Je leest:

Fotonen optellen en aftrekken

Fotonen optellen en aftrekken

Auteur: | 30 oktober 2001

Na zonsondergang verlichten peertjes en spaarlampen de woonkamer. Honderdduizenden minuscule lichtpuntjes vormen het beeld op een tv-scherm. Chemici en fysici werken aan nieuwe, zuinige lichtbronnen en nieuwe beeldschermen. Dankzij licht uit zeldzame-aardionen kunnen lampen en televisies er totaal anders gaan uitzien.

In stukken knippen van ultraviolette lichtdeeltjes en aan elkaar plakken van infrarode lichtdeeltjes: zie daar de wijze waarop de komende jaren in steeds meer beeldbuizen en lampen zichtbaar licht kan ontstaan.

Nieuwe lichtbronnen zoals de spaarlamp en de halogeenlamp zijn inmiddels gemeengoed. De ontwikkeling gaat door. De speurtocht naar nieuwe luminescerende materialen – fosforen – die fotonen van ultraviolette straling in twee fotonen zichtbaar licht knippen is in volle gang. Deze fosforen, met een rendement van bijna 200 procent, zijn nodig voor platte televisies en voor een verbeterde versie van de tl-buis, zonder kwik en zonder opstarttijd. Materialen die twee infrarode fotonen samenvoegen tot één zichtbaar foton, het omgekeerde proces, vormen de uitdaging bij de ontwikkeling van een heuse driedimensionale televisie.

Zonlicht

De zon is een zwarte straler. Dit lijkt een vreemde benaming voor een lichtbron die perfect wit licht uitzendt. Het begrip ‘zwarte straler’ geeft echter aan dat het gaat om een voorwerp dat licht uitzendt omdat het heet is. De kleur van het licht hangt slechts af van de temperatuur. Hoe hoger de temperatuur, des te meer licht er wordt uitgezonden. Ook de kleur verandert met de temperatuur. Dit is een bekend verschijnsel: als we een voorwerp verhitten wordt het eerst roodgloeiend en als het nog warmer wordt witheet. De zon is zeer heet, ongeveer 6000 kelvin. Slechts een klein deel van het zonnespectrum kunnen we zien. Het menselijk oog is alleen gevoelig voor straling met een golflengte tussen 400 en 700 nanometer. Dit noemen we (zichtbaar) licht. De lichtkleur hangt af van de golflengte: blauw licht heeft een golflengte van ongeveer 450 nm, groen licht 540 nm en rood licht 620 nm. Straling met golflengten langer dan 700 nm heet infrarode straling. Deze straling kunnen we niet zien, maar wel voelen als warmte. Straling met een golflengte korter dan 400 nm, ultraviolette straling, is eveneens onzichtbaar maar ontwikkelt wel bruin pigment in de huid als we lang genoeg in de zon liggen. Het zonnespectrum past goed op de ooggevoeligheidscurve. Beide vertonen een maximum rond 500 nm. Het licht dat de zon uitzendt, ervaren mensen als wit licht. Bij het maken van licht proberen mensen dit witte licht na te bootsen. Een gloeilamp is net als de zon een zwarte straler, maar de temperatuur is veel lager (ongeveer 3000 K) waardoor hij relatief meer geel en rood licht uitzendt. Al is een tl-buis geen zwarte straler, het aandeel rood, groen en blauw licht dat de buis levert is eenvoudig te variëren, zodat een spectrale verdeling ontstaat die lijkt op die van een zwarte straler met de gewenste temperatuur. Licht uit tl-buizen met een kleurtemperatuur van 5400 K lijkt op zonlicht, licht uit buizen met een kleurtemperatuur van 2700 K lijkt op dat van een gloeilamp.

Thomas Edison

In de eerste jaargang (1931) staat Natuur & Techniek uitgebreid stil bij het overlijden van Thomas Alva Edison, de uitvinder van de gloeilamp.

Toen de Amerikaanse uitvinder Thomas Edison (1847-1931) in 1879 de gloeilamp uitvond, was dat een doorbraak in de verlichting van huiskamers en werkruimten. De oergloeilamp bestaat uit een koolstofdraad in een vacuüm glasballon. Als er een elektrische stroom door de draad gaat, warmt deze door zijn weerstand op. Hij begint te gloeien en zendt licht uit. Het rendement van deze lamp is laag: twee lumen (maat voor hoeveelheid zichtbaar licht) per watt verbruikte elektrische energie. Meer licht ontstaat er als een wolfraamdraadje de koolstofdraad vervangt. Die gloeidraad bereikt een hogere temperatuur (3000 kelvin) en zendt dan meer zichtbare straling uit. Hoe heter een voorwerp is, des te meer zichtbare straling het uitzendt en hoe breder het spectrum van de uitgezonden straling. Dit is het principe van de zwarte straler. De straling met een golflengte van 400 tot 700 nanometer vormt het zichtbare licht.

Een halogeenlamp, een gloeilamp met daarin een beetje halogeengas, geeft nog meer licht. Het halogeengas, bijvoorbeeld chloor, zorgt ervoor dat wolfraam, dat bij de hoge temperatuur vrij snel van de gloeidraad verdampt, weer op de gloeidraad wordt afgezet. De lamp krijgt daardoor een langere levensduur en de draadtemperatuur kan nog hoger zijn. De huidige gloeilampen en halogeenlampen hebben een rendement van 15 tot 30 lumen per watt. Niet slecht, maar er gaat nog steeds veel energie als onzichtbare infrarode (warmte-)straling verloren. Dit is een eigenschap die onvermijdelijk is bij licht uit een zwarte straler. Het kan echter anders.

Koud licht

Van oudsher gaat het opwekken van licht gepaard met warmteontwikkeling. Het is ook mogelijk om licht onafhankelijk van warmte te maken: ‘koud licht’. Koud licht komt bijvoorbeeld uit tl-buizen. In de jaren dertig werden de eerste praktisch bruikbare tl-buizen gemaakt. Deze buislampen bevatten een klein beetje kwik en twee elektroden. Staat er spanning op de lamp, dan komen er elektronen vrij aan de negatieve elektrode, de kathode. Die versnellen in het elektrische veld richting positieve elektrode, de anode, en botsen daarbij op kwikatomen in de buis.

De kwikatomen bevinden zich in de grondtoestand. De elektronen zijn daarbij zo rondom de atoomkern verdeeld dat het atoom in een toestand van minimale energie verkeert. De botsing met een snel elektron brengt een kwikatoom in een aangeslagen toestand. De elektronen zitten dan op een minder gunstige manier rond de kern. Het kwikatoom keert vervolgens snel terug naar de grondtoestand, waarbij de elektronen hun oorspronkelijke verdeling weer innemen. De atoomkern raakt de overmaat aan energie kwijt in de vorm van vooral ultraviolette straling met een golflengte van 254 nm. Na diverse botsingen belandt het snelle elektron bij de anode: er loopt een elektrische stroom door de tl-buis.

Licht meten

Een zwarte straler levert een continuspectrum. Koud licht, zoals geleverd door een tl-buis, bevat daarentegen duidelijk onderscheidbare lichtcomponenten. De luminescentie in dit emissiespectrum van een tl-buis is afkomstig van tweewaardig europium (blauw), driewaardig terbium (groen) en driewaardig europium (rood). A.P. Vink

De vooruitgang op het gebied van het maken van licht vloeit voort uit het meten van licht. Het vakgebied optische spectroscopie wijdt zich aan deze materie. Experimenten vergen drie onderdelen: een lichtbron, een medium dat licht scheidt in verschillende kleuren en een detector die het licht meet. Het eerste spectroscopische experiment staat beschreven in de bijbel: na de zondvloed zag Noach de regenboog. Deze waarneming heeft alles in zich dat een experiment in de optische spectroscopie kenmerkt: de zon is de lichtbron, regendruppeltjes in de lucht scheiden het witte zonlicht in de kleuren van de regenboog en het oog ziet het licht.

Het principe dat spectroscopische experimenten drie elementen vergen, geldt nog steeds. De aard van die elementen is echter veranderd. In het begin van de 19e eeuw bestudeerde men het licht van de zon met een spectroscoop. Lenzen focusseerden het licht van de lichtbron, de zon, op een prisma dat het licht scheidde in verschillende kleuren. Een eenvoudige blik met het oog op de gescheiden kleuren maakte duidelijk dat de zon een continu spectrum uitzond: bij alle golflengten was licht aanwezig.

Tegenwoordig is de lichtbron bij een spectroscopisch experiment meestal een sterke lamp of een laser. Monochromatoren bevatten een rooster met zeer veel parallelle groefjes op onderlinge afstanden van een fractie van een micrometer. Licht dat op dat rooster valt, wordt verstrooid onder een hoek die afhangt van de golflengte. Een zeer geschikte detector voor het verstrooide licht is de zeer gevoelige fotomultiplicatorbuis. Een met monochromator en fotomultiplicatorbuis verkregen emissiespectrum van een tl-buis toont de intensiteit waarmee de drie fosforen elk bij een andere golflengte licht uitzenden. In de blauwe fosfor zendt tweewaardig europium licht uit in een band rond 450 nm. De scherpe lijnen rond 540 nm in het groen zijn afkomstig van driewaardig terbium en de rode lijnen rond 610 nm van driewaardig europium.

Fosfor

Zo’n tl-buis met kwikdamp zet de energie van de elektrische stroom zeer efficiënt om in ultraviolette straling, die we helaas niet kunnen zien. Een fosfor zet de ultraviolette straling echter om in zichtbaar licht. Een fosfor hoeft niet noodzakelijkerwijs het element fosfor te bevatten. Het is een stof die zichtbaar licht uitzendt bij bestraling met energierijke straling, bijvoorbeeld röntgenstraling, snelle elektronen of, zoals in een tl-buis, ultraviolet licht. De fosfor die, als een wit poederlaagje, de binnenkant van de tl-buis bedekt, absorbeert de ultraviolette straling en zendt vervolgens zichtbaar licht uit. Aan dit verschijnsel, luminescentie, dankt de tl-buis zijn naam: ‘tube luminescente’ ofwel luminescerende buis.

Het tl-licht verschilt van het licht van een zwarte straler: door specifiek ultraviolette straling op te wekken en deze om te zetten in vooral zichtbaar licht zijn er nauwelijks energieverliezen in de vorm van onzichtbare straling, iets dat bij een zwarte straler onvermijdbaar is. De populariteit van tl-verlichting nam na de Tweede Wereldoorlog snel toe. De gebruikte fosfor was jarenlang calciumhalofosfaat (dezelfde verbinding is ook de bouwsteen van tanden) met daarin een klein beetje driewaardig antimoon en tweewaardig mangaan. Het mengsel van blauw licht (uit antimoon) en geel licht (uit mangaan) geeft wit licht, al is de kleurweergave niet erg goed.

Zeldzame aarden

Een belangrijke doorbraak op het gebied van tl-buizen is de ontdekking eind jaren zeventig van fosforen met zeldzame-aardionen. Zeldzame aarden zijn die chemische elementen in het periodiek systeem der elementen waarbij een van de elektronenniveaus, de 4f-binnenschil, wordt opgevuld met maximaal veertien elektronen. De wisselwerking tussen de elektronen in de gedeeltelijk gevulde 4f-schil levert een groot aantal energieniveaus, waarbij de energieverschillen tussen deze niveaus vaak overeenkomen met de energie van fotonen zichtbaar licht. Dankzij de afscherming van de 4f-binnenschil door elektronen die iets verder van de kern bewegen, heeft de omgeving geen invloed op de energieniveaus.

De zeldzame-aardionen zenden licht uit in scherpe lijnen van één golflengte. Deze scherpe emissielijnen zijn kenmerkend voor een bepaald zeldzaam-aardion. Op basis daarvan zijn er blauw, groen en rood luminescerende fosforen ontwikkeld. De efficiëntie van deze fosforen is zeer hoog: het kwantumrendement bedraagt ongeveer 90%. Dit betekent dat een fosfor voor iedere honderd geabsorbeerde ultraviolette fotonen er negentig als zichtbaar licht uitzendt. In de juiste verhouding gemengd zet een laagje blauwe, groene en rode fosforen op de binnenkant van de tl-buis de ultraviolette straling van de kwikontlading om in mooi wit licht.

Lichtkleur

Bij bestraling met ultraviolet licht zenden fosforen zichtbaar licht uit. De kleur is niet alleen afhankelijk van het zeldzame-aardion dat in een fosfor voorkomt, maar soms ook van de golflengte van het ingestraalde licht en het kristal waarin het ion is ingebouwd. De fosforen hieronder zijn weergegeven in daglicht en bij bestraling met ultraviolet licht. Philips Research, Aken

Een simpele aanpassing van de mengverhouding van de drie fosforen verandert de lichtkleur: een lamp met meer rode fosfor geeft warmer licht en een lamp met extra blauwe fosfor geeft koel licht. In slagerijen hangen boven het vlees zelfs speciale tl-buizen met extra veel rode fosfor, zodat het vlees er mooi rood en vers uitziet.

De nieuwe zeldzame-aardfosforen hebben een grote stabiliteit. Daardoor kunnen tl-buizen veel dunner zijn en is het zelfs mogelijk een tl-buis te maken die nauwelijks groter is dan een gloeilamp: de populaire spaarlamp.

Ook in kleurentelevisies zorgen fosforen voor het opwekken van zichtbaar licht. In plaats van ultraviolette straling leveren daar snelle elektronen de energie aan de fosforen. De elektronen komen uit het elektronenkanon achterin de kleurentelevisie. Ze worden versneld over een spanning van maar liefst 30.000 volt. Horizontale en verticale afbuigspoelen richten de bundel snelle elektronen op het scherm. De binnenkant van de beeldbuis bevat lijnen van rood, groen en blauw luminescerende staafjes die naargelang de gewenste kleur door de elektronenbundel worden getroffen. De beeldpunten ofwel pixels zijn groepjes van een rood, groen en blauw staafje. Met de juiste hoeveelheid rood, groen en blauw krijgt de pixel de gewenste kleur. De snel scannende elektronenbundel bouwt vijftig maal per seconde het volledige scherm op, waarbij hij elke keer honderdduizenden pixels bezoekt.

Meer licht

Al kunnen we tevreden zijn met de zuinige spaarlampen en is de beeldkwaliteit van de tv uitstekend, het onderzoek gaat door. Er is veel interesse in nieuwe lampentypen zoals kwikvrije tl-buizen en de clusterlamp. Tl-buizen met kwik produceren weliswaar zeer efficiënt licht, maar ze hebben twee belangrijke nadelen: kwik is slecht voor het milieu en kwik is vloeibaar bij kamertemperatuur. Dat laatste zorgt voor de lange opstarttijd van een tl-buis, omdat het vloeibare kwik eerst moet overgaan in kwikdamp. In de huiskamer is dit geen bezwaar, maar het maakt de efficiënte tl-buizen ongeschikt voor bijvoorbeeld fax- en kopieerapparatuur en remlichten van auto’s. Stel dat bij een noodstop een remlicht later gaat branden omdat eerst het kwik moet verdampen! Voor dergelijke toepassingen gebruikt men daarom de minder efficiënte halogeenlampen.

Er zijn echter tl-buizen mogelijk die bij het aanzetten onmiddellijk licht geven. Dit kan als de buis bijvoorbeeld is gevuld met het edelgas xenon. Evenals kwikdamp zet ook xenongas elektrische stroom om in ultraviolette straling, maar nu is er geen opstarttijd. De uitgezonden straling heeft een nog kleinere golflengte dan de ultraviolette straling van kwik, ongeveer 170 nm. Deze harde ultraviolette straling, die bekendstaat als vacuümultraviolette (VUV) straling, kan gangbare fosforen aantasten. Het omzetten van deze straling in zichtbaar licht vereist nieuwe fosforen die stabieler zijn.

Kwantumknipper

Eén van de uitdagingen in het onderzoek naar VUV-fosforen is het vinden van een fosfor met een kwantumrendement van meer dan 100%. Dit klinkt misschien vreemd. Het kwantumrendement is echter gedefinieerd als het aantal uitgezonden zichtbare lichtdeeltjes of fotonen gedeeld door het aantal geabsorbeerde ultraviolette fotonen. De fotonen in het vacuümultraviolet bevatten voldoende energie voor twee fotonen zichtbaar licht. Zo ontstaat een zeer efficiënte lamp omdat bij een gegeven stroomsterkte tweemaal zoveel licht ontstaat. Dan moet er wel een fosfor zijn die twee zichtbare fotonen per geabsorbeerd foton uitzendt. Zo’n materiaal noemen we een kwantumknipper (het knipt een foton of lichtkwant in tweeën!). De energieniveauschema’s van zeldzame-aardionen zijn bij uitstek geschikt om dit te bereiken. Hun vele energieniveaus lopen door tot in het VUV-gebied. Het moet mogelijk zijn dat zo’n ion in twee stapjes uit een hoge aangeslagen toestand terugkeert naar de grondtoestand en daarbij twee fotonen zichtbaar licht uitzendt.

Na uitgebreid onderzoek van alle zeldzame-aardionen gaf men in de jaren tachtig de hoop op een efficiënte kwantumknipper op. Weliswaar ontdekte men zeldzame-aardionen die na absorptie van een ultraviolet foton twee fotonen uitzonden, maar er was er geen die in beide stappen een zichtbaar foton produceert. Door de verliezen in de vorm van ultraviolette en infrarode straling kwam het kwantumrendement voor nuttig zichtbaar licht nooit hoger dan 100%.

Tweestapsproces

Kwantumknippen: Een gadoliniumion absorbeert een VUV-foton en bereikt hierdoor een zeer hoge aangeslagen toestand, het 6G-niveau.

Vervolgens verplaatst de energie zich over de 6G-niveaus van diverse gadoliniumionen door het rooster totdat het bij een europiumion komt.

Het gadoliniumion draagt een deel van de energie aan het europiumion over. Het gadoliniumion valt daarbij terug van het 6G-niveau naar het 6P-niveau, terwijl het europiumion van het 7F-niveau naar de aangeslagen toestand 5D gaat.

Het europiumion zendt vervolgens het eerste rode foton uit vanuit dit 5D-niveau en keert daarbij terug in de grondtoestand.

De resterende energie, in de aangeslagen 6P-toestand van gadoliniumionen, verplaatst zich verder door het rooster totdat het ook aan een europiumion kan worden overgedragen.

Het europiumion komt hierbij eerst in een hoge aangeslagen toestand en vervalt dan, onder afgifte van een beetje warmte aan het rooster, naar het 5D-niveau. Van daaruit zendt het op zijn beurt een tweede rood foton uit.

Het onderzoek aan nieuwe fosforen aan de Universiteit Utrecht leverde eind 1996 nieuwe perspectieven op: er was een kwantumknipper met een kwantumrendement van bijna 200% voor rood licht ontdekt. In het witte poeder, dat bestaat uit de verbinding lithiumgadoliniumfluoride (LiGdF4), is een half procent van het gadolinium vervangen door europium. Een gadoliniumion kan een VUV-foton absorberen. De energie van dat foton wordt in de fosfor vervolgens in een tweestapsproces overgedragen aan europiumionen. Voor elk geabsorbeerd VUV-foton kunnen in theorie twee europiumionen een foton rood licht uitzenden. Het kwantumrendement is bijna 200%. Wanneer er voor alle kleuren een goede kwantumknipper beschikbaar is, kan het rendement van kwikvrije TL-buizen hoger zijn dan van de nu gebruikte TL-buizen. Zover is het nog niet, maar er wordt hard gewerkt aan kwantumknippers voor groen en blauw licht.

Plasmascherm

Fosforen die VUV-straling omzetten in zichtbaar licht zijn niet alleen nodig voor kwikvrije TL-buizen. Eén van de concepten voor platte televisies, het plasmascherm, gebruikt ook vacuümultraviolette straling uit xenon. Er bestaan diverse concurrerende technieken voor het maken van platte tv-schermen en fabrikanten investeren miljarden in de ontwikkeling ervan. De belangrijkste concepten zijn vloeibare-kristallenbeeldschermen (lcd’s), elektroluminescerende schermen, field emission displays en plasmaschermen.

Het plasmascherm kan een goede optie zijn. Het scherm bestaat uit twee glazen platen met daartussen xenongas. Op beide platen zijn geleidende draden aangebracht, op de één horizontale lijnen en op de ander verticale lijnen. Als er spanning op een horizontale en een verticale draad staat, loopt er op het snijpunt van de twee stroom door het xenongas en ontstaat daar vacuümultraviolette straling. Op ieder snijpunt van draden is er op het glas een beetje van een fosfor aangebracht die de opgewekte straling omzet in blauw, groen of rood licht. Door op de juiste draden spanning te zetten, zendt elk punt van het scherm de gewenste kleur licht uit en ontstaat een mooi beeld. Net als in de kwikvrije tl-buizen zetten de fosforen de vacuümultraviolette straling uit het xenongas om in zichtbaar licht. Een goede kwantumknipper voor elk van de drie kleuren kan daarbij de lichtopbrengst van het beeldscherm verdubbelen.

3D-tv

Het is de verwachting dat over vijftien jaar in de meeste huishoudens een televisie aan de muur zal hangen. Daarmee is de ontwikkeling niet afgelopen. Wat te denken van driedimensionale (3D) televisie? Er zijn diverse 3D-tv-systemen ontwikkeld, zoals holografische displays, het opwekken van 3D-plaatjes via schaduweffecten en het stereoscopisch kijken met speciale brillen, bijvoorbeeld met rode en groene glazen. Geen van deze technieken levert een echt driedimensionaal beeld. Het driedimensionale beeld is slechts onder een bepaalde hoek zichtbaar of het berust op optisch bedrog.

Het Californische bedrijf 3dlabs maakte in 1996 bekend dat het een werkend prototype van een echte 3D-televisie had vervaardigd. Bij deze 3D-televisie wordt er een driedimensionaal beeld geprojecteerd in een volume van een glas. Het beeld laat zich van alle kanten bewonderen en vereist geen speciale bril. Het lijkt op een driedimensionaal beeld in een glazen bol. Opnieuw zijn het zeldzame-aardionen die het licht van het televisiebeeld uitzenden. Zeldzame-aardionen kunnen niet alleen zichtbaar licht uitzenden bij bestraling met energierijke straling, maar kunnen in speciale gevallen ook de onzichtbare infraroodstraling omzetten in zichtbaar licht. Dit proces heet upconversion. Het is het omgekeerde van wat er gebeurt in kwantumknippers. In plaats van knippen, worden er nu in twee stappen twee fotonen van infrarood licht bij elkaar opgeteld om één foton zichtbaar licht te maken.

Driedimensionaal

In het glas van de driedimensionale televisie zitten zeldzame aardionen die infrarood licht omzetten in blauw, groen of rood licht. Dit gebeurt na het achtereenvolgens absorberen van twee infrarode fotonen met verschillende golflengten. Alleen op het snijpunt van twee infraroodlaserbundels (met verschillende golflengten) in het glas komt zo zichtbaar licht vrij. De twee laserbundels kunnen met spiegeltjes hun snijpunt op ieder gewenst punt in het glas richten. Als de infrarode lasers het glazen blok aftasten ontstaat een driedimensionaal beeld. De kleur van de beeldpunten hangt af van de zeldzame-aardionen die zich op een kruispunt bevinden. Zo geven de drie zeldzame-aardionen praeseodymium, erbium en thullium op het snijpunt van twee laserbundels met de juiste golflengten infrarood licht respectievelijk rood, groen en blauw licht.

De ontwikkeling van dit type driedimensionale televisie is mogelijk dankzij de geweldige vooruitgang die er in de laatste tien jaar geboekt is met diodelasers (meer vermogen voor minder geld). Er zijn diodelasers beschikbaar voor diverse golflengten in het infrarode spectrale gebied. Een praktisch probleem bij de driedimensionale televisie is het grote aantal ‘puntjes’. In plaats van ‘pixel’ noemt men bij de 3D-tv een punt in de ruimte een ‘voxel’, om aan te geven dat het om een volume-element gaat. Voor een goede resolutie zijn ongeveer driehonderd voxels per dimensie nodig, in totaal 300×300×300 ofwel 27 miljoen voxels. Voor een rustig driedimensionaal beeld, zonder flikkering, moeten alle voxels minimaal dertigmaal per seconde worden vernieuwd. Hiervoor is een adresseringsfrequentie van maar liefst een gigaherz nodig. Dat is lastig met één paar lasers, die bovendien onvoldoende energie leveren om alle voxels voldoende licht te laten geven. Een oplossing daarvoor is dat rijen van diodelasers het beeld schrijven. Twee rijen van n lasers sturen dan n2 voxels aan.

De technieken voor platte beeldschermen aan de wand en driedimensionale beeldweergave zijn nu technisch haalbaar. De nieuwe lampen en televisies zullen nog niet zo snel doordringen in de huiskamer. Het wachten is op de ontwikkeling van een betaalbaar product voor de consument.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 oktober 2001
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.