Je leest:

‘Gelykheid, vryheid, broederschap’

‘Gelykheid, vryheid, broederschap’

Het gelijkheidsideaal in de Bataafse Revolutie

Auteur: | 8 april 2013

De 18e eeuw was de eeuw van de Verlichting: nieuwe ideeën over de vrijheid van het individu en de gelijkheid van alle burgers maakten opgang. In Nederland werden deze idealen opeens heel concreet toen in 1795 de Bataafse Revolutie uitbrak. In tegenstelling tot andere landen was in Nederland gelijkheid een groter ideaal dan vrijheid. De meeste politieke hervormingen van de late 18e eeuw waren geïnspireerd door het gelijkheidsideaal.

Nederland staat niet bekend om zijn revolutionaire verleden, maar in 1795 was het raak. In dit jaar brak de Bataafse Revolutie uit, in gang gezet door ontevreden Nederlandse burgers. Met hulp van een Frans leger verjoegen zij de zittende machthebbers – de stadhouder en de regenten – en richtten zij een nieuwe republiek op. Tijdens deze Bataafse Republiek (1795-1806) werd in Nederland voor het eerst een grondwet (de Staatsregeling van 1798) en een vertegenwoordigende democratie ingevoerd. Hiermee legde de Bataafse Revolutie de basis voor de ontwikkeling van de moderne Nederlandse politiek.

Strijd tussen patriotten en prinsgezinden bij de Kattenburgerbrug op 30 mei 1787 (Jonas Zeuner, circa 1787-1799).
Amsterdam Museum

Het startsein voor deze politieke hervormingen werd op 31 januari gegeven, toen het tijdelijke bestuur van het gewest Holland een verklaring van de rechten van de mens en van de burger afkondigde. Binnen een paar weken volgden de overige gewesten met hun eigen rechtenverklaringen, zodat overal in de nieuwe republiek was bepaald dat de Nederlandse samenleving was gestoeld op een aantal natuurlijke en onvervreemdbare rechten.

Het belangrijkste recht stond in het eerste artikel: “Alle mensen worden met gelijke rechten geboren en deze natuurlijke rechten kunnen hun niet ontnomen worden”. Daarmee werd in Nederland voor het eerst praktische navolging gegeven aan een idee dat gedurende de 18e eeuw, de eeuw van de Verlichting, steeds populairder was geworden. Dit idee, dat mensen gelijk zijn en op basis daarvan gelijk moeten worden behandeld, was volgens veel verlichte Europeanen in tegenspraak met de wijze waarop de vroegmoderne samenleving georganiseerd was. Dat was immers een standensamenleving waarin mensen juridisch en politiek gezien juist niet gelijk waren, maar waarin rechten en privileges afhingen van de groep of familie waar iemand toe behoorde.

Het belang van gelijkheid

Het welslagen van de Bataafse Revolutie werd in tal van steden gevierd. De afbeelding toont het stadhuis van Middelburg waar de burgerij zich verzamelde rond een vrijheidsboom.
Publieke domein

Aan die situatie moest volgens de revolutionairen een einde komen. De verschillende revoluties uit die periode, de Amerikaanse van 1776, de Franse van 1789 en de Bataafse van 1795, kenden dan ook allemaal rechtenverklaringen waarin de menselijke gelijkheid het onderliggende ideaal was. Dit ideaal doordesemde het spraakgebruik en de politieke debatten van de late 18e eeuw in Nederland. Het gelijkheidsbeginsel werd niet alleen in de verklaring van 1795 vastgelegd, maar ook in de verschillende grondwetsontwerpen en grondwetten uit deze periode.

‘Gelijkheid’ was rond 1800 zelfs een belangrijker woord dan het begrip dat voor en na die tijd het belangrijkst werd gevonden: ‘vrijheid’. De Nederlandse revolutionairen meenden echter dat vrijheid niet kon bestaan zonder gelijkheid, en plaatsten het woord dan ook voor de Nederlandse versie van de Franse slogan ‘liberté, egalité, fraternité’, te weten ‘gelykheid, vryheid, broederschap’. Het primaat van de gelijkheid kwam ook tot uitdrukking in de volgorde van de mensenrechten die in het tweede artikel van de rechtenverklaring werden opgesomd: ‘gelijkheid, vrijheid, veiligheid, eigendom en tegenstand aan onderdrukking’.

Gelijkheid mocht dan opeens het belangrijkste politieke ideaal zijn geworden – en een ideaal met vergaande consequenties – maar wat betekende dit ideaal in de praktijk? Wat hield ‘gelijk zijn’ in, en tot welke hoogte wilde men de politiek inrichten op basis van dit ook tegenwoordig (weer) zo invloedrijke ideaal? Hierover bestond veel onenigheid onder de revolutiegezinden die na 1795 een nieuw politiek bestel moesten ontwerpen, zeker met betrekking tot de toekenning van politieke rechten.

Van nature gelijk, ook in rechten

Dat mensen van nature gelijk zijn, was een idee dat sinds de late 17e eeuw steeds meer terrein won. Dit was te danken aan de Verlichting, de filosofische en culturele stroming die het autonome, kritische individu op een voetstuk plaatste. Volgens de meeste verlichtingsfilosofen waren alle mensen in principe redelijke wezens die zich konden ontwikkelen tot autonome individuen. Als alle mensen in de kern hetzelfde waren, dienden ze volgens deze filosofen op een gelijke wijze behandeld te worden.

Daarnaast waren denkers als Spinoza, Locke, Hume en Rousseau van mening dat individuen bepaalde natuurlijke rechten bezaten. Deze kwamen hen als vrij individu toe, en maakte het ze mogelijk om zich te ontwikkelen tot verlichte burgers. Menselijke gelijkheid met de daaraan gekoppelde gelijke rechten speelde een grote rol binnen het internationale intellectuele debat van de late 18e eeuw.

Pieter Paulus (1754-1796), een van de leidende democratische figuren en eerste president van de Nationale Vergadering. Portret uit 1795 door Charles Howard Hodges.
Rijksmuseum Amsterdam

Ook in de Nederlandse Republiek werd het thema aan de orde gesteld. Een pamflet van de Hollandse revolutionair Pieter Paulus, De Verhandeling over de vrage: in welken zin kunnen de menschen gezegd worden gelyk te zyn? En welke zyn de regten en pligten, die daaruit voordvloeien?, maakte grote indruk in de Republiek. Het pamflet verscheen voor het eerst in 1793 en was meteen een daverend succes: in korte tijd kende het verschillende herdrukken.

Paulus, die in 1795 een van de auteurs van de Hollandse rechtenverklaring werd, baseerde zich in zijn betoog dat alle mensen gelijk zijn en gelijke rechten hebben enerzijds op het internationale intellectuele debat, maar beargumenteerde de gelijkheid ook door te verwijzen naar de Bijbel en een grondbeginsel uit de christelijke leer: “Doe niet aan eenen anderen, het geen gy niet wilt dat U geschiede.”

Toen de revolutie in 1795 uitbrak, bestond er een brede consensus onder de hervormingsgezinden dat de menselijke gelijkheid de basis voor het nieuwe politieke bestel moest zijn. En over de toekenning van een aantal mensenrechten aan alle inwoners van Nederland bestond evenmin discussie. Veiligheid en bezit van eigendom dienden voor iedereen gewaarborgd te zijn, en iedereen was vrij om te doen wat hij of zij wilde zolang dit de rechten van een ander niet schond. De vrijheid van meningsuiting en drukpers gold voor alle inwoners, net als het recht om God op zijn of haar eigen wijze te dienen.

Deze godsdienstvrijheid werd in de Bataafse Republiek gekoppeld aan een scheiding tussen kerk en staat: alle (christelijke) geloofsovertuigingen waren aan elkaar gelijk, en dus mocht de ene kerk ook niet voorgetrokken worden boven de andere. Tot 1795 had de Gereformeerde Kerk een aantal privileges bezeten (zo werden de pensioenen voor haar dienaren uit de staatskas betaald), maar hier werd op grond van het gelijkheidsbeginsel een einde aan gemaakt.

Welke rechten voor wie?

Een ander gevolg van de godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en staat had te maken met politieke rechten. In de Republiek der Zeven Provinciën moest iemand van gereformeerden huize zijn om een publieke functie uit te kunnen oefenen. Na 1795 zou de politiek dus opengesteld moeten worden voor aanhangers van elk geloof. Voor niet-gereformeerde protestanten en voor katholieken bleek dit weinig problematisch: zij kregen vrijwel meteen na de revolutie actief en passief stemrecht en werden vrijwel overal tot publieke ambten toegelaten. Van de 126 leden van het eerste Nederlandse parlement dat in 1796 werd verkozen, de Nationale Vergadering, waren er vijfendertig katholiek en dertien niet-gereformeerd-protestants.

De Nationale Vergadering in Den Haag. Prent van Reinier Vinkeles en Daniël Vrijdag.
Atlas van Stolk, Rotterdam

De grenzen van de gelijkheid werden serieuzer getest toen in de loop van 1796 discussie ontstond over de vraag of ook joden volledig gelijk waren aan andere burgers. Het parlement had klachten ontvangen van joodse burgers die meldden dat zij op verschillende plaatsen niet mochten stemmen en niet tot verenigingen en publieke functies waren toegelaten. Zij vroegen de Vergadering zich onomwonden voor het burgerrecht voor joden uit te spreken.

In het debat dat volgde, stelden tegenstanders van dit recht dat joden weliswaar mensen waren en als zodanig gelijk aan andere Nederlanders, maar dat men joden niet kon zien als Nederlandse burgers. Zij moesten gezien worden als vreemdelingen, zoals de officiële status van joden in de oude Republiek was geweest, die niet alleen juridisch, maar ook cultureel gezien geen onderdeel uitmaakten van de ‘Nederlandsche Natie’. Joden hadden hun eigen gebruiken, regels en gewoonten en vormden, zo meenden deze politici, een ‘natie binnen de natie’. Daarom hadden zij ook geen recht om invloed uit te oefenen op het bestuur van de Bataafse Republiek.

Voorstanders van het joodse burgerrecht veegden deze argumenten van tafel door te stellen dat de Nederlandse joden al lange tijd inwoners van de Republiek waren en daarmee ook Nederlandse staatsburgers. Voor zover zij er andere opvattingen en gebruiken op na hielden, was dit irrelevant voor burgerlijke rechten, omdat (religieuze) opvattingen nu eenmaal geen grond waren om mensen hun rechten te ontzeggen.

De Burgerlijke Gelijkstelling uit 1796. Burgerlijke gelijkstelling is het begrip waarmee in 1796 de emancipatie van de joden werd aangeduid (het begrip emancipatie bestond nog niet).
Collectie Joods Historisch Museum, Amsterdam (collectie J. van Velzen)

Deze uitleg van het gelijkheidsbegrip bleek voldoende: op 2 september 1796 verklaarde de Nationale Vergadering dat ook joden alle burgerlijke rechten toekwamen. Later dat jaar werden bij de parlementsverkiezingen twee joden verkozen tot volksvertegenwoordigers – de eerste in Europa. Daarmee kwam er zeker geen einde aan de sociale achterstelling van joden en katholieken in Nederland, maar de juridische gelijkstelling maakte wel het begin van een emancipatieproces mogelijk.

Alleen stemrecht voor onafhankelijke burgers

Het gelijkheidsbeginsel werd echter zeker niet volledig doorgevoerd, vooral waar het de politieke rechten, en dan met name het actieve en passieve stemrecht betrof. De invoering van een vertegenwoordigende democratie na 1795 was nauw verbonden met het gelijkheidsbegrip. Als mensen gelijk waren, hadden ze immers ook allemaal het recht om mee te bepalen hoe ze bestuurd wilden worden en door wie. Met dit op gelijkheid gebaseerde democratische ideaal werd een indrukwekkend begin gemaakt. Na 1795 waren mannen ouder dan twintig jaar die geen staatssteun ontvingen, stemgerechtigd. Dat was ongeveer veertig procent van de volwassen bevolking, een gigantisch cijfer in vergelijking met de periode voor 1795, toen minder dan een procent van de bevolking directe invloed op de regeringssamenstelling uit kon oefenen. Na de val van de Bataafse Republiek duurde het nog tot ver in de 19e eeuw voordat dit percentage weer werd gehaald.

Maar veertig procent was en is geen honderd procent: kinderen, vrouwen en mensen die aanspraak moesten maken op staatssteun, hadden geen stemrecht. Hoewel het natuurlijk verschillende groepen waren, werden zij van het stemrecht uitgesloten op basis van hetzelfde argument. Een meerderheid van de politici meende dat alleen onafhankelijke burgers deel konden nemen aan de politiek, omdat men onafhankelijk van een ander politieke keuzes moest kunnen maken. Kinderen stonden onder het gezag van hun ouders, vrouwen onder het gezag van hun man en armen waren voor hun inkomen afhankelijk van kerk en staat, waarmee ze niet langer onafhankelijk waren, en dus niet ‘gelijk’ genoeg voor het stemrecht.

DBNL

Lang niet iedereen was het hiermee eens. Zo stelden voorstanders van het vrouwenstemrecht dat vrouwen, gelet op de gelijkheid van alle mensen, net als mannen het stemrecht verdienden. Vrouwen hadden, in tegenstelling tot wat velen beweerden, dezelfde capaciteiten als mannen, dezelfde verstandelijke vermogens, en dus hetzelfde recht om te besluiten door wie ze geregeerd wilden worden. Dat ‘bedeelden’, mensen die een uitkering ontvingen, werden uitgesloten, leidde eveneens tot debat. Radicale revolutionairen zoals de Leidse lakenfabrikant Pieter Vreede meenden dat bedeelden niet minder afhankelijk waren dan mensen die wel werk hadden en op die manier ook afhankelijk waren, maar dan van bijvoorbeeld hun baas of hun klanten. In een gelijke samenleving was iedereen nu eenmaal afhankelijk van iedereen, en kon men op basis van deze wederkerige afhankelijkheid bepaalde groepen niet van het stemrecht uitsluiten.

Ondanks deze tegenwerpingen bleef sociaaleconomische ongelijkheid een criterium om politieke ongelijkheid in stand te houden. Deze ongelijkheid werd tijdens de Bataafse Republiek niet veel kleiner. Na 1800 werd er weliswaar voor het eerst een progressief belastingstelsel worden ingevoerd, en in de grondwet van 1798 was bepaald dat de regering de werkgelegenheid moest stimuleren en het toezicht op de armenzorg op zich nam. Maar het verkleinen van de economische verschillen was geen hoofddoel van de Bataafse Revolutie geweest, al waren er politici te vinden die meenden dat juridische en politieke gelijkheid niet konden bestaan zonder deze vorm van gelijkheid. Het belangrijkste doel was geweest om ervoor te zorgen dat Nederlandse burgers op basis van hun natuurlijke gelijkheid dezelfde maatschappelijke rechten en plichten genoten.

Gelijk, tenzij…

Het gelijkheidsideaal was de drijvende kracht achter de politieke hervormingen van de Bataafse Republiek. Het was het belangrijkste argument om een oud politiek systeem bepaald door afkomst, standen en privileges te vervangen door een bestel waarin staatsburgers gelijk waren voor de wet en bepaalde natuurlijke rechten bezaten. Dit betekende echter niet dat iedereen in de praktijk evenveel rechten kreeg. Zeker politieke rechten werden niet aan alle burgers toegekend.

Ondanks het feit dat het gelijkheidsideaal deels strandde in de politieke praktijk, was het om twee redenen een breuk in de Nederlandse (politieke) geschiedenis: in de eerste plaats vanwege de invoering van het beginsel van gelijke rechten voor staatsburgers, en in de tweede plaats vanwege de omkering van de geldende norm. Voor 1795 was ongelijkheid de norm geweest. De rechtenverklaring en de grondwet maakten de natuurlijke gelijkheid echter voor het eerst tot absolute en vanzelfsprekende norm, zelfs al week men hier regelmatig vanaf. Op dat moment moest men zich gaan verantwoorden voor de opvatting dat mensen ongelijk zijn in plaats van andersom.

Mart Rutjes is docent nieuwe en nieuwste geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en docent politieke geschiedenis aan de Vrije Universiteit. Hij promoveerde in 2012 op Door gelijkheid gegrepen. Democratie, burgerschap en staat in Nederland 1795-1801. Een handelseditie hiervan verscheen bij uitgeverij Vantilt.

Meer informatie

  • Hunt, L., Inventing Human Rights. A History (W.W. Norton & Company 2007)
  • Oddens, J., Pioniers in schaduwbeeld. Het eerste parlement van Nederland 1796-1798 (Vantilt 2012)
  • Stuurman, S., De uitvinding van de mensheid. Korte wereldgeschiedenis van het denken over gelijkheid en cultuurverschil (Bert Bakker 2010)
Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 08 april 2013

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.