Je leest:

Geen duurzame ontwikkeling zonder duurzame handel

Geen duurzame ontwikkeling zonder duurzame handel

Auteur: | 16 juni 2016

Waar ontwikkelingssamenwerking vroeger vaak eenrichtingsverkeer was van westerse donoren naar lokale bevolking in Azië, Afrika of Zuid-Amerika, verandert het nu steeds meer in echte samenwerking. “Westerse bedrijven zijn zelf ook gebaat bij duurzame ontwikkeling van deze economieën”, zegt dr. Lucian Peppelenbos, directeur Opleiding en Innovatie bij het Initiatief Duurzame Handel in Utrecht.

Van al het landbouwareaal in de wereld wordt meer dan 30 miljoen hectare, een slordige vijf procent, gebruikt voor de teelt van katoen. Het is daarmee niet alleen een van de grootverbruikers van landbouwgrond, het is ook nog eens een grootverbruiker van water. Voor de productie van één kilo zogenoemd katoenlint is meer dan tienduizend liter water nodig. Bovendien worden er in de gangbare katoenteelt bovengemiddeld veel insecticiden gebruikt. Wanneer er voor katoen dus een substantiële verduurzaming van de teelt kan worden doorgevoerd, dan maakt dat een flinke spreekwoordelijke deuk in een pak boter.

Binnen die gigantische markt voor katoen is IKEA met een jaarlijkse afname van tweehonderdduizend ton een van de grootste spelers. Dat het Zweedse woonwarenhuis zich met vijftig andere grote bedrijven heeft verbonden aan het Better Cotton Initiative betekent dus nogal wat. “Maar zo’n initiatief alléén maakt nog niet veel uit. Het gaat om daadwerkelijke verandering in het veld”, stelt dr. Lucian Peppelenbos. Hij is directeur Opleiding en Innovatie bij het Initiatief Duurzame Handel, een groep die zeven jaar geleden werd opgericht door toenmalig minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Bert Koenders (zie het kader). “Enkele jaren terug hebben we de koplopers binnen dat Better Cotton Initiative bijeen geroepen. We hebben ze toen letterlijk gezegd: dit is een prachtig initiatief, maar laten we nou eens echt een verschil maken. Laten we volume creëren bij de katoenboeren zélf, zodat we daadwerkelijk de hele keten gaan verduurzamen.”

Onder druk van westerse consumenten is biologische teelt van katoen van de grond gekomen.
Imageselect, Biowetenschappen en maatschappij

Die stap was minder voor de hand liggend dan het lijkt, stelt Peppelenbos. “IKEA koopt geen katoen, maar handdoeken en dekbedovertrekken. En Nike koopt ook geen katoen, maar sweatshirts. Tussen de katoenboeren en de grote afnemers zitten dus nog de nodige andere partijen. Wij hebben er voor geijverd dat de eindgebruikers de regie op zich nemen om die hele keten te verduurzamen, en niet alleen maar te roepen dat je vindt dat er een goede standaard voor duurzame katoen zou moeten komen.”

Bewaken van imago

De ‘ketenbenadering’ die Peppelenbos beschrijft voor de duurzame productie van, en handel in katoen, is in het bedrijfsleven al veel langer gemeengoed. In de ontwikkelingssamenwerking is hij nog relatief nieuw. Toch is het een logische stap, stelt Peppelenbos. “De grote, meestal westerse bedrijven zijn per definitie verbonden met de kleine boeren in ontwikkelingslanden die een aanzienlijk deel van de producten voor hen maken. Er is dus ook een gemeenschappelijk belang. Boeren willen duurzame afzet, bedrijven hebben belang bij het veiligstellen van hun aanvoer van katoen, cacao, thee en andere grondstoffen op een roerig geopolitiek toneel. Bovendien leven dat soort grote bedrijven in een glazen huis. Ze hebben een reputatie te verliezen. Dat laatste belang komt grotendeels overeen met publieke doelen als natuurbehoud, armoedebestrijding en milieubescherming.”

Initiatief Duurzame Handel

Het Initiatief Duurzame Handel is in 2007 ontstaan op het voormalige eiland Schokland, in de Noordoostpolder. Daar tekende onder ander de toenmalige minister voor ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders ‘Het Schoklandakkoord’, een voornemen om onze achterstand op acht zogeheten millenniumdoelen in te lopen. Het achtste millenniumdoel van de VN luidde ooit dat er in 2015 meer eerlijke handel, schuldenverlichting en hulp zou moeten zijn. Het Initiatief Duurzame Handel, dat toen met een startkapitaal van 5 miljoen euro op de been werd gebracht, is inmiddels een organisatie met 80 werknemers. Het wordt niet langer alleen door de Nederlandse overheid gefinancierd, maar krijgt ook steun uit Denemarken, Zwitserland en sinds kort ook uit Noorwegen. Met dat geld ondersteunt IDH verschillende samenwerkingsverbanden van bedrijven, boeren en alle schakels tussen die twee partijen. De belangrijkste productieketens waarbinnen IDH actief is, zijn cacao, koffie, hout, thee, soja, plamolie, katoen, visteelt, elektronica en versproducten.

Westerse bedrijven worden niet graag geassocieerd met misstanden, zoals het drama met het naaiatelier in Bangladesh, in 2013.
Corbis, Biowetenschappen en maatschappij

Rationele benadering

Met hun ketenbenadering wil het Initiatief Duurzame Handel zich nadrukkelijk niet afzetten tegen het ‘oude model’ van ontwikkelingssamenwerking, die over het algemeen een eenrichtingsverkeer genereerde van westerse donoren naar ontvangers in de ontwikkelingslanden, met alle wederzijdse frustraties die daarbij hoorden. “Dat model heeft absoluut ook zijn waarde gehad. Sterker nog, in het werken volgens de nieuwe modellen maken we vaak en dankbaar gebruik van de ervaring van de organisaties uit de meer traditionele ontwikkelingssamenwerking. Die NGO’s hebben een enorm netwerk en ook veel kennis over bijvoorbeeld het trainen van boeren. Dankzij die aanpak heeft de ontwikkelingssamenwerking nu een schaalgrootte die we op de traditionele manier nooit hadden kunnen bereiken.”

Peppelenbos verzet zich dan ook tegen het beeld dat ontwikkelingshulp tegenwoordig alleen nog maar wordt gedreven door eigenbelang van grote bedrijven. “Ons professionele vraagstuk is hoe we publiek geld zodanig slim kunnen inzetten, dat het de kracht en het investeringsvermogen van de markt op een goede manier kan versterken. Met de publieke middelen willen we dus slimme sturing geven aan de marktkrachten.”

‘Alles van waarde is weerloos’

Om de productie van katoen daadwerkelijk te verduurzamen, is door de verschillende partners in de keten van het Better Cotton Initiative een trainingsprogramma opgezet om niet minder dan anderhalf miljoen boeren in afgelegen gebieden in bijvoorbeeld India, Pakistan en Mozambique te trainen.

“In eerste instantie kostte die training ons honderddertig euro per ton geproduceerde katoen. Mede door de schaalgrootte van het programma, maar zeker ook door de invloed van de markt – IKEA wil per slot van rekening nog steeds goedkope handdoeken op het schap leggen – kost het trainingsprogramma ons nu nog maar vier euro per ton. Dan heb je het dus over training op het gebied van waterbesparing, bodemvruchtbaarheid, of effectief pesticidengebruik via ‘geïntegreerd pestmanagement’. Daarbij leren boeren bijvoorbeeld om alleen pesticiden te gebruiken wanneer er daadwerkelijk een probleem is, in plaats van preventief met synthetische middelen te werken. En wanneer er dan ingegrepen moet worden bij een plaag, dan wordt eerst gekeken naar een ecologische aanpak, of naar biologische middelen, voordat er uiteindelijk eventueel naar klassieke bestrijdingsmiddelen wordt gegrepen”, aldus Peppelenbosch

Behalve training op het gebied van teelt en milieu, omvat het Better Cotton Initiative ook training op het gebied van sociale vraagstukken als arbeidsrecht en genderproblematiek. Peppelenbos: “Voor de anderhalf miljoen boeren die nu in het trainingsprogramma meedoen kunnen we inmiddels heel concrete resultaten laten zien. Het watergebruik gaat met meer dan 20% omlaag, het pesticidengebruik daalt met meer dan 60%, de sociale omstandigheden verbeteren aantoonbaar en aan het eind van de streep verbetert ook de winstgevendheid van de boer.”

Het imago van een bedrijf is vaak meer waard dan alle ‘hardware’ samen.
iStockphoto, Biowetenschappen en maatschappij

“De opbrengst voor de betrokken multinationals begrijp je als je naar de balans van de grootse multinationals uit de Amerikaanse beursindex ‘Standard and Poor’s 500’ kijkt. Dan heb je het dus over bedrijven van het kaliber Nike en IKEA. Waar in de jaren zeventig, tachtig procent van de waarde van die bedrijven werd bepaald door de gebouwen, machines, voorraden en andere tastbare zaken, zit tegenwoordig tachtig procent van die waarde in wat wij in ons jargon de intangibles noemen. Dat zijn de ontastbare waarden als intellectueel eigendom, merk en imago; kortom, ‘hun goede naam’. En bij dergelijke ontastbare waarden geldt het aloude spreekwoord: goede reputatie komt te voet en gaat te paard. Die bedrijven hebben dus een belangrijke drive om risico’s op dat gebied te mijden.”

Multinationals betalen jaarlijks vele miljarden om hun kapitaal te verzekeren, weet Peppelenbos. “Wanneer dat kapitaal voor een groot deel uit ontastbare waarden als duurzaamheid en imago bestaat, kan een bedrijf dus vrij makkelijk een paar promille op de verzekeringspremies besparen door te werken aan concrete verduurzaming van de productieketen. Daarmee komen er jaarlijks vele miljoenen beschikbaar voor ontwikkelingshulp! Dat relatief kleine bedrag verdienen de bedrijven vrij makkelijk weer terug. Een consument kan kiezen voor een shirtje van een euro bij een prijsstunter, of voor een aantoonbaar duurzaam shirt van een bedrijf dat zich heeft aangesloten bij het Better Cotton Initiative. Dat duurzame label is dus nadrukkelijk een van die ontastbare waarden van een bedrijf en haar producten.”

Betrokkenheid

Peppelenbos noemt deze benadering van duurzame handel nadrukkelijk zakelijk, en pas in latere instantie misschien idealistisch. “We hebben het hier over de winstgevendheid van zowel de boeren als de uiteindelijke afnemers van hun producten. We zeggen ook niet: vanaf nu moeten alle boeren biologisch gaan werken omdat de idealistische westerse consument dat vraagt. We helpen wel bij het drastisch reduceren van het pesticidengebruik omdat geïntegreerd pestmanagement op de lange termijn een veel goedkopere, rationele aanpak is.”

“Je hoeft als directeur van een groot bedrijf natuurlijk ook geen idealist te zijn om je te realiseren dat het op de lange duur niet te verkopen is dat de teelt van katoen gekoppeld is aan een gigantisch gebruik van schadelijke bestrijdingsmiddelen. Of dat de verbouw van cacao verbonden is met slechte arbeidsomstandigheden, of zelfs met slavernij. Door de ketenbenadering vergoot je ook de betrokkenheid van de CEO’s van de grote bedrijven bij de sociale en milieukundige duurzaamheid van de producten.”

Volgens Peppelenbos heeft bijvoorbeeld de fastfoodgigant McDonalds te lang de kop in het zand gestoken. “Zij hebben lang gedacht dat zij problemen als ontbossing in Zuid-Amerika ten behoeve van de rundveeteelt voor hun hamburgers, of de problemen met obesitas onder hun klanten konden negeren. Je zou het misschien niet zeggen, omdat McDonalds nu nog steeds een gigantisch bedrijf is, maar ondertussen hebben ze wel een fiks marktaandeel verloren doordat ze pas laat aandacht kregen voor de impact van hun producten op milieu en volksgezondheid. Zo’n late betrokkenheid kunnen de kleinere bedrijven uit bijvoorbeeld de chocolade-industrie zich helemaal niet veroorloven. Wanneer relatief piepkleine bedrijven als De Groene Sint, Tony’s Chocolonely, of een keten als Max Havelaar de aandacht vestigen op de erbarmelijke omstandigheden in cacaoteelt, dan doet dat door de hele keten pijn, ook bij de grotere spelers als Nestlé en Mars!”

McDonalds heeft te lang de ogen gesloten voor de problemen die achter hun producten schuil gingen.
Corbis, Biowetenschappen en maatschappij

Een label als Fair Trade, Max Havelaar of UTZ is zeker niet zaligmakend, waarschuwt Peppelenbos. “Het is vooral een kwestie van een halfvol of een halfleeg glas. Dat er op de bananen van Chiquita nu zo’n logo van een groen kikkertje zit, zegt niet dat die teelt nu ineens helemaal schoon is. Net als katoen, is de bananenteelt traditioneel een grootverbruiker van gif. Maar met dat kikkertje is relatief geruisloos wel een grote stap in de goede richting gezet.”

Ontbossing, armoede en belasting

Ondanks de resultaten die het Initiatief voor Duurzame Handel in de afgelopen zeven jaar heeft bereikt, erkent Peppelenbos dat de successen van de ketenbenadering vooralsnog bescheiden zijn op wereldschaal. “Het percentage van de boeren in ontwikkelingslanden die daadwerkelijk in een goed georganiseerde exportketen opereren is misschien maar twee of drie procent. Daarvan zit de meerderheid ook nog eens niet in een coöperatie, dus is er geen direct contact met de bedrijven verderop in de keten. We werken dus echt met een heel klein topje op de piramide van boeren en bedrijven.”

In de cacaoteelt komt nog veel kinderarbeid voor.
Imageselect, Biowetenschappen en maatschappij

Toch klinkt bij Peppelenbos nauwelijks het pessimisme dat ontwikkelingshulp zo vaak lijkt te tekenen. “De duurzame cacao-industrie werkt in Ivoorkust met 200.000 boeren op een totaal van 1,8 miljoen. Oké, dat is dus net 10 . Maar ondertussen zijn dat wel prachtige programma’s. En als je gelooft dat dit inderdaad de top is die uiteindelijk ook de brede basis de goede kant op kan trekken, dan betekent deze 10 echt wat!”

Ondanks die optimistische inslag, heeft Peppelenbos nog genoeg wensen en zorgen op het gebied van duurzame ontwikkeling. Een lastig probleem is de chronische armoede in veel van de gebieden waar Peppelenbos voor IDH werkt. “Die 200.000 boeren waar wij in Ivoorkust mee werken in de cacao hebben een opbrengst die substantieel hoger ligt dan die van die andere 1,6 miljoen boeren, soms wel drie of vier keer zo hoog. Maar als je daaraan gaat rekenen, dan kom je tot de slotsom dat er uiteindelijk nooit genoeg cacao geëxporteerd kan worden om ál die boerengezinnen uit de armoede te trekken. Er wordt door teveel mensen te weinig verdiend. Er is ruimte voor misschien 500.000 gezinnen die een modaal Ivoriaans inkomen uit de cacao kunnen halen. Maar wat gaan die andere 1,3 miljoen doen?”

“Wij staan voor duurzame bedrijfsmodellen in een gezonde markt. Maar ondertussen kan je alleen maar hopen dat de meer politieke macro-economie vervolgens ook een oplossing vindt voor het opnemen van die boeren voor wie in een duurzaam system geen plek meer is op het land. Dan hoop je dat er door de duurzame groei een middenklasse ontstaat met alle vormen van diensten en bedrijvigheid die daar weer bij horen. Een voorbeeld waar die ontwikkeling zich inderdaad als een positief vliegwiel heeft verspreid over de markt is de visteelt in Vietnam. Van de enorme massa van kleine pangasiustelers in Vietnam, is nu een klein aantal meer duurzame bedrijven overgebleven. De rest heeft voor een belangrijk deel werk gevonden elders in de keten, bijvoorbeeld in de verwerking en de export van de vis.”

Duurzaam uitgesloten

Met het voorbeeld van de beperkte markt voor duurzame cacaoboeren in Ivoorkust, krijgt het Initiatief Duurzame Handel wel het verwijt dat ze met hun zakelijke benadering meer boeren uitsluiten dan ze kunnen opnemen in een duurzame keten, erkent Peppelenbos.

Bij de verduurzaming van de visteelt in Vietnam hebben veel mensen werk gevonden verderop in de keten.
123RF, Biowetenschappen en maatschappij

“Toch denk ik dat dit hoort bij een normale ontwikkeling van een agrarische economie richting een meer geïndustrialiseerde economie. Zo heb je in landen als Chili en Zuid-Korea de afgelopen jaren kunnen zien dat ontwikkeling heeft geleid tot het ontstaan van een groeiende middenklasse, die het land in relatief korte tijd op een westers economisch niveau heeft gebracht.”

Daarbij heeft Peppelenbos persoonlijk ook een rotsvast vertrouwen in de technologie die ervoor zou kunnen zorgen dat ontwikkeling niet dezelfde roofbouw en overconsumptie veroorzaakt, zoals die in de meeste westerse landen te zien is.

“We hebben de afgelopen decennia veel geleerd over intensivering van teelten zonder de fouten die wij daarbij hebben gemaakt. We weten bijvoorbeeld steeds beter hoe we landbouw kunnen bedrijven zonder alleen maar in te teren op de voedingsstoffen die de bossen eerst in de loop van duizenden jaren in de bodem hebben gestopt, en waarbij we dus niet meer steeds een nieuw stuk bos hoeven te ontginnen. En ja, daarbij moet je voor een deel gebruikmaken van zaken als kunstmest. Dat is misschien op de lange termijn niet ‘biologisch’ in de strikte zin, maar wel een nuchtere realiteit als je de ontbossing nú enigszins aan wilt pakken. Dat de kunstmest zoals we die nu kennen, met de teruglopende fosfaatvoorraden in de wereld uiteindelijk ook geen oplossing meer is, dat is een feit, al denk ik dat de schaarste aan bruikbaar water een nog nijpender probleem is. Maar wat dat betreft vertrouw ik erg op de technologie. Onder druk van de stijgende prijzen voor steeds schaarser wordend fosfaat zullen we daar straks ook oplossingen moeten bedenken om de bodemvruchtbaarheid op een andere manier op peil te houden.”

Het bos als achilleshiel

In de ontbossing schuilt voor Peppelenbos overigens wel het meest hardnekkige probleem waar een voorvechter van duurzame ontwikkeling mee te maken heeft. “Van alle milleniumdoelen van de VN is de aanpak van ontbossing nog het meest buiten bereik. Het speelt ook een rol in veel van onze ketenprogramma’s. De teelt van palmolie, soja, en natuurlijk ook hout en papier, allemaal hebben ze heel direct met het vraagstuk van ontbossing te maken. Het is ook een probleem dat je nooit binnen één zo’n keten kunt oplossen. De markt zal dat probleem nadrukkelijk samen met overheden moeten aanpakken.”

Binnen het Initiatief Duurzame Handel is een apart programma opgezet om ontbossing aan te pakken. “We noemen dat de landschapsbenadering. De Braziliaanse deelstaat Mato Grosso heeft daar een goed voorbeeld van laten zien. Die deelstaat is twee keer zo groot als heel Frankrijk, en produceert veel soja, rundvlees en katoen. Op dit moment bestaat 60% van Mato Grosso nog uit bos, maar tot voor kort was het toch de kampioen ontbossing. De laatste jaren heeft de overheid daar een reductie van maar liefst 90% van de ontbossing voor elkaar gekregen. Dat was een combinatie van lokale wetgeving, maar ook een moratorium van de industrie, die heeft afgesproken dat ze geen ‘Amazone-soja’ meer kopen. Daarnaast werden veehandelaren concreet voor de rechter gedaagd wanneer hun vlees op illegaal ontboste gebieden was geteeld.”

De Braziliaanse deelstaat Mato Grosso heeft serieus werk gemaakt van bescherming en herbebossing van het oerwoud.
Imageselect, Biowetenschappen en maatschappij

Om die aanpak te bestendigen maakt Mato Grosso nu een plan om de landbouw in betere banen te leiden. “Binnen de 90 miljoen hectare die in Mato Grosso voor landbouw beschikbaar is, is de veelteelt met 24 miljoen hectare de grootste gebruiker. In de komende 25 jaar zal de soja en katoen nog met drie miljoen hectare groeien. De deelstaat heeft nu bedacht dat intensivering van de veeteelt niet alleen bespaart op de uitstoot van broeikasgas, maar ook vijf miljoen hectare landbouwgrond vrijspeelt. Dat is dus voldoende voor de gewenste groei van de soja- en katoenteelt, zodat er geen bos hoeft te worden gekapt. Sterker nog, er kan nog twee miljoen hectare worden herbebost.”

Zo hoopvol als het voorbeeld van Mato Grosso is, zo hardnekkig is het probleem elders. Indonesië kende dit jaar bijvoorbeeld een record aan bosbranden die traditioneel worden gesticht door boeren die landbouwgrond zoeken. “In Brazilië wordt het probleem in Mato Grosso nu aangepakt door een sterke regie van de overheid. In Indonesië zijn daar nog veel stappen in te maken.”

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 juni 2016

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.