Je leest:

Geen kind zonder vader?

Geen kind zonder vader?

Auteur: | 20 december 2002

Er moet een wonder gebeuren voordat een maagd zal bevallen. Een kind is altijd een fusieproduct van een mannelijke en een vrouwelijke cel. Bij mensen tenminste. Maagdelijke voortplanting bestaat bij sommige diersoorten wel degelijk. Waarom doen wij er niet aan mee?

Verspreid over het dierenrijk zijn er aardig wat soorten waarvan de vrouwtjes nageslacht kunnen produceren zonder dat er een mannetje nodig is. Ze zijn te vinden onder mijten, sprinkhanen, bladluizen, vlinders, vliegen, sluipwespen, pissebedden, watervlooien, platwormen, aaltjes en regenwormen. Maar ook onder dieren die veel nauwer aan ons verwant zijn: sommige vissen, salamanders, kikkers, hagedissen en gekko’s.

Moeders en dochters

“Meestal is het een eigenschap die erfelijk vastligt; er zijn dan alleen moeders en dochters,” zegt prof. dr. Leo Beukeboom, hoogleraar evolutionaire genetica in Groningen. “Maar er zijn ook andere vormen van maagdelijke voortplanting. Sluipwespvrouwtjes kunnen bijvoorbeeld een bacteriële infectie hebben die ervoor zorgt dat ze zonder bevruchting dochters krijgen. En er is een vis die gewoon paart – met een mannetje van een nauw verwante soort – en waarbij sperma de eicellen moet binnendringen, willen die tot ontwikkeling komen. Maar het erfelijk materiaal van het mannetje wordt vervolgens vernietigd.” Zo’n vis gebruikt dus wel de diensten van een mannetje, maar de jongen hebben genetisch gezien alleen een moeder. En juist dat laatste lijkt ongeslachtelijke voortplanting aantrekkelijk te maken. Een vrouwtje dat aan seks doet, stopt in elk van haar nakomelingen maar de helft van haar genen, een van de twee sets die ze heeft; de partner voegt daar zijn aandeel aan toe. Plant een vrouwtje zich maagdelijk voort, dan geeft ze dubbel zoveel genen door: aan elk kind twee sets.

Seks is de norm

Toch is een partner evolutionair gezien kennelijk erg belangrijk. Seksuele voortplanting is de norm; dieren die zich aseksueel voortplanten vormen een heel kleine minderheid. Bovendien is seks haast zo oud als het leven zelf. Biologen zijn er nog niet voor honderd procent uit wat het grote voordeel ervan is, maar het moet te maken hebben met het mixen van erfelijke eigenschappen dat met geslachtelijke voortplanting gepaard gaat.

“Maagdelijke voortplanting komt in verhouding veel voor bij hybride soorten, dus soorten die ontstaan zijn uit een kruising tussen verschillende soorten,” vertelt Beukeboom. “We denken dat normaal gesproken een samenspel van verschillende genen verhindert dat vrouwtjes zich op eigen houtje vermenigvuldigen. In een hybride soort komen vreemde genen bijeen en dat kan het samenspel verstoren, waardoor maagdelijke voortplanting soms toch de kop kan opsteken.”

Ouders in conflict

Bij mensen is in ieder geval één mechanisme bekend dat maagdelijke geboortes stevig in de weg staat, en wel de genetische inprenting. Daarmee vechten de ouders een biologisch conflict uit. Wat de vader betreft moet een kind zo veel en zo lang mogelijk van zijn moeder profiteren. In zaadcellen zijn daarom de genen uitgeschakeld die ervoor zorgen dat een kleintje hard groeit en zich snel ontwikkelt. Voor de moeder telt de eigen gezondheid ook: zij stelt paal en perk aan wat het kind krijgt. In eicellen zijn daarom de genen uitgeschakeld die de groei van de placenta bevorderen. Die inprentingen zijn tijdelijk en verdwijnen voordat de afstammeling volwassen is.

“Onderzoekers hebben kunstmatig muizenembryo’s gemaakt met twee moederlijke sets genen,” zegt Beukeboom. “Die embryo’s groeien na inplanting niet, omdat zich vrijwel geen placenta ontwikkelt. Bij muizenembryo’s met twee vaderlijke sets genen ontstaat een normale placenta, maar de embryo’s blijven klein en onderontwikkeld.”

Als bijeffect van het conflict is maagdelijke voortplanting dus uitgesloten. Dit geldt voor alle zoogdieren en alle vogels. Er is hooguit een technische uitweg: klonen. Voor het klonen van bijvoorbeeld het schaap Dolly is erfelijk materiaal uit een uiercel gebruikt, met twee ‘moederlijke’ sets genen. Beukeboom: “Kennelijk omzeil je daarmee de inprenting, die bij volwassen dieren verdwenen is. Maar volgens mij is dit niet wat we in de toekomst zullen willen.”

Dit artikel is een publicatie van Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).
© Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 20 december 2002
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.