het organiseren van een terugkerend dataverzamelingsproject bij Tweede-Kamerverkiezingen voor. Dat resulteerde in het Nationaal Kiezersonderzoek of NKO.

Het gaat om een onderzoek rondom Tweede-Kamerverkiezingen, en dat onderzoek wordt al ruim dertig jaar gehouden. Voor en na de verkiezingen wordt aan dezelfde groep mensen aan de hand van een gestructureerde vragenlijst een grote hoeveelheid gegevens voorgelegd. Die vragen hebben betrekking op hun persoonlijke kenmerken, maar vooral ook op hun van politieke mening, houding en gedrag. Op basis van die informatie probeert de onderzoeker de overwegingen in kaart te brengen die leiden tot bepaalde partijkeuzes.

Dat het Nederlandse kiezersonderzoek in de jaren zestig op gang kwam en het NKO van begin jaren zeventig is, is geen toeval. In een schets van het ontstaan van dat NKO werd de hoop uitgesproken dat met het project “een belangrijke stap gezet [zal] zijn om veranderingsprocessen te bestuderen met behulp van meer gestructureerde technieken van empirisch onderzoek”. Die politieke en electorale veranderingsprocessen waren in de jaren zestig nadrukkelijk aan de oppervlakte gekomen. Na het succesvolle optreden van de Boerenpartij was er onder meer Democraten ’66 gekomen en gevestigde partijen, met name van confessionele huize, kregen ongekend electoraal verlies te verduren. De Nederlandse kiezer leek op drift te zijn geraakt.

Het verzuilingsmodel was lange tijd het model om kiesgedrag te verklaren.

Verzuiling

De veranderingen in kiesgedrag kunnen in kaart worden gebracht aan de hand van het door Arend Lijphart ontwikkelde zogeheten verzuilingsmodel. In deze sociologische benadering zijn kiezers eerst en vooral leden van een bepaalde sociale groep. De partijkeuze is daarbij uitdrukking van groepsidentiteit. Deze benadering was uiteraard zeer geschikt voor de Nederlandse situatie. Nederland was immers zoals bekend lange tijd een verzuilde samenleving. De metafoor van netjes naast elkaar staande, in aard en omvang vergelijkbare zuilen waarop ook nog eens een gezamenlijk dak rust is treffend, maar sterk gestileerd en vanuit empirisch oogpunt aanvechtbaar. Het was echter wèl zo dat de politieke voorkeur van een ruime meerderheid der kiezers kon worden gezien als uitdrukking van hun groepslidmaatschap. Kiezersonderzoekers kennen de volgende frase uit het hoofd: in het primair door religie en secundair door sociale klasse gestructureerde electoraat kon in 1956 72 procent van de partijvoorkeuren worden begrepen.

Het inzicht in het kiesgedrag op basis van zo weinig en zulke eenvoudige gegevens als iemands religie, de frequentie van het kerkbezoek en ten derde en ten slotte zijn of haar sociale klasse is in de loop der tijd steeds minder geworden. Dat ging natuurlijk niet van de ene op de andere dag, wat gezien de aard van het verzuilingsmodel ook vreemd geweest zou zijn. Het is onzin te beweren dat in 1966, of in 1963 of 1967, Nederland op een dag als verzuilde natie ging slapen en ontzuild wakker werd. In 1968 bijvoorbeeld was nog altijd de politieke voorkeur van een meerderheid van 60 procent van de kiezers via het verzuilingsmodel te begrijpen. In 1977 was dat 52 en in 1986 nog 44 procent. Pas in 1994 komt de verklarende waarde met een score van 36 onder de 40 procent. Dan ook blijkt dat het verzuilingsmodel zich als analytisch hulpmiddel heeft overleefd, al voorziet Rudy Andeweg nog in 1995 zijn hoofdstuk ‘Afscheid van de verzuiling’ met een vraagteken. Goede wetenschappers zijn nu eenmaal een beetje voorzichtig.

Bij de analyse van het electorale spektakel dat op 15 mei 2002 plaatsvond, besteedden Leidse politicologen nog maar kort aandacht aan het verzuilingsmodel. Het vertrouwde verzuilingsmodel leverde geen aanzienlijke en betekenisvolle verklaring van het gedrag van het Nederlandse electoraat meer op. “There is only one possible conclusion to draw from this”, zo concludeerden we (en dat gebeurt tegenwoordig vaak in het Engels). En we velden ons oordeel: “exit the structured model.”

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 juli 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.