Je leest:

Geld niet langer graadmeter voor geluk

Geld niet langer graadmeter voor geluk

De kredietcrisis stelt het vertrouwen in het economisch fundament van de samenleving op de proef. Het heilig geloof in marktwerking en economische groei wankelt. Ook heeft de economische wetenschap gefaald bij het voorspellen van de crisis. Dat roept om een grotere rol voor de sociologie. Of toch niet? Emeritus hoogleraar economie Arnold Heertje ageert al jaren tegen de beperkte invulling van het begrip welvaart door economen. Toch concludeert hij: ‘Beleid mag nooit en te nimmer gebaseerd worden op zachte wetenschappen als sociologie en psychologie.’

Toen de alarmbellen in augustus vorig jaar begonnen te rinkelen op de Amerikaanse beursen leek er voor Nederland nog niet zoveel aan de hand. Nog geen half jaar later bleken de gevolgen van de kredietcrisis voor de Nederlandse burger toch zwaarder dan verwacht. Volgens doemdenkers staan we zelfs aan de rand van de afgrond. De economische malaise komt niet voor iedereen ongelegen. Emeritus hoogleraar economie van de Universiteit van Amsterdam Arnold Heertje ziet de kredietcrisis als ‘godsgeschenk’ en als ‘bouwsteen voor een betere wereld’. Het is tijd voor een heroriëntatie op het begrip welvaart. Sociologen kunnen daar een belangrijke bijdrage aan leveren, aldus socioloog Arie Glebbeek van de Rijksuniversiteit Groningen.

Medium
Is de kredietcrisis een ‘godsgeschenk’ en een ‘bouwsteen voor een betere wereld’? Tijd voor een heroriëntatie op het begrip welvaart. Foto:
Carla Schoo

Welvaart versus welzijn

Small
Arnold Heertje

Degenen die vrezen voor de staat van de Nederlandse welvaart richten zich in hun voorspellingen te veel op de negatieve gevolgen, zo stelt Heertje. ‘De kredietcrisis is alleen negatief wanneer men slechts de kwantificeerbare elementen van welvaart in de beschouwing meeneemt. Maar welvaart is meer dan het bruto nationaal product. Bij welvaart gaat het om subjectieve gevoelens die afhankelijk zijn van het omgaan met schaarse middelen. Natuur is vanuit dit inzicht niet alleen een productiefactor, maar ook een consumptiegoed dat de welvaart van nu en straks verhoogt.’ Door naast natuurschoon ook andere factoren zoals schone lucht en goed onderwijs mee te wegen, ziet de kredietcrisis er veel rooskleuriger uit, aldus Heertje. ‘In een teletekstbericht van vanochtend werd melding gemaakt van afnemende files als gevolg van de kredietcrisis. Files zijn een object van frustratie voor de burger en leiden dus tot een lagere welvaart. Naast een afname van de frustratie leidt de kredietcrisis op deze manier tot een beperking van de luchtvervuiling. In termen van welvaart profiteert de burger dus zowel direct als indirect van de kredietcrisis.’

De kern van Heertjes kritiek heeft dus betrekking op de te beperkte invulling van het begrip welvaart. Daarbij richt Heertje, onder andere in zijn boek Echte economie (2006), zijn pijlen op het Centraal Plan Bureau (zie kader). Heertje: ‘Het CPB maakt een grove fout door te denken dat we welvaart kunnen meten aan de hand van voorspellingen over economische groei. Welvaart is veel meer dan geld alleen. Het onderscheid dat in de volksmond vaak gemaakt wordt tussen welvaart en welzijn is een fictieve voor de wetenschap.’

Small
George Gelauff

George Gelauff, onderdirecteur van het CPB, ontkent een beperkte invulling van het begrip welvaart. ‘Welvaart is in de ogen van het CPB veel meer dan het nut dat consumenten aan marktgoederen ontlenen. Bij een welvaartsanalyse, bijvoorbeeld een die betrekking heeft op het verbreden van een weg, houdt het CPB standaard ook rekening met de kwalitatieve aspecten van welvaart die niet in geld worden uitgedrukt, zoals geluids- en stankoverlast en aantasting van landschap.’ Dat welvaart meer behelst dan geld, betekent volgens Gelauff alleen niet dat kwalitatieve aspecten van welvaart in elke analyse een rol spelen. ‘Wanneer het gaat om een analyse van afzonderlijke markten, zoals de telefoonmarkt, dan is een kwantitatieve berekening (de som van het consumentensurplus en producentensurplus) een verantwoorde operationalisering van welvaart. Consumenten fungeren in het economische leven nog in tal van andere rollen, maar dat betekent niet dat al die rollen moeten en kunnen worden meegenomen in de analyse van de werking van een specifieke markt.’

‘Mensen zijn geen machines’

Dat beide economen welvaart zien als een breed begrip dat ruimte biedt aan zowel kwantitatieve als kwalitatieve factoren maakt het debat tussen Heertje en Gelauff relevant voor sociologen. Dat vindt tenminste Arie Glebbeek van de Rijksuniversiteit Groningen, die zich als arbeidssocioloog regelmatig in het grijze gebied tussen economie en sociologie begeeft. ‘Niet alleen de economie, maar juist ook de sociologie behoort een welvaartswetenschap te zijn. Vaak worden deze twee wetenschappen tegen over elkaar gezet, terwijl ze elkaar juist aanvullen.’ Welvaart is van belang voor de economie, omdat zij de efficiëntie van de totstandkoming van welvaart in markten bestudeert. Glebbeek benadrukt echter dat sociale welvaart die men verkrijgt uit sociale relaties en interacties tussen mensen voornamelijk buiten deze markten om wordt gerealiseerd. Aan de socioloog de taak om ook deze vorm van sociale welvaart zichtbaar te maken.

Small
Arie Glebbeek

Hoewel sociologen en economen elk in een ander domein van de maatschappij opereren staan zij niet los van elkaar, evenmin als sociale welvaart los staat van de markt. Het is namelijk niet alleen de wetenschapper die geld soms verwisselt voor geluk. Glebbeek: ‘Mensen zijn geen machines. Zij bezitten niet alle kennis om de beste keuze te maken. Doordat mensen bij het maken van keuzes te maken hebben met een grote hoeveelheid onzekerheid zullen zij sneller gaan voor de keuze die met het minste risico gepaard gaat.’ Volgens Glebbeek is het dan aan sociologen om zichtbaar te maken in hoeverre deze keuze leidt tot een hoger welvaartsniveau. Het is een misvatting dat menselijke preferenties ook automatisch overeenkomen met menselijke behoeftes in termen van welvaart. Glebbeek: ‘Mensen maken vaak een verkeerde inschatting van de gevolgen van hun gedrag. Zo is het bekend dat mensen eerder kiezen voor behoeftebevrediging op de korte termijn, ook als dit nadelige gevolgen heeft voor hun welvaart op de lange termijn. Denk bijvoorbeeld aan rokers, die wanneer zij ziek worden, zouden willen dat zij nooit gerookt hadden.’ Ook Amerikanen die met torenhoge schulden door dubieuze hypotheken het schip zijn ingegaan zullen zich bij het horen van deze sociologische inzichten nog eens achter de oren krabben. Beleidsmakers kunnen met behulp van deze sociologische kennis de obstakels die het maken van een bewuste keuze belemmeren, zoals onzekerheid, proberen weg te nemen, aldus Glebbeek.

Glebbeek snijdt in zijn betoog een fundamenteel verschil tussen veel sociologen en economen aan in de benadering van menselijk gedrag. Waar de meeste sociologen stellen dat de behoeftes van de burger niet direct naar voren komen in hun preferenties als consument, gaan de meeste economen hier blind vanuit. Dit uitgangspunt in de economie maakt het misschien makkelijker om voorspellende modellen van menselijk gedrag te ontwerpen, maar het niet kunnen zien aankomen van de kredietcrisis zet wel grote vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de huidige economische instrumenten.

Large

Harde versus zachte wetenschap

Glebbeeks voorstel om sociologische kennis in te zetten bij het maken van economisch beleid, wordt niet gedeeld door Arnold Heertje, die stelt dat de economie de enige wetenschap is waar beleidsimplementaties op gebaseerd mogen worden. Heertje: ‘Beleid, in welke vorm dan ook, mag nooit en te nimmer gebaseerd worden op zachte wetenschappen als sociologie en psychologie.’ Volgens Heertje kan een goede interventie alleen gebaseerd worden op een wetenschappelijke analyse die uitgaat van feitelijk gedrag en niet op een analyse van emoties of een subjectief mensbeeld. Heertje stelt dat de economie slechts in staat is om een theoretisch ideaalbeeld te schetsen van een optimale verdeling van goederen. Vervolgens kan de feitelijke situatie met deze ‘ideale’ situatie worden vergeleken. De politiek kan dan, wanneer gewenst, beleid implementeren dat leidt tot een situatie die dichterbij de theoretisch optimale situatie ligt. Doordat volgens Heertje de taak van de wetenschap beperkt blijft tot het schetsen van een ideaalbeeld, is de vraag ‘hoe de mens zich gedraagt’ irrelevant. ‘De mens handelt zoals hij handelt. Voor de wetenschap is dit handelen onderwerp van onderzoek, voor zover het is gericht op de subjectieve behoeftebevrediging onder invloed van het eeuwige tekort aan middelen. De economische wetenschap is niet bij machte rationeel van irrationeel gedrag te onderscheiden.’ Onder de regie van Heertje verdwijnen zowel de homo economicus als de homo sociologicus dus van het wetenschappelijke toneel.

In tegenstelling tot Heertje ziet Gelauff wel dat er binnen de economie behoefte is aan meer sociaal-wetenschappelijke invloeden. Hij vraagt zich echter af of de sociale wetenschap zich al voldoende heeft ontwikkeld om dit ook goed te kunnen doen. De door Glebbeek genoemde preferentieproblemen blijken vaak lastig te implementeren in economische welvaartsanalyses. Gelauff: ‘Gedrag sluit niet altijd aan bij de uitgangspunten van de welvaartstheorie. Mensen kiezen bijvoorbeeld inconsistent tussen meerdere alternatieven of vertonen reciproque gedrag dat tegen hun eigenbelang ingaat.’ Hij vervolgt: ‘Het CPB houdt ontwikkelingen in de sociale wetenschap echter nauwkeurig in de gaten. Daar waar het mogelijk is experimenteren wij zelfs al met nieuwe methoden gebaseerd op invloeden vanuit de sociale wetenschap.’

Medium
Kiest de mens wel zo rationeel als sommige wetenschappers denken?
Andrei Z

Kansen en valkuilen van de kredietcrisis

Terug naar de kredietcrisis. Want wat staat de Nederlandse burger allemaal te wachten? Volgens Heertje herbergt de kredietcrisis een keerpunt van uitsluitend kwantitatieve groei naar een kwalitatieve, economische ontwikkeling, waarin de zorg voor het nageslacht centraal staat. ‘Deze ontwikkeling kenmerkt zich door een grotere aandacht voor duurzaamheid, leefbaarheid en cultuur.’ Heertje staaft zijn uitspraken door te wijzen op de groter wordende actiegroepen die strijden voor natuurbehoud, het verzet tegen het calculerende regime in de zorg en de groeiende populariteit van elektrische auto’s in de Verenigde Staten. ‘De mensen beginnen weer te begrijpen waar het allemaal om draait. Zeker kan ik het natuurlijk niet weten. Uiteindelijk moet de toekomst uitwijzen of de kredietcrisis ook daadwerkelijk het begin van het einde is. Het einde van de welvaartscrisis.’

Het Centraal Plan Bureau Het Centraal Plan Bureau (CPB) werd kort na de Tweede Wereldoorlog opgericht om de overheid te voorzien van wetenschappelijk gefundeerde economische adviezen. De crisis in de jaren dertig had geleerd dat ook in een markteconomie een actief economisch overheidsbeleid noodzakelijk is. De latere Nobelprijswinnaar voor de Economie Jan Tinbergen, en tevens de eerste directeur van het CPB, werd verzocht een plan op te stellen voor de oprichting van het CPB. De taak van het CPB is om de politiek te voorzien van economische adviezen die bijdragen aan de welvaart. Niet alleen door de kritiek van Heertje over de beperkte opvatting van dit begrip welvaart, maar ook door uitspraken van minister van Financiën Wouter Bos kwam het CPB de laatste tijd onder vuur te liggen. Bos pleitte voor het relativeren van het belang dat werd gehecht aan economische modellen, omdat deze modellen te weinig rekening houden met niet kwantificeerbare aspecten van welvaart, zoals onderwijs, broeikasgassen en gettovorming in steden (de Volkskrant, 2 oktober 2007).

Hoewel Gelauff het eens is met de positieve effecten die Heertje noemt, verwijst hij ook naar de welvaartskosten als keerzijde van de kredietcrisis. ‘Een aantal, vooral arme, Amerikanen wordt hun huis uit gezet, mensen zijn soms een flink deel van hun vermogen kwijt geraakt, anderen verliezen hun baan of vrezen dat ze komend jaar op straat komen te staan. Denk ook aan de belemmeringen voor de kredietverlening, de mogelijke kosten van steunmaatregelen door de overheid voor de belasting betalende burger en de onzekerheid over het financiële systeem dat in zijn voegen kraakt.’

Belangrijker is echter de vraag of de positieve gevolgen beklijven. Gelauff: ‘Gaan we niet allemaal weer even veel en even hard rijden als voorheen, wanneer de crisis voorbij is? Een blijvend voordeel zou kunnen optreden als er een mentaliteitsverandering plaats vindt, waardoor mensen blijvend groter belang aan het milieu en duurzaamheid hechten en ook bereid zijn hiervoor een prijs te betalen.’

Glebbeek ziet de toekomst vooral somber in. Dit is vooral te wijten aan de eerder genoemde preferentieproblemen die in tijden van crisis wellicht nog sterker naar voren komen. Want geeft Jan Modaal, alle welvaartsoverwegingen ten spijt, in deze tijden van crisis niet de prioriteit aan 100 euro per maand extra op zijn loon in plaats van het behoud van natuur? Glebbeek: ‘Deze crisis zou een ideaal moment zijn om het wat rustiger aan te doen. Dit betekent niet dat dit ook gebeurt. De menselijke behoefte aan inkrimping van de economische groei strookt helaas niet met de prikkel die een crisis geeft voor een versterkte vraag naar groei. Een vergelijkbare situatie deed zich voor bij de economische crisis in de jaren tachtig. In de jaren hiervoor was er veel aandacht gekomen voor natuur, milieu en vrije tijd, maar deze crisis zorgde ervoor dat de prioriteit toch weer bij geld kwam te liggen. Van alle goede voornemens kwam vervolgens niets terecht.’

Dit artikel verscheen in Sociologie Magazine 2/2009.

Lees verder:

Dit artikel is een publicatie van Sociologie Magazine.
© Sociologie Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 03 augustus 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE