Je leest:

Gammacanon (51): Ongelijkheid

Gammacanon (51): Ongelijkheid

Auteur: | 18 december 2010

Beschikbare hulpbronnen zijn in samenlevingen niet gelijk over ieder verdeeld.

Trois Têtes (TT)

In alle samenlevingen bestaat ongelijkheid. Maar in sommige samenlevingen is die groter dan in andere. En in sommige samenlevingen kan die ongelijkheid meer doorgegeven worden aan de volgende generatie, terwijl in andere de sociale positie van de ouders minder gewicht in de schaal legt. Zo bestond er in de samenlevingen van jagers- en verzamelaars ongelijkheid in vaardigheden bij de jacht en het maken van gereedschap en voedsel. Maar deze verschillen waren niet permanent en de mogelijkheden om die voorsprong door te geven beperkt. Dat werd anders in de agrarische samenlevingen. Bezit van landbouwgrond werd erfelijk en er ontstonden afzonderlijke standen van krijgers en priesters. De verschillen werden meer permanent en konden gemakkelijker worden overgedragen.

Dergelijke golfbewegingen zijn er meer opgetreden. Tijdens de industriële revolutie werd de ongelijkheid groter door de groeiende arbeidersklasse en de rijk wordende industriëlen. Aan het eind van de 19de eeuw nam die ongelijkheid weer af door de groei van de geschoolde hand- en hoofdarbeid, de grotere macht van aandeelhouders en managers en het succes van sociaal-democratische en christen-democratische vakbonden en partijen bij de inrichting van sociale voorzieningen. Sinds het laatste kwart van de 20ste eeuw neemt de ongelijkheid weer toe, door de afbraak van sociale voorzieningen en het ontstaan van nieuwe categorieën mensen met weinig hulpbronnen: eenoudergezinnen en etnische onderklassen.

Ook tussen landen zijn er verschillen. Zo is in de VS de ongelijkheid groter dan in Nederland, door het ontbreken van sociale voorzieningen en doordat in de VS het geld van ouders belangrijker is voor (onderwijs)kansen. Tegelijk hebben immigranten in de VS meer mogelijkheden een plaats te veroveren op de arbeidsmarkt, doordat werknemers minder beschermd worden. Sociale voorzieningen verminderen dus niet alleen ongelijkheid, maar vergroten die ook.

Sociale ongelijkheid gaat over de verdeling van ongelijke hulpbronnen. Geld en het vermogen om te leren zijn hulpbronnen, net als grondbezit, een baan met goede arbeidsomstandigheden, schoonheid, huisvesting of kennis van de dominante cultuur. Ongelijkheid is dus niet eendimensionaal. Tegelijk vertoont de verdeling van de hulpbronnen samenhang. De ene hulpbron (geld) kan omgezet worden in een andere (gezondheid), doordat geld helpt om de beste medische zorg te krijgen. Waar geld de toegang tot goed onderwijs bepaalt, is de samenhang sterker en de ongelijkheid harder, want de ene ongelijkheid (geld) valt samen met een andere ongelijkheid (kennis). In samenlevingen waar belasting inkomensverschillen tegengaat en het onderwijs voor allen goed is, is de samenhang geringer (maar nooit afwezig). De ongelijkheid is daar ‘poreuzer’, want de ene ongelijkheid gaat niet gelijk op met de andere.

Eén hulpbron domineert vaak ongelijkheid: grondbezit in agrarische samenlevingen, kapitaal in industriële, en kennis in postindustriële. Dat maakt andere hulpbronnen niet onbelangrijk. In agrarische samenlevingen is ook schoolkennis van belang. Een adellijke titel heeft voordelen in postindustriële samenlevingen.

Een strijdpunt is de veranderbaarheid van ongelijkheid. Verschillen tussen mensen liggen niet al bij hun geboorte vast, maar genetische potenties ontwikkelen zich onder invloed van hun omgeving verder. Toch blijven er verschillen. Neem lengte: betere voeding en medische zorg maakten alle mensen langer, maar verschillen in lengte zijn gebleven. Intelligentie is een meer omstreden voorbeeld: intelligentiescores zijn gedurende de 20ste eeuw gestegen, maar de verschillen in intelligentie bestaan nog.

Genetische verschillen, zoals sekse, kunnen tegengestelde gevolgen hebben. Vrouwen hadden vroeger weinig mogelijkheid onderwijs te volgen; hun onderwijsprestaties waren lager dan die van mannen. Nu presteren vrouwen het best in het onderwijs, wat de relatiemarkt danig verstoort.

Sociale ongelijkheid is een permanent kenmerk van samenlevingen, maar vorm en inhoud verschillen. Over dit laatste gaat politieke strijd, tussen conservatieven en vooruitstrevenden (mate van veranderbaarheid van ongelijkheid), of tussen liberalen en socialisten (verantwoordelijkheid voor die veranderbaarheid).

Jaap Dronkers is hoogleraar onderwijssociologie in Maastricht.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Volkskrant.
© Volkskrant, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 december 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.