Je leest:

Gekleurde wijk belemmert integratie

Gekleurde wijk belemmert integratie

Auteur: | 26 maart 2010

Niet-westerse allochtonen die in een zwarte wijk wonen, hebben minder contact met autochtone Nederlanders én met andere etnische groepen. Gekleurde wijken zijn dus een belemmering voor de integratie van allochtonen. Toch is de kleur van je wijk niet de belangrijkste factor: beheersing van het Nederlands, een goede opleiding en in Nederland zijn opgegroeid, hebben een grotere invloed op interetnisch contact.

Dit blijkt uit het onderzoek ‘Maakt de buurt verschil?’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat deze week werd gepubliceerd. Het SCP onderzocht of de wijk waarin je woont, verklaart met wie je omgaat en hoe je over andere etnische groepen denkt. Dit deed ze in opdracht van de overheid. Onze integratieminister wilde weten hoe problematisch zwarte wijken nou eigenlijk zijn.

Want hoewel het wel duidelijk is dat de problemen in buurten als Slotervaart (Amsterdam) en Kanaleneiland (Utrecht) groot zijn, hoeft dit niet per se te komen doordat het zwarte wijken zijn, waar veel Marokkanen en Turken samen op een kluitje wonen. De problemen (werkloosheid, criminaliteit, onvrede, politiek wantrouwen, radicalisering) kunnen namelijk ook worden verklaard doordat het hier vooral gaat om mensen (van welke kleur dan ook) met een lage sociaal-economische positie, of door bijvoorbeeld religie.

Zwarte wijken: een probleem?

Over de gevolgen van zwarte en gemengde wijken – of, met een ander woord, etnische concentratie – wordt binnen de sociale wetenschappen druk geruzied. Volgens sommige wetenschappers, waaronder Robert Putnam, een van werelds beroemdste politicologen, zijn wijken waar mensen met verschillende etnische achtergronden samenleven, min of meer funest voor het vertrouwen van deze bewoners in elkaar, de buren en de samenleving. Mensen zouden zich, omdat ze zich niet thuis voelen in hun wijk, terugtrekken in hun schulp. Ze zouden zelfs minder contact hebben binnen de eigen etnische groep.

Putnams onderzoek deed veel stof opwaaien. Er is namelijk ook bewijs voor het tegenovergestelde: door menging komen mensen in contact met elkaar. En wie elkaar kent, gaat elkaar meer vertrouwen. Voor een succesvol integratiebeleid is het volgens deze stroming dus belangrijk dat mensen in gemengde zwart-witte wijken wonen.

Minder contact

Wat zegt het onderzoek van het SCP nu over de gevolgen van zwarte wijken? Het rapport bevestigt inderdaad dat mensen in zwarte wijken minder contact met andere etnische groepen hebben, en dat dit door de samenstelling van de buurt komt. Turken in een zwarte wijk hebben niet alleen minder contact met autochtone Nederlanders, maar ook met andere migranten. Hoe hoger de etnische concentratie in de buurt, hoe minder contact met autochtone Nederlanders.

De onderzoekers vonden dat Turken in Nederland de meest op zichzelf gerichte groep zijn. Ruim eenderde gaat in zijn vrije tijd nooit om met autochtone Nederlanders, ze hebben het minste contact met autochtonen op het werk en het vaakst een beste vriend of vriendin met dezelfde komaf. Daarnaast zeggen Turken het vaakst dat er in Nederland teveel migranten wonen (58%); daarmee zijn Turken negatiever over de multiculturele samenleving dan autochtone Nederlanders, waarvan 44% vindt dat er teveel migranten in ons land zijn.

Maar, in tegenstelling tot Putnam, vonden de SCP-onderzoekers geen sterk bewijs voor Putnams stelling dat mensen in zwarte wijken ook veel negatiever over andere migranten en autochtone Nederlanders denken en dat dat komt doordat ze in een zwarte of gemengde wijk wonen. De samenstelling van een buurt heeft veel minder invloed op de manier waarop mensen over elkaar en de Nederlandse samenleving denken, dan op het werkelijke interetnische contact. De kleur van de wijk blijkt de beelden die we van elkaar hebben nauwelijks (direct) te beïnvloeden.

Daarnaast ontdekten de onderzoekers dat autochtone Nederlanders die in een gemengde wijk wonen, wél meer contact met allochtone Nederlanders hebben. De kaaskoppen in zulke wijken trekken zich dus niet, zoals Putnam stelt, per se in hun schulp terug.

Hier zie je duidelijk dat contact met autochtonen in de vrije tijd afneemt naarmate allochtonen in een zwartere wijk wonen. Eenzelfde beeld zie je bij andere soorten van sociaal contact, bijvoorbeeld tijdens het werk.

Onderwijsniveau, taalbeheersing en generatie veel meer invloed

Hoewel de kleur van de buurt dus invloed heeft op interetnisch contact van allochtonen, stelt het SCP ook dat individuele factoren een nóg grotere invloed hebben. Dan gaat het vooral om het opleidingsniveau, hoe goed iemand Nederlands spreekt en of iemand van de tweede of zelfs derde generatie is. Deze drie factoren bepalen eigenlijk veel meer of iemand veel contact heeft met autochtone Nederlanders. Anders gezegd: een laagopgeleide, slecht Nederlands sprekende eerstegeneratiemigrant in een spierwitte wijk zal toch nog minder contact hebben met autochtonen dan een Marokkaanse rechtenstudente uit Slotervaart. Daarom adviseert het SCP de minister om niet alleen in te zetten op menging van wijken, maar ook op (talen)onderwijs in zwarte en gemengde wijken.

Het rapport ‘Maakt de buurt verschil?’ werd geschreven door Mérove Gijsberts, Miranda Vervoort, Esther Havekes en Jaco Dagevos en is hier gratis te downloaden.

Lees ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 maart 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.