Je leest:

Genoeg kokkels, maar te weinig vlees

Genoeg kokkels, maar te weinig vlees

Auteur: | 2 september 2007
De kokkelvisserij is inmiddels verboden, maar waddenbiologen maken het bewijs nog even rond. Kanoeten die hun maag niet kunnen vergroten, overleven de winter niet.

Theunis Piersma zucht. Tien jaar lang heeft hij gewaarschuwd dat mechanische schelpdiervisserij de kanoetenstand doet afnemen, en de politiek wilde niet luisteren. Toen kwam Eva II, de integrale studie naar ecologische effecten van de schelpdiervisserij, en de uitkoop van de mechanische kokkelvisserij. En nu is in het vervolgonderzoek niemand geïnteresseerd.

‘Op een gegeven moment swingt de politiek om, dan hoef je de schadelijke effecten niet meer te bewijzen. Maar wetenschappelijk wil ik het wel afronden. Daar is nauwelijks financiering voor; LNV ondersteunt alleen maar toegepast, korte-termijnonderzoek.’

Uit de literatuur was al langer bekend dat bodemberoering desastreuze gevolgen kan hebben voor zeebodemleven. Voor de Waddenzee was sinds 1994 duidelijk dat op plaatsen waar mechanisch gedregd wordt naar kokkels, het aantal schelpdieretende wadvogels afneemt. Piersma wil echter van iedere tussenstap het causale verband aantonen.

In PloS Biology van 14 november 2006 timmeren post-doc Jan van Gils en hoogleraar Piersma van respectievelijk NIOO en NIOZ de keten dicht. Die keten begint bij mechanische kokkelvisserij en loopt van bodemberoering, verminderde kokkeldichtheid en lagere vlees-schelpratio van die kokkels, tot aan afname van kanoeten.

De bodem

Eerst de visserij. Of beter gezegd dreggerij. Begin jaren 1980 ging de handmatige kokkelvangst (circa 2.000 ton per jaar) over op mechanische vangst (circa 80.000 ton per jaar). Met messen schrapen de dreggen van kokkelschepen de bovenste vijf centimeter van de bodem af om alle organismen groter dan 19 mm op te zuigen. Het leidt na verloop van tijd tot een grover sediment omdat het slib verdwijnt. In dit soort bodems kunnen jonge schelpdieren zich moeilijker vestigen. Dit was al in 2001 aangetoond ( Journal of Applied Ecology).

Het voedsel

Dan de kokkels. Sinds 1996 monsteren NIOZ-biologen kokkels ( Cerastoderma edule) op 2800 plaatsen in de westelijke Waddenzee. Elk jaar gaan ze in augustus met de boot Navicula vijf weken het wad op. Ze meten kokkeldichtheid en de verhouding tussen vlees en schelp – samen een maat voor een fatsoenlijke kanoetenmaaltijd.

In onbeviste gebieden nam de kokkeldichtheid tussen 1998 en 2002 toe met drie procent per jaar. In gedregde gebieden bleef de dichtheid op peil, maar de voedselkwaliteit was minder op de plaatsen waar vissersschepen zijn geweest. De vleesschelp- ratio daalde er met twaalf procent.

Uit deze twee cijfers is voor elk gebied te berekenen of er voldoende voedsel is voor overwinterende kanoeten. Van Gils en collega’s berekenen dat het percentage voor kanoeten geschikt wadoppervlak tussen 1998 en 2002 afnam van 34 naar 13 procent.

De kanoet

En tot slot de vogels. Kanoeten ( Calidris canutus islandica) komen hier aan vanuit Noord-Groenland en Canada met een relatief kleine maag. De wadvogel kan zijn maagdarmstelsel aanpassen aan de hoeveelheid beschikbaar voedsel.

Piersma: ‘Godzijdank is Anne Dekinga, die de vogelvangst coördineert, de maaggrootte blijven meten. We vangen die vogels ’s nachts bij donkere maan met netten waar ze tegen aan vliegen. Met echoscopie meet je dan de omvang van de spiermaag, dat kost natuurlijk extra tijd. Er was discussie: “Moeten we dit nog jaren doen, dit weten we toch wel?”’

De maagmetingen gingen door: door de jaren heen blijkt de gemiddelde maagomvang omhoog te gaan. Als de voedselkwaliteit daalt, reageert de wadvogel daarop met het vergroten van zijn maag-darmstelsel. Uit berekeningen blijkt dat overleving van de kanoet afhangt van het vermogen om het maagdarmstelsel aan te passen.

Door ze te ringen en de jaren daarna terug te vangen, kunnen de marien biologen de overleving inschatten en dat combineren met de grootte van de maag. De vogels die niet terugkeerden hadden een kleinere maag dan de vogels die ze wel terugvonden. Veel kanoeten waren niet in staat hun spiermaag voldoende te vergroten, en dat leidde tot extra sterfte. Deze sterfte verklaart 60.000 van de 80.000 in West- Europa verdwenen overwinterende kanoeten.

Voor Piersma en collega‚s is de cirkel nu rond. Door het dreggen is kokkelkwaliteit zo sterk gedaald dat zelfs maagaanpassing de meeste wadvogels niet kan redden.

De toon is tamelijk hard voor een wetenschappelijke publicatie. Het artikel eindigt met een politiek statement over de jaren waarin kokkeldreggen was toegestaan in de door Habitat- en Vogelrichtlijn beschermde Waddenzee. ‘Deze studie concludeert dat de industriële vorm van commerciële exploitatie van beschermde mariene natuurgebieden in Nederland […] direct verantwoordelijk is voor het algehele populatieverlies van een volledig beschermde kustsoort. Dit artikel is een volgende in een groeiende reeks studies die de nutteloosheid benadrukken van het beschermd verklaren van een marien gebied als de soorten die erin leven ernstig worden aangetast door lopende maar gereguleerde menselijke activiteiten.’

Piersma: ’ PloS wilde dit graag. Ik heb eerder geleerd om dat soort uitspraken eruit te halen, maar de editor van PloS stelde het zelf voor. Maar ik sta er volledig achter.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 02 september 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.