Je leest:

Frans Oort: “Fascinerend dat je verder kunt komen enkel door na te denken”

Frans Oort: “Fascinerend dat je verder kunt komen enkel door na te denken”

Auteur: | 18 juni 2004

Hoe voelt wiskunde? Het gebeurt niet vaak dat wiskundigen praten over de emoties die hun vak bij hen oproept. Evelien Bus ging er in haar afstudeerscriptie naar op zoek. Door interviews met vakgenoten onderzocht zij de beleving van de wiskunde.

Frans Oort

“Al heel jong wist ik dat ik wiskundige wilde worden. Wiskunde leefde in ons gezin, omdat mijn vader wiskundige was. Op school trok wiskunde me, ik was er goed in en leerde het spelenderwijs. Wat me het meest trok in wiskunde, is dat je verder kunt komen enkel door na te denken. Dat vind ik nog steeds fascinerend.

Op de middelbare school kon ik niet wachten te beginnen met de wiskundestudie aan de universiteit. Maar toen ik eenmaal in Leiden begonnen was, viel het erg tegen. De nadruk lag op het reproduceren. We kregen alleen maar college en maakten nooit vraagstukken. Ik vond reproduceren niet leuk. Ik was er ook helemaal niet zo goed in. Zesjes, zeventjes voor tentamens. Mijn kracht ligt veel meer in het zelf ontdekken."

Small
Frans Oort: “Sinds mijn emeritaat in 2000 heb ik nog veel meer plezier dan voorheen in het beoefenen van dit prachtige vak wiskunde. En dan blijft er nog genoeg tijd en energie over voor het spelen op dwarsfluit of traverso, of voor het vertellen van verhalen.”

“Ook vond ik het studeren in Leiden niet leuk. Ik voelde me eenzaam. Met studiegenoten had ik weinig echt contact. In het begin van mijn studie heeft de hoogleraar Haantjes mij gestimuleerd. Hij was bovendien erg op de mens ingesteld: hij kende alle eerstejaars persoonlijk. In mijn latere studie heeft de hoogleraar Kloosterman wiskundig en persoonlijk een diepe indruk op mij gemaakt.

Als afstudeeronderwerp heb ik gekozen voor elliptische krommen. Ik vind dat nog steeds een fantastisch onderwerp. Ik vind het een fascinerend idee dat je met abstracte, algebraïsche technieken wat kunt zeggen over een meetkundige verzameling. Ik heb dat onderwerp in die tijd overigens zelf uit de boeken opgedoken. Ik had er nooit college over gehad. Er was ook niemand die het afstuderen begeleidde. Dat was toen niet de gewoonte. Dat heb ik wel gemist.

Na mijn studie heb ik een promotieonderwerp gevraagd. Mijn begeleider heeft me toen een veel te moeilijk probleem gegeven. Hij wist zelf ook niet waar te beginnen. Ik heb een jaar lang zitten staren en niets gedaan. Ik voelde me totaal machteloos.

Na dat jaar ging het gelukkig bergopwaarts. Ik ging naar Italië, waar Aldo Andreotti me ging begeleiden. Hij had een weergaloos gevoel voor wiskunde en voor de elegantie van wiskunde. En hij heeft me precies het goede onderwerp gegeven. Bij hem kon ik aan iets werken waar ik vat op had.

Het lukte me iets te bewijzen wat nog onbekend was. Vervolgens ben ik voor een jaar naar Parijs gegaan, waar Jean-Pierre Serre me begeleidde. Een fantastische tijd. Bij elk onderwerp had hij een hele gedachtenwereld aan ideeën en voorbeelden, hij wist precies hoe alles samenhing. En hij stond wiskundig gezien met beide benen op de grond: hij voelde aan wanneer iets niet klopte en schudde dan meteen een tegenvoorbeeld uit zijn mouw.

Serre heeft een grote eerbied voor wiskunde. Als hij zelf iets niet goed doet, of als een ander iets niet goed doet, dan reageert hij daar heel geschokt op: ‘Hoe kun je?’ Lees maar wat hij in een interview zegt: “… wrong statements make me almost physically sick. I can’t bear them. When I hear one in a lecture I usually interrupt the speaker, and when I find one in a preprint, a paper or in a book I write to the author (or, if the author happens to be myself, I make a note in view of a next edition)." Zo iemand als hij vindt de waarheid belangrijker dan zichzelf, dan zijn eigen ego. Dat waardeer ik erg. Later heb ik gemerkt dat er ook wiskundigen zijn, zelfs grote wiskundigen, die zonder voorbehoud beweringen als waarheid poneren, terwijl ze ze niet kunnen onderbouwen. Dat doet de wiskunde geen recht.

Ik heb een natuurlijke affiniteit voor het grensvlak tussen algebra, getaltheorie en meetkunde. Algebraïsche stellingen kunnen een enorme kracht hebben. Analyse heeft voor mij een minder duidelijke structuur. Lineaire analyse vond ik bijvoorbeeld doodsaai.

Een analytisch bewijs draaide er zo ongeveer altijd op uit dat je een heel moeilijke integraal moet berekenen. Met allerlei trucs hak je die in stukken. Het ene stukje bereken je zus, het andere stukje zo. Maar tenslotte voel je nog niet aan waarom het goed is. Ik heb nooit een Aha-Erlebnis bij analytische bewijzen. Bij analyse voel ik me nog steeds een buitenstaander. Algebraïsche bewijzen geven mij vaak veel meer inzicht. Bij veel bewijzen denk ik: ja natuurlijk, wat is het verschrikkelijk mooi.

Ik heb een tijd geleden zeven jaar lang aan een probleem gewerkt. Ik heb me er eigenlijk als een grommende hond in vastgebeten. Bijna niemand begreep waar ik mee bezig was, sommigen verklaarden me zelfs voor gek. Maar ik weet nog precies het moment dat ik plotseling een idee kreeg en me realiseerde: ‘Dit moet de sleutel zijn!’ Ik vertelde het aan Johan de Jong, die bij me is gepromoveerd. Hij stond als aan de grond genageld. Hij zei: ‘Ja natuurlijk, Frans, dat we dat al die tijd niet gezien hebben!’ Ik liet hem stukjes van het bewijs zien. Johan: ‘We moeten een voorbeeld doorrekenen om te testen of het werkt. Mag ik erbij blijven?’ Ik zei: ‘Ja, natuurlijk’. Ik ging zitten en rekende binnen een kwartier dat hele voorbeeld door. Er kwam exact uit wat eruit hoorde te komen! Toen waren we ervan overtuigd dat het goed was.

Het is achteraf gezien een fantastisch bewijs geworden. Het is getruct in zekere zin, maar eigenlijk ook zo volstrekt natuurlijk. Het pakt precies de essentie van het probleem aan. Toen ik zo jaren lang vast zat, realiseerde ik me dat ik het misschien wel nooit zou oplossen en daar had ik vrede mee. Toen de puzzel toch in elkaar viel, was het een fantastische ervaring. Rond mijn vijfendertigste heb ik overwogen om te stoppen met wiskunde. Mijn hoofdreden was dat ik het een eenzaam beroep vond. Je zit een groot deel van je werkzame leven in je eentje op een kamer.

Ik was zelfs in mijn eigen specialisme lange tijd een Einzelgänger. In Amsterdam heeft heel lang niet één van mijn collega’s begrepen waar ik mee bezig ben. Ik vond het jammer dat ik in Nederland niet gezien werd als iemand die aan iets leuks aan het werken is. Ook kun je aan de buitenwereld nooit duidelijk maken wat je doet. In je hoofd gebeurt er iets moois. Maar de maatschappij en je vrienden hebben daar totaal geen idee van. Daar komt bij dat bijna iedereen in onze maatschappij ‘bah’ zegt tegen wiskunde. Vaak storten mensen ook meteen hun eigen verhaal over je uit als je vertelt dat je wiskundige bent: hoe slecht ze behandeld zijn door hun wiskundeleraar en dat ze er nooit iets van begrepen hebben.

Uiteindelijk heb ik toch besloten om wiskundige te blijven. Omdat ik het gewoon heerlijk vind om te doen. Maar ik ben me sindsdien wel intensiever gaan bezighouden met vrijwilligerswerk en muziek, dingen waarbij ik me minder eenzaam voelde. Ik heb uiteindelijk een evenwicht gevonden tussen deze drie activiteiten.

Sinds mijn zestiende ben ik in mijn hoofd eigenlijk altijd met wiskunde bezig. Als ik even nergens op geconcentreerd hoef te zijn, duikt het op: ‘O ja, wat was ik ook weer aan het doen?’ ’s Ochtends in bad bijvoorbeeld. Heerlijk. Ik word ook wel eens ’s nachts wakker en ga een half uurtje wiskunde doen. Daarna slaap ik weer tevreden verder. Alleen als ik op vakantie ga, beslis ik van tevoren of ik het knopje uitzet of niet."

Over Frans Oort

Frans Oort studeerde wiskunde in Leiden. Promotie onderzoek deed hij in Pisa en Parijs. Daarna werkte hij vanaf 1961 tot 1977 aan de Universiteit van Amsterdam, en van 1977 tot 2000 aan de Universiteit Utrecht.

“Sinds mijn emeritaat in 2000 heb ik nog veel meer plezier dan voorheen in het beoefenen van dit prachtige vak wiskunde. En dan blijft er nog genoeg tijd en energie over voor het spelen op dwarsfluit of traverso, of voor het vertellen van verhalen.”

Wiskundig curriculum vitae

1952-1958: studie wiskunde aan de Universiteit Leiden

1958-1961: promotie bij W.T. van Est (Leiden), J.P. Murre (Leiden), A. Andreotti (Pisa), J-P. Serre (Parijs)

1961-1977: werkzaam aan Universiteit van Amsterdam, de laatste tien jaar als hoogleraar

1977-2000: hoogleraar in de zuivere wiskunde aan de Universiteit Utrecht

2000-heden: emeritus hoogleraar

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 juni 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.