Je leest:

Gaat Vlaanderen een eigen weg?

Gaat Vlaanderen een eigen weg?

Auteur: | 20 mei 2007

Lang was het Noord-Nederlands de norm voor het Nederlands in België. Maar sinds kort zijn ook vormen als zeker en vast, omzendbrief, cliënteel en zich herpakken ‘officieel’ aanvaardbaar Belgisch. Over de stem van een nieuwe generatie Vlaamse taaladviseurs en over de vraag wie beslist wat goed en fout is.

De leukste Vlaamse uitdrukking die ik ken, is ter plaatse trappelen. Eigenlijk is dat een militair commando – overeenkomend met het Nederlandse pas op de plaats- maar het wordt vooral figuurlijk gebruikt, in de zin van ‘treuzelen’ of ‘stagneren’. Wat er zo leuk aan is, weet ik eigenlijk niet. Waarschijnlijk kan ik me niet losmaken van de letterlijke betekenis. Telkens wanneer ik de uitdrukking tegenkom, zie ik eventjes een troepje ijverig stampvoetende kereltjes voor me.

Overigens hoort men hier in Vlaanderen niet graag dat een buitenstaander een typisch Vlaams woord of gezegde als ‘leuk’ aanduidt. Ook kwalificaties als origineel of vertederend en vooral sappig kun je beter voor je houden. Ze worden al gauw als arrogant opgevat. Misschien lijkt dat wat overgevoelig, maar niemand is er nu eenmaal blij mee wanneer de taal waarin hij is grootgebracht door anderen niet helemaal serieus wordt genomen.

Illustratie: Matthijs Sluiter

Rechtlijnig

Dat betekent niet dat Vlamingen hun eigen taalgebruik ideaal vinden. Integendeel, het valt telkens weer op hoeveel er hun aan gelegen is om aan bepaalde normen te voldoen. Velen weren zich tegen het gebruik van dialect en streektaal, althans in het openbaar. Dat geldt vooral voor woorden en uitdrukkingen, maar daarnaast ook voor grammatica en zinsbouw, en soms ook voor de uitspraak. Als toeschouwer ga je beseffen dat de onbezorgde (en vaak ook zorgeloze!) manier waarop Nederlanders hun moedertaal hanteren, berust op een zelfverzekerdheid die ze in hun jeugd hebben opgedaan – een verworvenheid waar Vlamingen hun hele leven voor moeten knokken.

Tot voor kort waren de meeste Vlaamse taaladviseurs uiterst rechtlijnig in deze materie. Hun ideaal was – om het met enige overdrijving te zeggen – dat je aan iemands taalgebruik niet kunt merken dat hij geen Nederlander is. Een uitzondering werd alleen gemaakt voor zogenoemde institutionele termen, zoals schepen (‘wethouder’) en vluchtmisdrijf (‘het doorrijden na het veroorzaken van een ongeval’). De voorstanders van deze richting waren in de regel verschrikkelijk goed van alle finesses in de naslagwerken op de hoogte en lieten geen enkele regionale afwijking passeren. Het hout waar 10 voor taal-winnaars uit gesneden zijn.

Triestige conclusie

Een bekende voorman van deze preciezen was Willy Penninckx. Een jaar of tien geleden kwam ik hem weer eens tegen op een bijeenkomst die de plaatselijke computerwinkel had georganiseerd om een nieuw Microsoft-product aan de man te brengen. Vier jongemannen gaven technische uiteenzettingen en beantwoordden vragen uit het publiek. Toen we na afloop samen naar de parkeerplaats liepen, luchtte hij zijn hart. Zijn levenswerk was eigenlijk overbodig geworden; dat was hem weer eens gebleken door die vier jonge Vlamingen. Hun manier van spreken was spontaan en daardoor verre van orthodox, maar het publiek was er heel tevreden mee. De communicatie was perfect. “Ze hebben me niet meer nodig”, was zijn triestige conclusie.

Inderdaad, er was iets aan het veranderen. Tegenwoordig horen we steeds vaker de stem van een nieuwe generatie Vlaamse taaladviseurs, die vinden dat honderd procent uniformiteit nergens voor nodig is. Ook binnen andere taalgebieden heb je tenslotte gewestelijke verschillen. Zuid-Italiaans is anders dan Noord-Italiaans en hetzelfde geldt voor het Frans, Duits en Engels, dus waarom geen formeel onderscheid tussen Zuid-Nederlands en Noord-Nederlands (of, zoals sommigen liever zeggen, Belgisch Nederlands en Nederlands Nederlands)?

Misschien een gezond idee, maar voor de goedwillende leek wordt de zaak er zo niet eenvoudiger op. Van de vele typisch Belgische woorden en uitdrukkingen die in omloop zijn, wordt nu een deel goedgekeurd, maar andere blijven ongewenst, bijvoorbeeld autostrade (‘auto(snel)weg’). Die laatste zijn dus ‘fout’. Op die manier krijg je drie soorten taal: Standaardnederlands, aanvaardbare Belgische varianten en afraders. Hoe komt de taalgebruiker nu te weten tot welke categorie een bepaald woord of een bepaalde uitdrukking behoort?

Vorig jaar is er een boekje verschenen dat in de meest voorkomende gevallen de weg wil wijzen. Het heet Stijlboek VRT en is geschreven door Ruud Hendrickx, taaladviseur bij de VRT (Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het orgaan dat in België de Nederlandstalige openbare omroep beheert). We vinden hierin bijvoorbeeld dat zeker en vast ‘bruikbaar Belgisch Nederlands’ is voor vast en zeker, dat de voormiddag in Nederland om twaalf uur begint en in België op dat tijdstip eindigt, dat rondpunt voor ‘verkeersplein’ echt niet kan (maar rotonde weer wel), enzovoort. Zo worden de contouren van de drie nieuwe categorieën zichtbaar.

Taalpaus

Een waarschuwing. Het boek is niet opgezet als een naslagwerk voor het grote publiek, maar als een verzameling huisstijladviezen voor het VRT-personeel. Dat verklaart waarom er honderden trefwoorden in staan die voor andere taalgebruikers van weinig betekenis zijn, zoals alle gemeenten in België en Nederland (bij de Friese gemeenten dient de Friese naamvariant als trefwoord!), alle bekende filmsterren, de uitspraak van de letters in het Tsjechisch, enzovoort.

Vandaar ook de ongewone lengte van lemma’s als aanspreking ( u of _jij_’), intonatie, nieuws, ondertiteling, stijltipsen weerbericht. Verder vinden we aan het eind het Taalcharter, een soort beginselverklaring waarin de nieuwe opvattingen over taalgebruik in Vlaanderen worden uiteengezet (zie het kader op de volgende bladzijde). Ook hier weer tal van voorbeelden van woorden en uitdrukkingen die binnen de VRT-norm vallen: praline (‘bonbon’), kwakkel (‘vals bericht’), onrechtstreeks (‘indirect’), ergens mee verveeld zijn (‘ergens mee in zijn maag zitten’), resem (‘reeks’).

Niet aanvaardbaar zijn daarentegen: goesting (‘zin’, ‘trek’), klak (‘pet’), brieventas (‘portefeuille’), uurwerk (‘horloge’), de duimen leggen(‘het onderspit delven’). VRT-medewerkers zijn verplicht de in het boek opgenomen ‘adviezen’ toe te passen; in twijfelgevallen beslist de VRT-taaladviseur (door sarcasten ook wel ‘de taalpaus’ genoemd).

Bruikbaar Belgisch Nederlands

Azurenkust: Cöte d’Azur cliënteel (de – ): clientèle dossier, uitspraak van -: rijmt op papier gelijkaardig: gelijksoortig her-woorden, zoals herbeginnen, herdoen, zich herpakken, herwerken komaf, ergens – mee maken: ergens een einde aan maken lidgeld: contributie omzendbrief: circulaire/rondzendbrief onevenwicht: wanverhouding panikeren: in paniek raken papierklemmetje: paperclip proefbuisbaby: reageerbuisbaby roofing: asfaltpapier watergladheid: aquaplaning werf: bouwterrein zakencijfer: omzet

Afgekeurde vlamismen

aprilvis: aprilgrap baxter: infuus betoelaging: subsidiëring bluts: deuk van dienst: dienstdoende gekwetst: verwond geweten zijn: bekend zijn labo: lab materniteit: kraamkliniek mutualiteit: ziekenfonds nakend:naderend ontdubbelen: verdubbelen rondpunt: verkeersplein solden: opruiming/koopjes stoffelijke schade: materiële schade verhuis: verhuizing wachtzaal: wachtkamer ijsroom: roomijs

Gemeente

Een rijtje dienstvoorschriften dus. Blijft de vraag waarom de auteur van zo’n verzameling interne instructies zich via een boek tot het publiek wendt. Kan één deskundige voor al zijn landgenoten beslissen wat goed en wat fout is? En welke criteria worden er toegepast bij de toewijzing van een woord aan een van die drie categorieën? Natuurlijk kun je zulke vragen ook stellen bij de grote Van Dale, bij de Algemene Nederlandse Spraakkunst, de Schrijfwijzer, enzovoort.

Het antwoord is dan dat deze naslagwerken de usances van de ‘spraakmakende gemeente’ beschrijven. Wat daarmee precies bedoeld wordt, heb ik, eerlijk gezegd, nooit begrepen. In elk geval schijnen de leden van die gemeente het onderling niet altijd eens te zijn; anders hadden we immers aan één taaladviseur genoeg, zoals we ook aan één spoorboekje en één weerbericht per land voldoende hebben.

Maar dit alles is nu niet aan de orde. Waar het hier om gaat, is dat volgens Hendrickx de standaardtaal in België niet of nauwelijks door een spraakmakende gemeente gedragen wordt, zodat Vlaamse taaladviseurs vaak zelf de knoop moeten doorhakken. Zullen zij voldoende gezag hebben om hun conclusies ingang te doen vinden? In Penninckx’ dagen leek de situatie toch een stuk eenvoudiger …

Het Taalcharter

In het Stijlboek VRT staan de opvattingen van de Vlaamse omroep over het taalgebruik op een rijtje in het Taalcharter. Enkele citaten:

“Alleen wil de VRT er meer dan in het verleden rekening mee houden dat de Nederlandse standaardtaal zoals ze in België gebruikt wordt, op een beperkt aantal punten kan verschillen van de in Nederland gebruikelijke variant van de Nederlandse standaardtaal.”

“We hebben al gezegd dat de VRT de norm voor de Belgische variant van het Nederlands wil zijn en blijven. Hij hanteert daarom een correcte taal op het gebied van woordkeus, grammatica, uitspraak en stijlregister. Perfect afgelijnde normen voor die correcte taal zijn moeilijk te geven (…).”

“Daarom ook hebben wij het bij voorkeur over de Belgische variant van de Nederlandse standaardtaal, een variant van het Nederlands die naast de Nederlandse variant staat, en niet over het in taalkundige zin te beperkte Vlaams of over het te zwaar beladen Zuid-Nederlands, dat te vaak met taalfouten wordt geassocieerd.”

“Als norm geldt de taal die door taalgevoelige Vlamingen wordt gehanteerd wanneer zij hun taal bewust verzorgen. Die norm sluit grotendeels aan bij de algemene Nederlandse standaardtaal, maar laat ruimte voor Belgisch-Nederlandse inbreng op het gebied van uitspraak, woordkeus, zegswijzen en beeldspraak.”

“Uiteraard hoort elke luisteraar of kijker of iemand uit Nederland of België komt, maar hij mag niet horen of iemand in Gent, Brugge, Antwerpen of Hasselt is opgegroeid.”

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 20 mei 2007
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.